This double theme issue of the BMGN Low Countries Historical Review takes a radical stand in the ongoing debate of Dutch and Belgian colonialism. It does so not necessarily by formulating a controversial opinion – although we hope to feed historical debate – but by taking an unorthodox point of view. The authors of this theme issue titled ‘Child Separation: Post(Colonial) Policies and Practices in the Netherlands and Belgium’ reassess European involvement in the Dutch and Belgian colonies through the eyes and experiences of native children. These children were objects of Dutch and Belgian policies that may originate in a certain sense of benevolence or responsibility, but ended up in separating children from their family, their environment, or even from their country. But the children in the contributions are not just to be seen as objects of colonial rule, and their stories not solely as accusations against the consequences of racist humanitarianism. All authors emphasise the agency of children in their contributions. Through the stories of children we can read colonial history against the grain of dominant ‘ethical’ or ‘civilising’ policies, and discern the agency of these children and their parents under (post)colonial rule.

This issue was initiated by Geertje Mak, Marit Monteiro and Elisabeth Wesseling who brought the authors together and wrote the introduction, as part of the research project ‘Children as Objects and Agents of (Post)Colonial Change’ (COACC), hosted by the University of Amsterdam.

In this double issue nine contributions offer a broad scope in time and space. Bente de Leede goes back to Sri Lanka in the times of the Dutch East India Company (VOC) to show how children were prepared by representatives of the Dutch Reformed Church for services to the VOC after finishing elementary education. Chiara Candaele on the other hand, concentrates on Belgian Catholic adoption agencies for children from postcolonial Rwanda and Burundi between 1970 and 1994.

Six articles concentrate on the Dutch East Indies in the heydays of ‘ethical’ colonialism at the end of the nineteenth and the beginning of the twentieth century. Three of these contributions are dedicated to religion-inspired activities in Dutch New Guinea. Geertje Mak shows how Dutch missionaries frequently resorted to buying locally enslaved children – their future converts – and by doing so they turned children into commodities in the local economy. Maaike Derksen analyses the consequences of reform strategies of Dutch Catholics to distance children from their next-of-kin and local culture to uplift Marind society, whereas Marleen Reichgelt uses a close reading of early twentieth-century photographs by missionaries of the Sacred Heart of Jesus of Marind children to show the agency of these children vis-à-vis efforts to ‘civilise’ them.

Kirsten Kamphuis demonstrates that the Javanese nobility allowed their daughters to attend the protestant Koningin Wilhelmina School on Java to secure their position within the colonial elite, while, at the same time, the school overwhelmingly failed in its desire to convert the pupils to the Christian faith. Marit Monteiro offers another example of local elites, this time the Chinese elite in Semarang, and Dutch Christian organisers who strategically operated together at the orphanage of Kebon Dalem for Chinese children. And finally, Elisabeth Wesseling shows how colonial projects of child separation in the Dutch East Indies were brought home to Dutch children through children’s literature dealing with the upbringing of Eurasian relatives in the ‘motherland’.

As usual, we devoted much attention to the cover of this issue. It captures the essence of the content, with on the front the gloomy picture of the smug Wilhelmina van Hasselt-Mundt amid scowling Papuan ‘foster children’, and on the back the colourful mosaic of photographs of Rwandan adoptees designed by Nadia Vandenbussche. This issue contains texts, illustrations and photographs. The editors are keenly aware of the fact that these may be regarded as offensive or indecent, because they describe or show children (sometimes nude) in dependent situations. The illustrations can be labeled as racist because they describe or depict a racist colonial setting. All pictures and illustrations have been carefully selected and discussed by the authors, the guest editors and members of the editorial board, and are published with the sole function of supporting and illustrating the scientific argumentation elaborated in the articles. We invite you to contact the authors and BMGN through bmgn@huygens.knaw.nl, if you wish to discuss the content of this issue. See also the mission statement at the back of this issue dealing with illustrations and copyright.

On behalf of the editorial board,

DIRK JAN WOLFFRAM

Van de redactie – Redactioneel

Dit dubbele themanummer van de BMGN Low Countries Historical Review neemt een radicale positie in in het voortdurende debat over het Nederlandse en Belgische kolonialisme. Niet zozeer door een controversiële mening naar voren te brengen – hoewel we wel degelijk het historische debat willen stimuleren – maar vooral door een ongebruikelijk perspectief in te nemen. De auteurs van dit themanummer, getiteld ‘Child Separation: Post(Colonial) Policies and Practices in the Netherlands and Belgium’, werpen een nieuwe blik op de Europese bemoeienis met de Nederlandse en Belgische kolonies door de ogen en ervaringen van kinderen. Deze kinderen waren het voorwerp van Nederlands en Belgisch beleid dat wellicht voortkwam uit zekere gevoelens van welwillendheid of verantwoordelijkheid, maar dat leidde tot het weghalen van kinderen uit hun gezinsleven, hun omgeving of zelfs hun land. Tegelijk waren de kinderen die in de bijdragen aan dit nummer voorkomen niet slechts objecten van koloniale overheersing, en hun verhalen zijn meer dan alleen aanklachten tegen de gevolgen van een racistisch geladen humanitarisme. De auteurs benadrukken dat kinderen ook zelf een zeker zeggenschap (‘agency’) hadden. Hun ervaringen staan haaks op dominante koloniale vertogen over ‘ethische’ of ‘beschavende’ politiek, en hun verhalen laten ons toe de ‘agency’ van deze kinderen en hun ouders onder (post)koloniaal bewind te onderscheiden.

Dit themanummer is een initiatief van Geertje Mak, Marit Monteiro en Elisabeth Wesseling die de auteurs bijeenbrachten en de inleiding schreven, en komt voort uit het onderzoeksproject ‘Children as Objects and Agents of (Post)Colonial Change’ (COACC), dat is ondergebracht bij de Universiteit van Amsterdam.

In dit dubbelnummer bieden de negen bijdragen een breed overzicht in tijd en plaats. Bente de Leede bestudeert Sri Lanka onder de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en laat zien hoe vertegenwoordigers van de Nederlandse Gereformeerde Kerk kinderen voorbereidden op het uitvoeren van diensten voor de VOC na het afronden van hun schoolopleiding. Aan de andere kant concentreert Chiara Candaele zich op de praktijken van Belgische katholieke adoptiebureaus bij de organisatie van adoptie van kinderen uit postkoloniaal Rwanda en Burundi tussen 1970 en 1994.

Zes bijdragen zijn gewijd aan Nederlands-Indië in de hoogtijdagen van ‘ethisch’ kolonialisme aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Drie daarvan gaan in op religieus geïnspireerde activiteiten op Nederlands Nieuw-Guinea. Geertje Mak bespreekt hoe Nederlandse zendelingen regelmatig overgingen tot het kopen van lokale, tot slaaf gemaakte kinderen – hun toekomstige bekeerlingen – en aldus lokale handelswaar van hen maakten. Maaike Derksen analyseert de gevolgen van verheffingsstrategieën van Nederlandse katholieken gericht op de Marind-gemeenschap door kinderen los te maken van hun familie en lokale cultuur, terwijl Marleen Reichgelt in een gedetailleerde analyse van vroeg-twintigste-eeuwse foto’s van Marind kinderen, genomen door missionarissen van het Heilig Hart van Jezus, zichtbaar maakt hoe deze kinderen zelf reageerden op pogingen om hen te ‘beschaven’.

Kirsten Kamphuis laat zien dat de Javaanse adel toestond dat zijn dochters de protestantse Koningin Wilhelminaschool bezochten om de positie van deze kinderen binnen de koloniale elite te handhaven, terwijl tegelijkertijd de school er niet in slaagde deze kinderen te bekeren tot het christelijke geloof. Ook Marit Monteiro biedt een voorbeeld van hoe lokale elites, in dit geval de Chinese elite, en christelijke organisaties een strategische alliantie aangingen in hun gezamenlijke inzet voor het weeshuis van Kebon Dalem in Semarang gericht op Chinese kinderen. Elisabeth Wesseling, tot slot, laat zien hoe koloniale projecten rond het scheiden van kinderen ook Nederlandse jongeren in het moederland beïnvloedden via jeugdliteratuur die handelde over de opvoeding van Euraziatische familieleden in Nederland.

Zoals gebruikelijk hebben we veel aandacht besteed aan het omslag van dit nummer. Het omvat de kern van de inhoud, met op de voorkant de sombere foto van de zelfgenoegzame Wilhelmina van Hasselt-Mundt te midden van stuurs kijkende Papua ‘pleegkinderen’ en op de achterzijde het kleurige mozaïek van foto’s van Rwandese adoptiekinderen ontworpen door Nadia Vandenbussche. Dit nummer bevat teksten, illustraties en foto’s. De redactie is zich er ten volle van bewust dat deze gezien kunnen worden als beledigend of aanstootgevend, omdat zij (soms naakte) kinderen beschrijven of laten zien in situaties van afhankelijkheid. De illustraties kunnen ook gezien worden als racistisch, omdat zij een racistische koloniale context beschrijven of laten zien. Alle foto’s en illustraties zijn zorgvuldig geselecteerd en bediscussieerd door de auteurs, de gastredacteuren en leden van de redactie, en zijn uitsluitend gepubliceerd om de wetenschappelijke argumentatie in de artikelen te onderbouwen en illustreren. We nodigen u uit contact op te nemen met de auteurs en BMGN via bmgn@huygens.knaw.nl, indien u van gedachten wilt wisselen over de inhoud van dit nummer. Graag verwijzen wij met betrekking tot illustraties en copyright ook naar het mission statement van BMGN aan het eind van dit nummer.

Namens de redactie,

DIRK JAN WOLFFRAM