De carrière van Dominique Berretty (1891-1934) is een ‘van-krantenjongen-tot-miljonair’-verhaal, dat zich afspeelde in het interbellum in voormalig Nederlands-Indië. Als kind van een Italiaans-Franse vader en Javaanse moeder, met een MULO-diploma en één jaar HBS op zak, was zijn eerste baantje in 1908 aspirant-klerk bij de Bataviase posterijen. In snel tempo zou hij zich echter tot een van de machtigste en rijkste personen in de kolonie ontwikkelen. Zijn doen en laten deed tijdens zijn leven veel stof opwaaien, of het nu ging om de wijze waarop hij met zijn persbureau Algemeen Nieuws- en Telegraaf Agentschap (Aneta) een monopoliepositie in de perswereld had verworven, zijn exuberante liefdesleven of zijn luxueuze leefstijl. Zelfs het einde van zijn leven was op een trieste wijze spectaculair: op 20 december 1934 overleed hij op 43-jarige leeftijd, toen het vliegtuig waarmee hij onderweg was naar Indië neerstortte in de Syrische woestijn.

Dat deze persoon als onderwerp voor een biografie is gekozen is niet vreemd, vreemder lijkt eerder dat zo’n biografie nu pas het licht ziet. Wel besteedde Gerard Termorshuizen, een expert op het terrein van de Indisch-Nederlandse pers, al eerder uitgebreid aandacht aan Berretty in het belangrijke overzichtswerk Realisten en reactionairen. Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse pers 1905-1942 (2011), dat hij samen met Anneke Scholte schreef. Ook in zijn recente biografie (2015) over de journalist en romancier Herman Salomonson, een vertrouweling en medewerker van Berretty, is de persmagnaat een belangrijk onderwerp.1 Voor Een groots en meeslepend leven, dat Termorshuizen samen schreef met neerlandicus Coen van ’t Veer, is onder meer gebruik gemaakt van persoonlijke brieven en interviews met nakomelingen van Berretty. Hierbij kon onder andere geput kon worden uit onderzoek en contacten van Sjoerd Meihuizen, wiens oom Hans Dokkum vanaf 1931 secretaris was bij Aneta.

Berretty begon zijn loopbaan in de journalistiek toen hij in 1910 corrector, en later redacteur, bij het Bataviaasch Nieuwsblad werd. In 1913 ging hij aan de slag bij de Java-Bode, eind 1915 als ‘eerste’ redacteur. Deze kranten stonden in die tijd positief tegenover de ethische richting in de koloniale politiek. In 1915 richtte Berretty het weekblad de Reflector op, dat zich doelbewust richtte op de Indo-Europese bevolkingsgroep. Deze periodiek werd gekenmerkt door satire, spot en sensatie, en was politiek gezien juist duidelijk rechts.

Berretty noemde het een idee-fixe dat Indo-Europeanen werden achtergesteld. Hij moest ook niets hebben van het Indonesische nationalisme en zijn aanhangers, die in toenemende mate van zich lieten horen. Daarin stond hij bepaald niet alleen: Termorshuizen en Van ’t Veer halen berichtgeving van beruchte rechtse journalisten als Karel Wybrands en Mozes van Geuns aan wier ‘volstrekte dédain voor de inlander’ Berretty deelde. In maart 1916 schreef hij dat de Indonesische bevolking zou moeten worden opgevoed ‘in liefde voor de vlag, waarvoor wij Nederlanders bereid zijn te strijden’ (55). Het stond voor Berretty buiten kijf dat de inheemse bevolking respect zou moeten hebben voor de Europeanen en dit respect diende er desnoods ingestampt te worden. Toch, zo laten de auteurs zien, is Berretty niet zo gemakkelijk in een hokje te plaatsen: hij schaamde zich in ieder geval niet voor zijn afkomst. Zo nam hij zijn moeder mee naar officiële recepties van de gouverneur-generaal en was zij eregast bij Berretty’s feesten en ontvangsten, al sprak zij weinig Nederlands (38-40).

In 1917 richtte Berretty met geleend geld het reeds genoemde Aneta op dat erin slaagde om nieuws eerder dan zijn concurrenten, zoals Reuters, in Nederlands-Indië te krijgen. Met name de koersendienst bracht in de beginjaren heel veel geld op – de prijzen voor tropische producten na de Eerste Wereldoorlog waren hoog en het bedrijfsleven was bereid om forse bedragen te betalen voor beurs- en handelsnieuws. Feitelijk kon niemand om Berretty heen toen hij in 1919 zijn directe concurrenten in Nederlands-Indië overnam en een nieuwsmonopolie verkreeg. Hij voegde in respectievelijk 1920 en 1924 een reclamebedrijf en een radiostation aan dit imperium toe.

Berretty’s methoden waren brutaal. Abonnementen op nieuws en advertenties koppelde hij aan de afname van zijn in 1922 opgerichte weekblad De Zweep (eind 1918 had hij de Reflector met ruzie verlaten). Deze koppelverkoop wekte ergernis bij verschillende kranten, mede omdat de inhoud van De Zweep spottend-beledigend en erotisch getint was. Het leidde uiteindelijk tot een rechtszaak, aangespannen door De Indische Courant, die deze verplichte afname weigerde en vervolgens hoge boetes kreeg opgelegd. Berretty dolf in deze rechtszaak het onderspit.

Belangrijker nog was een andere kwestie. De uiterst conservatieve journalist Henri Carel Zentgraaff, hoofdredacteur van het Soerabaijasch Handelsblad, had succes toen hij in 1929 een uitvoerige nota zond aan Nederlandse ministers, partijleiders en persorganen waarin hij de machts- en monopoliepositie en de verstrengeling tussen Aneta en de koloniale overheid scherp aan de kaak stelde. Hij kreeg steun uit linkse hoek: het sociaaldemocratische Tweede Kamerlid Charles Guillaume Cramer was het volledig eens met deze kritiek op de machtspositie van Aneta. Cramer had zich eerder al gekeerd tegen het dure contract dat de regering in 1927 met Aneta had gesloten om de nieuwsvoorziening aan buitenlandse kranten te verzorgen. De minister zegde de Kamer begin 1930 toe de gouverneur-generaal te vragen om een onderzoek in te laten stellen. De conclusie van deze commissie in 1931 loog er niet om: Aneta had inderdaad ontoelaatbare druk uitgeoefend om zijn machtspositie te handhaven en had zich ook aan tendentieuze berichtgeving schuldig gemaakt. Maar de Nederlands-Indische persorganen trof ook blaam, want ‘eenstemmig verzet’ was uitgebleven en zij hadden met andere woorden dit machtsmisbuik gefaciliteerd (215). Het gouvernement verbrak in ieder geval niet de band die het met Aneta had. Deze uitkomst is veelbetekenend voor de machtige positie die Berretty in de kolonie had verworven.

Over deze connectie tussen de Nederlandse en Indische overheid met Aneta en de economische, sociale en politieke omstandigheden waarin Berretty opereerde, is veel meer te zeggen. Het is duidelijk dat de auteurs in deze biografie juist ook het persoonlijk leven wilden schetsen. Voor de historische betekenis van Berretty in het interbellum in Nederlands-Indië is het minder relevant dat hij zes echtgenotes heeft gehad, hield van mooie kleren en snelle auto’s, of hij een toegewijd huisvader was, welke financiële regelingen hij trof met zijn exen en of de scheidingen minzaam of niet waren. De mens Berretty krijgt er echter wel contouren door. Het boek eindigt met een uiteenzetting van wat er met Aneta gebeurde toen Berretty het tot in de rand van de afgrond had gebracht vanwege de bouw van de uiterst luxueuze Villa Isola, en hoe het met zijn (voormalige) echtgenotes en kinderen afliep.

De auteurs sluiten de ogen niet voor Berretty’s onorthodoxe bewindsvoering en voor zijn conservatief-reactionaire koloniale denkbeelden, maar deze worden evenmin uitgediept. Hun bewondering voor de hoofdpersoon is duidelijk. Het laat onverlet dat ook een minder positieve conclusie getrokken kan worden op basis van de gepresenteerde feiten.