Jaren duurt de strijd voor de dekolonisatie van de publieke ruimte en de universiteiten al, maar toen Black Lives Matter begin juni 2020 na de politiemoord op George Floyd in geen tijd een internationale massabeweging werd, kwam er ook in België voor het eerst echt schot in de zaak. Organisaties als De//colonize Leuven en Hart boven Hard en lokale professoren als Nadia Fadil en Ortwin de Graef vroegen de Katholieke Universiteit Leuven om het voortouw te nemen in de strijd tegen structureel racisme en de eerste slag haalden ze meteen thuis: de Leuvense rector Luc Sels liet het borstbeeld van Leopold II verwijderen uit de Universiteitsbibliotheek. Dekolonisatie vergt echter niet alleen het bestrijden van (neo)koloniale propaganda, maar ook het breder verspreiden van counter narratives, verhalen en beelden die de geschiedenis vertellen vanuit de positie van de gekoloniseerden. De beslissing van de Antwerpse universiteit om een aula in de voormalige Koloniale Hogeschool naar Patrice en Pauline Lumumba, respectievelijk de eerste premier van het onafhankelijke Congo en zijn echtgenote die als activiste streed voor de dekolonisatie van Congo, te hernoemen is dan ook een belangrijke stap. Eerder dit jaar droeg ook Leuven University Press in dit verband een forse steen bij door de publicatie van het voorbeeldig geïllustreerde boek Lumumba in the Arts, samengesteld door de Antwerpse filmwetenschapper Matthias De Groof.

In 1999 organiseerde het Museum for African Art in New York de tentoonstelling A Congo Chronicle: Patrice Lumumba in Urban Art, gecureerd door de Litouws-Canadese wereldautoriteit op dit gebied die ook de bijbehorende catalogus samenstelde, Bogumil Jewsiewicki. Centraal in expo en boek stond het werk van de Congolese historieschilder Tshibumba Kanda Matulu die in tientallen schilderijen een geschiedenis van zijn land en leiders maakte, met Lumumba als hoofdrolspeler. Lumumba in the Arts bouwt verder op die catalogus en op de bundel Patrice Lumumba entre dieu et diable van Pierre Halen en János Riesz uit 1997 door de iconografie van de Congolese leider in film, theater, fotografie, literatuur, strip, muziek, schilderkunst, mode, postzegels, munten, bankbiljetten en de publieke ruimte te onderzoeken, met Jewsiewicki overigens als een van de auteurs. Tshibumba Kanda Matulu is trouwens ook ruim gepresenteerd: in interviewfragmenten uit de jaren zeventig voorziet hij achttien van zijn Lumumbaschilderijen van revelerend commentaar. Ook andere wereldberoemde artiesten die in belangrijke mate bijdroegen aan het beeld van Lumumba worden geïnterviewd. Cineast Raoul Peck is wellicht de meest gezichtsbepalende: zijn documentaire Lumumba, la mort d’un prophète (1990) en biopic Lumumba (2000) brachten zowel de bekende feiten als de blijvende mysteries omtrent hun onderwerp bij nieuwe generaties. Door verschillende werken van de in het boek als duo geïnterviewde schilders Marlene Dumas en Luc Tuymans kwamen de Lumumba’s ook in voorname museumcollecties terecht. Tuymans Lumumba-schilderij (2000) belandde overigens pas in die van het MoMA omdat de Brusselse Musea voor Schone Kunsten de schenking weigerden – geen blijk van diepgaande dekolonisatie in de Belgische hoofdstad.

Ook wie geen bijzondere interesse heeft voor Lumumba, of voor Congo of Afrika in het algemeen, zal moeten toegeven dat er nauwelijks een interessantere figuur te bedenken valt om de geglobaliseerde werking van cultural memory te demonstreren dan de begin 1961 in volle Koude Oorlog vermoorde Lumumba. De Groof begint zijn inleiding met een lijst van een honderdtal, vaak extreem tegenstrijdige epitheta waarmee naar de vrijheidsstrijder en eerste premier van het onafhankelijke Congo wordt verwezen. De zogenaamd Afrikaanse Lenin of anti-Fanon, ebbenhouten Christus of bloeddorstige tiran was bij leven al uiterst omstreden en na zijn dood maakten mythevorming en propaganda hem alleen maar ongrijpbaarder. Het boek wil hem onderzoeken als ‘an idea, symbol, icon, model, logo, metonym, spectre, image, figure and projection’ (6-7) en is in die ambitie goed geslaagd. Uiteraard zullen specialisten vanuit hun disciplinaire achtergrond hier en daar lacunes kunnen aanwijzen. Zo vond ik het jammer niet ook de Surinaamse dichter Michaël Slory aan te treffen in Mathieu Zana Etambala’s rijk gestoffeerde, becommentarieerde mini-bloemlezing van Lumumbagedichten van het Amerikaanse continent. Dat gemis doet echter niks af aan de rijkdom van dit boek dat prachtig het midden houdt tussen een diepgravende academische studie en een catalogus voor een hopelijk ooit te maken multidisciplinaire tentoonstelling.

Die multidisciplinariteit betreft de verschillende kunstvormen en media die in dit boek worden gepresenteerd en geanalyseerd, maar ook de achtergronden en onderzoekstradities van waaruit historici, antropologen, media-, film-, fotografie-, muziek- en literatuurwetenschappers hun onderwerp benaderen. Het boek leest zo ook als een staalkaart van hedendaagse paradigma’s en methodologieën, een rijkdom die niettemin voor sommige lezers als een hinderpaal kan overkomen, want wie is thuis in het jargon en de disciplinaire canon van al deze vakgebieden?

In zijn inleiding, zijn verbluffend breed gedocumenteerde essay ‘Lumumba in Cinema’, zijn interview met filmmaker en wetenschapper Balufu Bakupa-Kanyinda en zijn epiloog benadrukt samensteller De Groof hoezeer Lumumba alomtegenwoordig is gebleven omdat zijn lot symbool staat voor de onvoltooide dekolonisatie van Afrika. Bakupa-Kanyinda van zijn kant oppert dat Lumumba’s ziel blijft spoken omdat hij nooit een graf heeft gekregen. Verschillende auteurs wijzen in dat verband ook naar het gedicht ‘Lumumba’s Grave’ van Langston Hughes waarin de grote Afrikaans-Amerikaanse dichter stelt dat ‘air is his grave’ en dat zijn graf uiteindelijk ‘everywhere’ zou zijn. Andere bijdragen in het boek benadrukken dan weer hoezeer die beeld- en mythevorming niet pas begon nadat Lumumba vermoord was. In woord en beeld illustreert Lumumba in the Arts hoe tijdgenoten uit politiek, administratie en vooral ook de media op hem reageerden en hoe zo een figuur werd gecreëerd die zoveel ontzag afdwong en angst aanjoeg dat zijn dood voor lokale en internationale tegenstanders een nastrevenswaardig doel werd.

Vandaag maakt Lumumba in de populaire cultuur deel uit van het zogenaamde pantheon – een lijst met iconen als Malcolm X, Steve Biko en Martin Luther King (Gert Huskens en Idesbald Goddeeris wijzen er in hun bijdrage over rap op dat Lumumba’s naam ook goed rijmt op Nkrumah, Sankara, Mandela en Guevara). Toch, zo benadrukken onder meer Elikia M’Bokolo en Pierre Petit, is Lumumba’s iconografie veel complexer dan die van de genoemde zwarte helden: hij werd met enige vertraging een nationaal symbool in Zaïre/Congo waar sinds president Mobutu Sese Seko elke leider een eigen Lumumba creëerde, hij is sinds 1961 een antikoloniale revolutionaire held, omhelsd door de Communistische Internationale, en hij geldt als een pan-Afrikaans symbool dat in Guinee bijvoorbeeld meermaals werd afgebeeld op bankbiljetten en munten.

Over Lumumba’s beeld in de Lage Landen bevat het boek, naast het interview met Dumas en Tuymans, interessante aanzetten. Pedro Monaville analyseert het intrigerende documentaire werk van de Nederlandse kunstenaar Tom Küsters, Véronique Bragard bespreekt de strip Les Jardins du Congo van Nicolas Pitz, en Huskens en Goddeeris hebben aandacht voor onder meer Badi, Baloji Tshiani, Pitcho, Teddy L en (zeldzame Nederlandstalige rapper in hun enorme corpus) Pasi. Julien Truddaïu’s analyse van Belgische media (1956-1961) betreft enkel Franstalige bladen. Het Lumumbabeeld in Vlaamse media en literatuur wacht nog op verdere exploratie, zeker ook de romans van de in Lumumba in the Arts geregeld aangehaalde ooggetuige Gerard Soete, alias Geert Van Puthen.

Piet Defraeye vermeldt, als terzijde in een voorbeeldig gedocumenteerde analyse van de theatrale verbeelding van Lumumba, dat tot voor kort België zowat het enige Europese land was dat geen plein, straat, park, gebouw of monument naar de vermoorde Congolese leider vernoemde. Een vervolg op Lumumba in the Arts zou de omgang met Lumumba’s beeltenis en erfenis als graadmeter kunnen gebruiken voor de mentale, politieke en culturele dekolonisatie van onze gewesten.