Start Submission
Special Collection

Keuze van de redactie 1970-2020

Collection launched: 08 Apr 2020

Ter ere van het jubileum van de BMGN – Low Countries Historical Review lanceren wij deze Speciale Collectie. Deze Collectie is samengesteld door de redacties die de afgelopen vijftig jaar verantwoordelijk waren voor de inhoud van de BMGN. De voormalige redacties zijn gevraagd twee gemotiveerde keuzes te maken uit de artikelen, fora, discussiedossiers of themanummers die tijdens hun periode als redactielid van BMGN zijn gepubliceerd.

We presenteren deze selectie in afleveringen en niet als een chronologische serie. Elke paar weken vindt u hier een nieuwe keuze uit de BMGN van de afgelopen vijftig jaar. Elke aflevering beslaat een persoonlijke en dus subjectieve keuze van enkele oud-redactieleden, die de lezer van toen en nu hopelijk informeert, amuseert en, wie weet, inspireert.

Deze maand is het de beurt aan Paul Klep, redactievoorzitter van de BMGN in de periode 1988-1993. Hij licht zijn keuzes in de volgende bijdrage toe.

Het bestuur van het Nederlands Historisch Genootschap en de redactie van BMGN worden hier samen geportretteerd ter ere van het vijfentwintigjarig ambtsjubileum van Gees van der Plaat op 27 januari 1995, Hotel des Indes in Den Haag. U ziet van links naar rechts, onderaan te beginnen: Elsbeth Locher-Scholten, Gees van der Plaat, Nicolette Mout, Marjan Schwegman, Cees Fasseur, Jo Tollebeek, Pim den Boer, Erik Aerts, Wijnand Mijnhardt, Piet de Rooy en Herman Beliën. © Fotograaf onbekend. Illustratie gepubliceerd in: Leen Dorsman en Ed Jonker, Anderhalve eeuw geschiedenis. (Nederlands) Historisch Genootschap 1845-1995 (Den Haag 1995), illustratiekatern, ISBN 90-73069-10-6 geb.


Keuze van de redactie van 1988-1993

In de periode 1988-1993 zijn er naar mijn indruk – ik hoop geen collega’s voor het hoofd te stoten – geen individuele artikelen in de BMGN verschenen die het epitheton ‘aardverschuivend’ verdienen. Ik geef hier daarom vooral aandacht aan thema’s die van een zeker actueel maatschappelijk belang zijn. Onderwerpen die in de vijftigjarige geschiedenis van de jubilaris herhaaldelijk werden behandeld, zoals de Tweede Wereldoorlog en ook de reeds bekroonde genderbijdragen, laat ik buiten beschouwing.

Het thema ‘Natievorming’ dat in BMGN 104:4 (1989) centraal stond, zou wellicht verwant kunnen worden geacht aan de tegenwoordige discussie over migratie en integratie, ware het niet dat de bijdragen betrekking hadden op een relatief beperkt ‘politiek’ aspect van ‘natievorming’, namelijk de Franse en Bataafse revoluties, en dus met enige teleurstelling bij de lezer zouden kunnen worden onthaald. Iets soortgelijks geldt voor de discussie in BMGN 106:3 (1991) rond Dutch Primacy in World Trade, 1585-1740, het werkelijk briljante boek van Jonathan Israel. Hoewel bij mij spontaan de gedachte opkomt dat een heftige opstoot van ‘primacy’-gevoelens zoiets als Brexit heeft veroorzaakt, vrees ik dat de op zichzelf zeer belangrijke inhoud van de bijdragen van Jan Luiten van Zanden, Leo Noordegraaf en Israel – waarin de grote Fernand Braudel toch min of meer naar de uitgang wordt geleid – niet beantwoorden aan wat vandaag de dag de idee van ‘primacy’ losmaakt.

Zouden de bijdragen uit het themanummer ‘Nederlandse ondernemers over de grenzen’ (BMGN 108:4, 1993), tevens het onderwerp van het NHG Najaarscongres van 1992, dan wel het hedendaagse maatschappelijk debat kunnen dienen? Grondstoffenwinning en de plantage-economie zijn immers ook vandaag de dag belangrijke fenomenen in het maatschappelijk debat. Het verschijnsel van globalisering en studies over de effecten daarvan op de Nederlandse economie en de landen waarin geïnvesteerd werd – kritische ideeën die bij historici al vanaf 1975 leefden – ontbreken in het neoliberale 1993 en in dit nummer echter bijna helemaal. Daarom lijkt ook dit nummer mij geen goede keuze.

Een diagram over de selectie van archiefbescheiden, Paul Klep, ‘VII Een complementaire informatie-gerichte archiefselectie’, BMGN 108:4 (1993) 766.

Zo kom ik dan aan mijn twee ultieme keuzes. Ik kies ten eerste voor het fundamentele dat onder hevige druk is komen te staan. Fundamenteel voor ons vak, en fundamenteel voor Nederland, is het discussiedossier over de bewuste en onbewuste archiefvernietiging (BMGN 108:4, 1993), een praktijk die nog altijd dagelijks de fundamenten van onze vakuitoefening zo niet aantast, dan toch ernstig beïnvloedt. De ontsluiting en het beheer van archieven zijn fundamenteel, aangezien de selectie tot bewaring van papieren en digitale documenten grote gevolgen heeft voor wat toekomstige generaties zullen weten en kunnen kennen over de geschiedenis van Nederland. Wat er bewaard wordt, betreft maar een fractie van de informatie die dagelijks wordt verzameld. De discussie over archiefvernietiging en archiefpraktijken zou echt weer hervat moeten worden. Of moeten we blij zijn met wat er aan dataverzameling door datarovers gebeurt? En hoe zullen toekomstige historici zich in deze wereld van selectieve dataplundering staande moeten houden? Door de krant te lezen? Herlezing van dit dossier zal inspireren.

Het draaiende scheprad van de Blokweerse molen te Alblasserdam, Zuid-Holland. Een opname uit 1943. Gerrit Keunen, ‘Waterbeheersing en de ontwikkeling van de bemalingstechniek in West-Nederland. De historische ontwikkeling van poldermolens en gemalen tot heden’, BMGN 103:4 (1988) 589.

Mijn tweede keuze valt op de urgentie van waterhuishouding, zoals tijdens het NHG-congres ‘Water’ en in een nummer van BMGN in 1988 (103:4) aan de orde werd gesteld. Guus Borger liet zijn licht schijnen op de fluctuerende zeespiegels en de maatschappelijke gevolgen daarvan. Het is naar ik vermoed een van de weinige artikelen in vijftig jaar waarin ‘klimaatverandering’ aan de orde wordt gesteld. Daar komt nog bij dat nauwelijks wordt beseft dat niet de dijken maar de molens het land uit de wurggreep van het buitenwater hebben gered – anders hadden we al in de vijftiende eeuw een verdronken land gehad met stranden langs de westrand van het Gooi en de Utrechtse Heuvelrug. Herlezing lijkt mij zeker voor de door het water bedreigde Hollandse vrienden van het KNHG een meer dan noodzakelijke en inspirerende activiteit.

Paul Klep, Radboud Universiteit

Lees ook:

Discussieforum ‘Waterstaat in stedenland’, BMGN – Low Countries Historical Review 123:1 (2008), met bijdragen van Petra van Dam, Milja van Tielhof, Tim Soens, Maarten Prak en William H. TeBrake.

Charles Jeurgens, ‘The Scent of the Digital Archive: Dilemmas with Archive Digitisation’, BMGN – Low Countries Historical Review 128:4 (2013).



Keuze van de redactie van 1983-1988

Wij hebben ons over de publicaties van BMGN in de jaren tachtig gebogen en kwamen tot de volgende observaties.

In het algemeen valt ons op dat veel losse artikelen uit de periode 1983-1988 misschien minder geschikt zijn om deel uit te maken van deze Speciale Collectie ter ere van het jubileum van BMGN. De uitstekende artikelen hebben immers vaak hun weg naar meer omvattende publicaties gevonden. Dit spoort ook met een van de functies van een tijdschrift zoals BMGN, namelijk verslag doen van tussentijdse resultaten van lopend onderzoek. En de wat minder geslaagde of baanbrekende artikelen wil je eigenlijk niet opnieuw veel aandacht geven. Daarom viel ons oog op de discussiedossiers en de themanummers, deze laatste waren vaak gebaseerd op bijdragen aan congressen.

Het discussiedossier hebben wij in 1985 geïntroduceerd, zie hiervoor ook de redactionele inleiding in aflevering 1 van deel 100. Wij denken dat het eerste discussiedossier in zijn soort over verzuiling en met bijdragen van Hans Daalder, Piet de Rooij en Siep Stuurman meteen het meest geslaagde is uit onze periode. Dat is dus onze eerste keuze. Van de themanummers uit dit tijdvak is het themanummer uit 1984 over Willem van Oranje onze tweede keuze.


Discussiedossier over het proefschrift van Siep Stuurman, Verzuiling, Kapitalisme en Patriarchaat (BMGN 100-1, 1985).

In 1985 was de redactie van de BMGN van mening dat de historische wereld wat meer discussie op niveau over grote vraagstukken kon gebruiken en dat zo’n discussie interessanter en overzichtelijker zou zijn als deze niet over verschillende afleveringen verdeeld zou worden, maar als de bijdragen juist in één dossier bij elkaar werden gebracht. Deze werkwijze vereiste dat de discussie over een belangrijke publicatie ook werd uitgelokt door er meer dan één uitvoerig recensieartikel over te laten schrijven en de auteur van die publicatie vervolgens gelegenheid tot uitvoerig antwoord te bieden.

Voor het eerste dossier werd gekozen voor de dissertatie van de historiserende politicoloog Siep Stuurman, die een stoutmoedig boek had geschreven over een aantal centrale kenmerken van de moderne Nederlandse samenleving, mooi samengebald in de titel Verzuiling, Kapitalisme en Patriarchaat. Je zou het ook als de verwoording van ‘het kwaad’ in die moderne samenleving kunnen zien, want Stuurman liet er geen misverstand over bestaan dat hij deze kenmerken afkeurde.

Nu was de ontwikkeling van die Nederlandse samenleving ook in historische kring hard aan nieuwe doordenking toe. Daar werd op meer dan één plaats ook aan gewerkt. Nadat de sociale wetenschappen in de jaren vijftig een begin hadden gemaakt, was met name verzuiling ook het voorwerp geworden van nieuw en lopend historisch onderzoek.

Omslag van Siep Stuurmans proefschrift Verzuiling,
kapitalisme en patriarchaat. Aspecten van de ontwikkeling
van de moderne staat in Nederland
.
©Uitgeverij SUN, ISBN 9789061682189.

Tegelijk waren er vele bedenkingen tegen de stellingen van Stuurman in te brengen. Hans Daalder, een politicoloog met grote historische kennis, en Piet de Rooij, een historicus met veel gevoel voor sociaalwetenschappelijke benaderingen, deden dat in fraaie artikelen op intellectueel hoog niveau en bovendien in elegante en evenwichtige bewoordingen. Stuurman repliceerde op hetzelfde niveau.

Zo werd dit dossier een belangrijke bijdrage aan onder meer het ‘verzuilingsdebat’, dat in die jaren ook internationaal levendig werd gevoerd en rond de eeuwwisseling min of meer afgesloten met de conclusie dat verzuiling een geslaagde metafoor was en ook zou kunnen blijven, maar geen geschikt wetenschappelijk concept was om samenlevingen te analyseren. Daarvoor zou moeten gekeken naar de onderliggende en met elkaar verstrengelde ontwikkelingen op het gebied van staat en natie, godsdienst en kerk en economie en sociale stratificatie. Dit discussiedossier bleek meteen ook een zelden geëvenaard voorbeeld voor de volgende dossiers. In de praktijk bleken niet alle later uitgenodigde discussianten tot een dergelijke open en evenwichtige gedachtewisseling in staat; sommigen verloren het evenwicht uit het oog en vlogen in de formulering uit de bocht.


Themanummer over Willem van Oranje (BMGN 99-4, 1984).

In 1984 werd Willem van Oranje, 400 jaar na de moordaanslag op zijn leven, op vele manieren herdacht, onder meer met een wetenschappelijk historisch congres. Zoals toen vaker voorkwam publiceerde de BMGN in een themanummer de bewerkte teksten van de voordrachten, in dit geval nog aangevuld met een uitvoerig recensie-artikel van de recent verschenen literatuur.

Oranje was zoals bekend een, zo niet dé, sleutelfiguur in de Nederlandse Opstand, en dus ook in het ontstaan en de latere ontwikkelingen van de afzonderlijke, verwante en toch zo verschillende staten, die later België en Nederland zouden worden. Dat congres kwam op een goed moment, en niet alleen voor de herdenking van Oranje. Over hem was immers al geruime tijd niet veel nieuws gepubliceerd, al liep er wel allerlei interessant onderzoek.

De herdenking in de Nieuwe Kerk, van de moord op Willem van Oranje, 400 jaar geleden in Delft.
Van links naar rechts: koningin Fabiola, koning Boudewijn van België, prins Claus,
koningin Beatrix, groothertog Jean en groothertogin Charlotte van Luxemburg.
©ANP/BENELUXPRESS, NLD-840710-DELFT.

Mede daardoor en doordat het tableau van sprekers en auteurs uit een mooie mix van Nederlandse, Belgische en internationale historici bestond (onder wie Johan Decavele, Helmut Koenigsberger, Nicolette Mout, Henk van Nierop, Folkert Postma en Koenraad Swart) markeerde dit themanummer een breuk met de bestaande historiografie. De religieus-ideologische en nationale bevangenheid van de geschiedschrijving over Oranje, die tot ver in de twintigste eeuw het beeld had bepaald, werd hier definitief verlaten en vervangen door een breder en sterk historiserend perspectief. Tegenover de nationalistisch en ideologisch geduide figuur van Oranje stond nu het beeld van een internationaal opererende, voorzichtige en twijfelende persoon.

De snelle publicatie van het themanummer zorgde ervoor dat de auteurs, die elkaars teksten vooraf niet hadden gelezen, uiteenlopende visies naar voren brachten die onderling niet altijd sterk communiceerden. Het nam de betekenis van het themanummer als opmaat naar een nieuwe historiografie echter niet weg. Het is interessant op te merken dat er vandaag de dag opnieuw een fase in een nationale ‘recuperatie’ van de ‘Vader des Vaderlands’ lijkt aangebroken, reden temeer het themanummer uit 1984 nog eens in herinnering te roepen.

Hans Blom, Herman Van der Wee en Wim Blockmans

Lees ook:
Jonas van Tol, ‘William of Orange in France and the Transnationality of the Sixteenth-Century Wars of Religion’, BMGN – Low Countries Historical Review 134:4 (2019)