Start Submission
Special Collection

Keuze van de redactie 1970-2020

Collection launched: 08 Apr 2020

Ter ere van het jubileum van de BMGN – Low Countries Historical Review lanceren wij deze Speciale Collectie. Deze Collectie is samengesteld door de redacties die de afgelopen vijftig jaar verantwoordelijk waren voor de inhoud van de BMGN. De voormalige redacties zijn gevraagd twee gemotiveerde keuzes te maken uit de artikelen, fora, discussiedossiers of themanummers die tijdens hun periode als redactielid van BMGN zijn gepubliceerd.

We presenteren deze selectie in afleveringen en niet als een chronologische serie. Elke paar weken vindt u hier een nieuwe keuze uit de BMGN van de afgelopen vijftig jaar. Elke aflevering beslaat een persoonlijke en dus subjectieve keuze van enkele oud-redactieleden, die de lezer van toen en nu hopelijk informeert, amuseert en, wie weet, inspireert.

Ditmaal is het de beurt aan James Kennedy, die tussen 2009 en 2015 deel uitmaakte van de redactie van BMGN. Hij licht zijn keuzes in de volgende bijdrage toe.

Het bestuur van het Nederlands Historisch Genootschap en de redactie van BMGN worden hier samen geportretteerd ter ere van het vijfentwintigjarig ambtsjubileum van Gees van der Plaat op 27 januari 1995, Hotel des Indes in Den Haag. U ziet van links naar rechts, onderaan te beginnen: Elsbeth Locher-Scholten, Gees van der Plaat, Nicolette Mout, Marjan Schwegman, Cees Fasseur, Jo Tollebeek, Pim den Boer, Erik Aerts, Wijnand Mijnhardt, Piet de Rooy en Herman Beliën. © Fotograaf onbekend. Illustratie gepubliceerd in: Leen Dorsman en Ed Jonker, Anderhalve eeuw geschiedenis. (Nederlands) Historisch Genootschap 1845-1995 (Den Haag 1995), illustratiekatern, ISBN 90-73069-10-6 geb.


Keuze van de redactie van 2009-2015

Looking back on the issues stemming from the period 2009-2015, I am reminded of how important a period it was for the journal, most notably the decision we made as an editorial board to publish in Open Access. It was a crucial move for the journal’s relevance and visibility. The sense that we were seeing more English-language contributions was a periodic point of discussion. Although the ‘Redactioneel’ became bi-lingual, I do not see clear evidence that the number of English-language articles increased much in this period.

I am also reminded of how much work it usually entailed for all involved. Almost all of the authors featured had to resubmit their work at least once for significant revision, and frequently more often. We always – if only just on two occasions that I recall – had enough copy to make a good issue, but the issues required careful planning to make that come out.

Seen from this logic, the best issues were the ones that were the wide-ranging, being able to stimulate different groups of historians at different levels, preferably with a good balance across the Dutch-Belgian divide and across time periods – often challenging aims. I will name two issues that stick out for me because they offered a fairly wide range of stimulating articles and themes – my most important criterion for a successful issue.


Het omslag van BMGN – Low Countries Historical Review 127:4 uit 2012.

I like BMGN – LCHR 127:4 (2012) because more than many issues it engaged in challenging existing historiography. Martine van Ittersum’s review article argued for the need to look at the Dutch Republic in international (read: Britain-dominant) discussion of early modern empire and mercantilism. Ruben Schalk, Oscar Gelderblom and Joost Jonker demythologized the founding of the Dutch East India Company, Gert Oostindie challenged the importance of the Dutch Atlantic and Guno Jones critiqued just how open the then-recent Dutch television series on slavery was to new perspectives. Needless to say, the discussion on a couple of these issues has grown only more intense over time, and scholarship in these fields has advanced since then. All the more reason to be pleased that the journal then offered space for these discussions. These contributions were complemented with a discussion on the future of the philosophy of history – a welcome theoretical contribution to the journal, offered by Herman Paul, Berber Bevernage and Harry Jansen.

The other example that I will give is BMGN – LCHR 129:1 (2014) which, more than the first example, is a potpourri of historical scholarship. The first couple of articles focus broadly on the history of science: how to read Johann Weyer’s influential On devilish delusions (Vera Hoorens) and crucial changes to Dutch university administration in the 1970s and 1980s on the basis of astronomy discipline (David Baneke). This was followed by review articles by Mineke Bosch and Piet de Rooy on the noteworthy publication of 1001 Vrouwen uit de Nederlandse Geschiedenis and research into sexual abuse in the Catholic Church. This issue also contained a peppered discussion of Maarten Prak’s and Jan Luiten van Zanden’s book on The Netherlands and the Polder Model, and concluded with a forum on the Rijksmuseum as a historical museum, culminating in a response by Martine Gosselink, then head of the museum’s history department.


Een screenshot van de BMGN-website uit 2012. Op 30 maart 2012 transformeerde BMGN – Low Countries Historical Review tot een full open access-tijdschrift. Het themanummer ‘Low Countries History of Masculinity’ was het eerste nummer dat volledig online toegankelijk was. Internet Archive.

Pointing to these two issues, of course, is not the only thing I can say about the period in which I sat, and for a time chaired, the editorial board. Thanks to the contribution from the historical community, we were able to launch many important discussions in the form of thematic issues, such as those on colonial and gender history, and the frequently referenced issue on digital history (BMGN – LCHR 128:4, 2013). All in all, I think the journal succeeded at offering its readership exciting forays into the scholarship of the Low Countries’ rich history.

James Kennedy


Keuze van de redactie van 2005-2011

Het forum ‘Geschiedenis - Herinnering - Identiteit. De historici en het Nationaal Historisch Museum’ (BMGN – Low Countries Historical Review 124:3, 2009)

Het Nationaal Historisch Museum is er niet gekomen, maar de inhoudelijke discussie erover in BMGN 124:3 (2009) is allerminst achterhaald. Veel argumenten en kwesties die in de bijdragen van toen aan bod kwamen zijn actueler dan ooit.

Neem het artikel ‘Oorlog en vrede. De slag om het Nationaal Historisch Museum’ van de militair historicus Petra Groen, waarin zij de dubbelzinnige houding van Nederlanders tegenover het militaire verleden en het veranderende perspectief op de dekolonisatieoorlog in Indonesië bespreekt – de term ‘politionele acties’ was intussen passé. Ze eindigt haar stuk met de opmerking dat de term ‘oorlogsmisdaden’ voor het optreden van Nederlandse militairen in Indonesië nog omstreden was, evenals het ‘structurele’ karakter van het excessieve geweld. Het recente nummer BMGN 135:2 (2020) over extreem geweld tijdens dekolonisatieoorlogen sluit hier naadloos bij aan. Dat dossier gaat immers precies over het structurele karakter van het excessieve geweld, maar dan in een breder perspectief: het geweld in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog – en het rookgordijn dat de politiek eromheen optrok – wordt vergeleken met het geweld in de oorlogen tijdens het dekolonisatieproces in Franse en Britse koloniën. De nationale geschiedenis wordt zo opgenomen in een globaal-historisch kader.

Aan de andere kant illustreert het forum uit 2009 ook (onbedoeld) hoe sterk de discussie over het ‘nationale’ verleden in de afgelopen tien jaar is veranderd: in de thematische opzet van het Nationaal Historisch Museum, en het debat daarover, vormden slavernij en (institutioneel) racisme nog geen vraagstuk. Dat is nu ondenkbaar geworden.


Leo Jordaan, ‘Doorbraak – commentaar’, Vrij Nederland, 7 mei 1955. Atlas van Stolk, Rotterdam, inventarisnummer 51035.

Het artikel van Bram Mellink, ‘Tweedracht maakt macht. De PvdA, de doorbraak en de ontluikende polarisatiestrategie (1946-1966)’ (BMGN – Low Countries Historical Review 126:2, 2011)

Vele lichtingen historici zijn na 1970 opgegroeid met de gedachte dat de Nederlandse politiek tot de jaren zestig een inerte boel was, waarin tegenstellingen gesmoord werden onder de wollige deken van de pacificatie tussen de zuilen, met als resultaat dat de confessionelen, net als de Duitsers bij het voetbal, steeds aan het langste eind trokken. De ware vrijheid daagde pas in de jaren zestig, toen eindelijk knellende banden werden geslaakt, taboes werden doorbroken en alles in beweging kwam.

Zo rigide is het geschiedbeeld intussen gelukkig niet meer. De monumenten voor de jaren zestig zijn ook aan enige erosie onderhevig. Maar oude vormen en gedachten sterven niet gemakkelijk af. Het idee van een grote breuk in de Nederlandse politiek tussen de jaren vijftig en zestig leidt nog een hardnekkig leven.

Bram Mellinks artikel biedt een nuttig tegengif – en daarvan is nu eenmaal meer dan één dosis nodig. Mellink heeft niet een willekeurig tegenvoorbeeld gekozen maar één van de kernelementen in de traditionele visie bij de kop gepakt: de gedachte dat de PvdA pas vanaf het midden van de jaren zestig doelgericht erop aanstuurde om het gevestigde politieke systeem te ondermijnen door tegenstellingen niet meer te accommoderen maar juist op de spits te drijven. Dankzij een bevlogen stel jonge socialisten zou de partij ten slotte een strategie van ‘polarisatie’ hebben omhelst, die ten langen leste een eind zou maken aan de dominantie van de confessionelen. Zo is het niet helemaal gegaan, laat Mellink in zijn prettig provocerende stuk zien. Met een batterij aan bewijsmateriaal toont hij aan dat de polarisatiestrategie geen uitvinding was van de ‘vernieuwers’ van de jaren zestig, maar al in de jaren vijftig werd geconcipieerd in de top van de PvdA, toen de boomers nog kinderen waren. Tweedracht in de politiek werd in de partij al vóór de jaren zestig als een deugd gezien. De oude garde was de ware voorhoede in de vernieuwing.

Karel Davids


Keuze van de redactie van 2001-2008

In eerste instantie zocht ik naar artikelen uit de periode 2001-2008, maar dat viel best tegen. Een willekeurig nummer bevatte soms maar twee artikelen, en soms ook minder. Heel veel spraakmakende bijdragen stonden er ook niet in, dat is ook niet de aard van de Nederlandse historici. Iets beter lukte het om wat te vinden in de discussiedossiers, zoals die over het Oera-Linda boek of het Srebrenica-rapport. Maar het meest staat me bij over de themanummers waaraan de redactie heeft gewerkt, namelijk de nummers over het landschap (BMGN 121:4, 2006) en ‘The International Relevance of Dutch History’ (BMGN 125:2/3, 2010). Dat laatste is gepubliceerd toen ik niet meer in de redactie zat, maar de conferentie waar het de neerslag van was, werd wel door ‘mijn’ redactie georganiseerd. Bovendien is veel moeite gedaan om kleur in het tijdschrift te krijgen. Kortom, die twee themanummers beschouw ik als de hoogtepunten van deze periode.

Klaas van Berkel

Een dubbelportret van Desiderius Erasmus (naar het portret van Hans Holbein de Jonge) en Jalal ad-Din Rumi, ook wel Mevlana genoemd. Deze muurschildering op het Erasmushuis te Rotterdam werd in 2008 gemaakt door de Iraanse kunstenaar Ahmad Reza Haraji. Willem Frijhoff, ‘The Relevance of Dutch History, or: Much in Little? Reflections on the Practice of History in the Netherlands’, BMGN – Low Countries Historical Review 125:2/3 (2010) 10. DOI: http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.7114.

Keuze van de redactie van 1998-2003

Guido de Bruin, ‘Het politiek bestel van de Republiek: een anomalie in het vroegmodern Europa?’(BMGN 114-1, 1999)

Naarmate Nederland meer verweven raakte in de Europese interdependentie – in 1992 werd in Maastricht besloten tot de invoering van de euro – werd met toenemende overgave gediscussieerd over de Nederlandse identiteit. Zowel de bekende serie IJkpunten (‘Nederlandse cultuur in Europese context’) als de Canon van Nederland waren hiervan het gevolg. In dat licht werd de Republiek cruciaal geacht, omdat deze periode immers duidelijk maakte hoe bijzonder het politieke bestel in Nederland was. Deze opvatting karakteriseerde Guido de Bruin echter als ‘een oppervlakkige en parochiële kijk op het verleden’. Doortastend verschoof hij de aandacht van de formele instituties naar de feitelijke werkwijze en plaatste die bovendien in een comparatief perspectief. Een frisse wind in een klimaat van zelffelicitatie.

Jos de Beus, ‘God dekoloniseert niet. Een kritiek op de Nederlandse geschiedschrijving over de neergang van Nederlands-Indie? en Nederlands Suriname’ (BMGN 116-3, 2001)

Tijdens de verzuilde periode werd in Nederland met meer of minder moeite erkend dat er uiteenlopende – en zelfs onderling strijdige – visies op het vaderlands verleden bestonden. Met de ontzuiling ontstond ruimte voor een nieuwe geschiedenispolitiek die vorm kreeg in het openslaan van ‘zwarte bladzijden’, inclusief pleidooien voor excuses, herstelbetalingen en het verwijderen van standbeelden. Aan de hand van een analyse van de veranderende verhoudingen tussen Nederland en de koloniën in Oost en West heeft Jos de Beus in een rijk betoog de voor- en nadelen van dit proces geschetst. Zijn artikel wekte nogal wat weerstand op in historische kring, al kan achteraf slechts worden geconstateerd dat zijn analyse steeds relevanter werd naarmate de tijd verstreek.

Piet de Rooy


Keuze van de redactie van 1988-1993

In de periode 1988-1993 zijn er naar mijn indruk – ik hoop geen collega’s voor het hoofd te stoten – geen individuele artikelen in de BMGN verschenen die het epitheton ‘aardverschuivend’ verdienen. Ik geef hier daarom vooral aandacht aan thema’s die van een zeker actueel maatschappelijk belang zijn. Onderwerpen die in de vijftigjarige geschiedenis van de jubilaris herhaaldelijk werden behandeld, zoals de Tweede Wereldoorlog en ook de reeds bekroonde genderbijdragen, laat ik buiten beschouwing.

Het thema ‘Natievorming’ dat in BMGN 104:4 (1989) centraal stond, zou wellicht verwant kunnen worden geacht aan de tegenwoordige discussie over migratie en integratie, ware het niet dat de bijdragen betrekking hadden op een relatief beperkt ‘politiek’ aspect van ‘natievorming’, namelijk de Franse en Bataafse revoluties, en dus met enige teleurstelling bij de lezer zouden kunnen worden onthaald. Iets soortgelijks geldt voor de discussie in BMGN 106:3 (1991) rond Dutch Primacy in World Trade, 1585-1740, het werkelijk briljante boek van Jonathan Israel. Hoewel bij mij spontaan de gedachte opkomt dat een heftige opstoot van ‘primacy’-gevoelens zoiets als Brexit heeft veroorzaakt, vrees ik dat de op zichzelf zeer belangrijke inhoud van de bijdragen van Jan Luiten van Zanden, Leo Noordegraaf en Israel – waarin de grote Fernand Braudel toch min of meer naar de uitgang wordt geleid – niet beantwoorden aan wat vandaag de dag de idee van ‘primacy’ losmaakt.

Zouden de bijdragen uit het themanummer ‘Nederlandse ondernemers over de grenzen’ (BMGN 108:4, 1993), tevens het onderwerp van het NHG Najaarscongres van 1992, dan wel het hedendaagse maatschappelijk debat kunnen dienen? Grondstoffenwinning en de plantage-economie zijn immers ook vandaag de dag belangrijke fenomenen in het maatschappelijk debat. Het verschijnsel van globalisering en studies over de effecten daarvan op de Nederlandse economie en de landen waarin geïnvesteerd werd – kritische ideeën die bij historici al vanaf 1975 leefden – ontbreken in het neoliberale 1993 en in dit nummer echter bijna helemaal. Daarom lijkt ook dit nummer mij geen goede keuze.

Een diagram over de selectie van archiefbescheiden, Paul Klep, ‘VII Een complementaire informatie-gerichte archiefselectie’, BMGN 108:4 (1993) 766.

Zo kom ik dan aan mijn twee ultieme keuzes. Ik kies ten eerste voor het fundamentele dat onder hevige druk is komen te staan. Fundamenteel voor ons vak, en fundamenteel voor Nederland, is het discussiedossier over de bewuste en onbewuste archiefvernietiging (BMGN 108:4, 1993), een praktijk die nog altijd dagelijks de fundamenten van onze vakuitoefening zo niet aantast, dan toch ernstig beïnvloedt. De ontsluiting en het beheer van archieven zijn fundamenteel, aangezien de selectie tot bewaring van papieren en digitale documenten grote gevolgen heeft voor wat toekomstige generaties zullen weten en kunnen kennen over de geschiedenis van Nederland. Wat er bewaard wordt, betreft maar een fractie van de informatie die dagelijks wordt verzameld. De discussie over archiefvernietiging en archiefpraktijken zou echt weer hervat moeten worden. Of moeten we blij zijn met wat er aan dataverzameling door datarovers gebeurt? En hoe zullen toekomstige historici zich in deze wereld van selectieve dataplundering staande moeten houden? Door de krant te lezen? Herlezing van dit dossier zal inspireren.

Het draaiende scheprad van de Blokweerse molen te Alblasserdam, Zuid-Holland. Een opname uit 1943. Gerrit Keunen, ‘Waterbeheersing en de ontwikkeling van de bemalingstechniek in West-Nederland. De historische ontwikkeling van poldermolens en gemalen tot heden’, BMGN 103:4 (1988) 589.

Mijn tweede keuze valt op de urgentie van waterhuishouding, zoals tijdens het NHG-congres ‘Water’ en in een nummer van BMGN in 1988 (103:4) aan de orde werd gesteld. Guus Borger liet zijn licht schijnen op de fluctuerende zeespiegels en de maatschappelijke gevolgen daarvan. Het is naar ik vermoed een van de weinige artikelen in vijftig jaar waarin ‘klimaatverandering’ aan de orde wordt gesteld. Daar komt nog bij dat nauwelijks wordt beseft dat niet de dijken maar de molens het land uit de wurggreep van het buitenwater hebben gered – anders hadden we al in de vijftiende eeuw een verdronken land gehad met stranden langs de westrand van het Gooi en de Utrechtse Heuvelrug. Herlezing lijkt mij zeker voor de door het water bedreigde Hollandse vrienden van het KNHG een meer dan noodzakelijke en inspirerende activiteit.

Paul Klep, Radboud Universiteit

Lees ook:

Discussieforum ‘Waterstaat in stedenland’, BMGN – Low Countries Historical Review 123:1 (2008), met bijdragen van Petra van Dam, Milja van Tielhof, Tim Soens, Maarten Prak en William H. TeBrake.

Charles Jeurgens, ‘The Scent of the Digital Archive: Dilemmas with Archive Digitisation’, BMGN – Low Countries Historical Review 128:4 (2013).



Keuze van de redactie van 1983-1988

Wij hebben ons over de publicaties van BMGN in de jaren tachtig gebogen en kwamen tot de volgende observaties.

In het algemeen valt ons op dat veel losse artikelen uit de periode 1983-1988 misschien minder geschikt zijn om deel uit te maken van deze Speciale Collectie ter ere van het jubileum van BMGN. De uitstekende artikelen hebben immers vaak hun weg naar meer omvattende publicaties gevonden. Dit spoort ook met een van de functies van een tijdschrift zoals BMGN, namelijk verslag doen van tussentijdse resultaten van lopend onderzoek. En de wat minder geslaagde of baanbrekende artikelen wil je eigenlijk niet opnieuw veel aandacht geven. Daarom viel ons oog op de discussiedossiers en de themanummers, deze laatste waren vaak gebaseerd op bijdragen aan congressen.

Het discussiedossier hebben wij in 1985 geïntroduceerd, zie hiervoor ook de redactionele inleiding in aflevering 1 van deel 100. Wij denken dat het eerste discussiedossier in zijn soort over verzuiling en met bijdragen van Hans Daalder, Piet de Rooy en Siep Stuurman meteen het meest geslaagde is uit onze periode. Dat is dus onze eerste keuze. Van de themanummers uit dit tijdvak is het themanummer uit 1984 over Willem van Oranje onze tweede keuze.


Discussiedossier over het proefschrift van Siep Stuurman, Verzuiling, Kapitalisme en Patriarchaat (BMGN 100-1, 1985).

In 1985 was de redactie van de BMGN van mening dat de historische wereld wat meer discussie op niveau over grote vraagstukken kon gebruiken en dat zo’n discussie interessanter en overzichtelijker zou zijn als deze niet over verschillende afleveringen verdeeld zou worden, maar als de bijdragen juist in één dossier bij elkaar werden gebracht. Deze werkwijze vereiste dat de discussie over een belangrijke publicatie ook werd uitgelokt door er meer dan één uitvoerig recensieartikel over te laten schrijven en de auteur van die publicatie vervolgens gelegenheid tot uitvoerig antwoord te bieden.

Voor het eerste dossier werd gekozen voor de dissertatie van de historiserende politicoloog Siep Stuurman, die een stoutmoedig boek had geschreven over een aantal centrale kenmerken van de moderne Nederlandse samenleving, mooi samengebald in de titel Verzuiling, Kapitalisme en Patriarchaat. Je zou het ook als de verwoording van ‘het kwaad’ in die moderne samenleving kunnen zien, want Stuurman liet er geen misverstand over bestaan dat hij deze kenmerken afkeurde.

Nu was de ontwikkeling van die Nederlandse samenleving ook in historische kring hard aan nieuwe doordenking toe. Daar werd op meer dan één plaats ook aan gewerkt. Nadat de sociale wetenschappen in de jaren vijftig een begin hadden gemaakt, was met name verzuiling ook het voorwerp geworden van nieuw en lopend historisch onderzoek.

Omslag van Siep Stuurmans proefschrift Verzuiling,
kapitalisme en patriarchaat. Aspecten van de ontwikkeling
van de moderne staat in Nederland
.
©Uitgeverij SUN, ISBN 9789061682189.

Tegelijk waren er vele bedenkingen tegen de stellingen van Stuurman in te brengen. Hans Daalder, een politicoloog met grote historische kennis, en Piet de Rooy, een historicus met veel gevoel voor sociaalwetenschappelijke benaderingen, deden dat in fraaie artikelen op intellectueel hoog niveau en bovendien in elegante en evenwichtige bewoordingen. Stuurman repliceerde op hetzelfde niveau.

Zo werd dit dossier een belangrijke bijdrage aan onder meer het ‘verzuilingsdebat’, dat in die jaren ook internationaal levendig werd gevoerd en rond de eeuwwisseling min of meer afgesloten met de conclusie dat verzuiling een geslaagde metafoor was en ook zou kunnen blijven, maar geen geschikt wetenschappelijk concept was om samenlevingen te analyseren. Daarvoor zou moeten gekeken naar de onderliggende en met elkaar verstrengelde ontwikkelingen op het gebied van staat en natie, godsdienst en kerk en economie en sociale stratificatie. Dit discussiedossier bleek meteen ook een zelden geëvenaard voorbeeld voor de volgende dossiers. In de praktijk bleken niet alle later uitgenodigde discussianten tot een dergelijke open en evenwichtige gedachtewisseling in staat; sommigen verloren het evenwicht uit het oog en vlogen in de formulering uit de bocht.


Themanummer over Willem van Oranje (BMGN 99-4, 1984).

In 1984 werd Willem van Oranje, 400 jaar na de moordaanslag op zijn leven, op vele manieren herdacht, onder meer met een wetenschappelijk historisch congres. Zoals toen vaker voorkwam publiceerde de BMGN in een themanummer de bewerkte teksten van de voordrachten, in dit geval nog aangevuld met een uitvoerig recensie-artikel van de recent verschenen literatuur.

Oranje was zoals bekend een, zo niet dé, sleutelfiguur in de Nederlandse Opstand, en dus ook in het ontstaan en de latere ontwikkelingen van de afzonderlijke, verwante en toch zo verschillende staten, die later België en Nederland zouden worden. Dat congres kwam op een goed moment, en niet alleen voor de herdenking van Oranje. Over hem was immers al geruime tijd niet veel nieuws gepubliceerd, al liep er wel allerlei interessant onderzoek.

De herdenking in de Nieuwe Kerk, van de moord op Willem van Oranje, 400 jaar geleden in Delft.
Van links naar rechts: koningin Fabiola, koning Boudewijn van België, prins Claus,
koningin Beatrix, groothertog Jean en groothertogin Charlotte van Luxemburg.
©ANP/BENELUXPRESS, NLD-840710-DELFT.

Mede daardoor en doordat het tableau van sprekers en auteurs uit een mooie mix van Nederlandse, Belgische en internationale historici bestond (onder wie Johan Decavele, Helmut Koenigsberger, Nicolette Mout, Henk van Nierop, Folkert Postma en Koenraad Swart) markeerde dit themanummer een breuk met de bestaande historiografie. De religieus-ideologische en nationale bevangenheid van de geschiedschrijving over Oranje, die tot ver in de twintigste eeuw het beeld had bepaald, werd hier definitief verlaten en vervangen door een breder en sterk historiserend perspectief. Tegenover de nationalistisch en ideologisch geduide figuur van Oranje stond nu het beeld van een internationaal opererende, voorzichtige en twijfelende persoon.

De snelle publicatie van het themanummer zorgde ervoor dat de auteurs, die elkaars teksten vooraf niet hadden gelezen, uiteenlopende visies naar voren brachten die onderling niet altijd sterk communiceerden. Het nam de betekenis van het themanummer als opmaat naar een nieuwe historiografie echter niet weg. Het is interessant op te merken dat er vandaag de dag opnieuw een fase in een nationale ‘recuperatie’ van de ‘Vader des Vaderlands’ lijkt aangebroken, reden temeer het themanummer uit 1984 nog eens in herinnering te roepen.

Hans Blom, Herman Van der Wee en Wim Blockmans

Lees ook:
Jonas van Tol, ‘William of Orange in France and the Transnationality of the Sixteenth-Century Wars of Religion’, BMGN – Low Countries Historical Review 134:4 (2019)