Sinds de laatste eeuwwisseling zijn ook historici van het Nederlands kolonialisme in de Indonesische archipel zich aan het ontworstelen van beperkende nationale interpretatiekaders. De nadruk ligt niet langer op Nederlands-Indië/Indonesië zelf, noch op de problematische verhouding tussen de kolonie en het moederland. Onder de noemer van New Imperial History proberen historici het Nederlandse koloniale project en het verzet daartegen nadrukkelijker internationaal te positioneren, te midden van andere koloniale mogendheden en verzetsbewegingen, in voortdurende verbinding met andere gebieden in Zuid-, Oost- en Zuidoost-Azië, en in samenspel met andere sociale en politieke krachtenvelden zoals de islam, de Chinese diaspora en het communisme. Subversive Seas: Anticolonial Networks across the Twentieth-Century Dutch Empire, het recent uitgekomen boek van Kris Alexanderson, is hier een mooi voorbeeld van.

Alexanderson is universitair hoofddocent aan de University of the Pacific in Californië en dit boek is een uitwerking van haar promotieonderzoek. Ze deed een belangrijk deel van haar archiefwerk in het Nationaal Archief in Den Haag en dat is duidelijk terug te zien in het boek. Voor Subversive Empires bestudeerde Alexanderson de archieven van een aantal Nederlandse scheepvaartmaatschappijen die in het interbellum voeren tussen de verschillende eilanden van de Indische Archipel (de Koninklijke Paketvaart Maatschappij), tussen Nederlands-Indië en de Arabische wereld (de ‘Kongsi Tiga’, bestaande uit de Stoomvaart-Maatschappij Nederland, de Rotterdamsche Lloyd NV en de Nederlandsche Stoomvaart Maatschappij Oceaan), en tussen Nederlands-Indië, China en Japan (de Java-China-Japan Lijn, verder JCJL). Ook bekeek ze de consulaatsarchieven van Jeddah in Saudi-Arabië en Shanghai in China. Alexanderson toont aan dat de genoemde scheepvaartbedrijven, naast commerciële ondernemingen, ook actief betrokken waren bij het verdedigen, bijsturen en uitbreiden van Nederlandse koloniale belangen.

De activiteiten van deze scheepvaartbedrijven lagen voor een belangrijk deel buiten de grenzen van de kolonie en de zeeroutes naar Europa. Anderson laat zien hoe Nederlandse schepen jaarlijks vele duizenden Indonesiërs van en naar de hadj-pelgrimage in Mekka vervoerden, en daarbij veel moeite hadden om grip te krijgen op malafide reisagenten en vermeend radicale gelovigen (hoofdstuk 1). Andere hoofdstukken behandelen het beleid van Nederlandse scheepvaartbedrijven en consulaten ten aanzien van Chinese passagiers, arbeiders en overheden (hoofdstuk 2), het tegengaan van deze bedrijven van de vermeende invloed van pan-islamistische en communistische netwerken op Indonesiërs via – en aan boord van – Nederlandse schepen (hoofdstukken 4 en 5), en de worsteling van Nederlandse scheepvaartbedrijven met het toenemende Japanse nationalistische zelfbewustzijn en concurrentie uit dat land (hoofdstuk 6). In het mooie derde hoofdstuk beschrijft Alexanderson de ruimtelijke indeling van Nederlandse schepen, waarin Europeanen angstvallig afgeschermd werden van niet-Europeanen en waarin nieuwkomers de sociale apartheidsnormen van de Nederlands-Indische maatschappij aangeleerd kregen.

Uit de hoofdstukken komt een tweeledig beeld naar voren van scheepvaartbedrijven die enerzijds gesteund werden door de koloniale staat in het verdedigen van Nederlandse belangen, en die anderzijds vaak niet opgewassen waren tegen grotere maatschappelijke krachten als de politieke islam, het communisme en het Japanse imperialisme. In de ‘oceanic world’, zo betoogt Alexanderson, was het Nederlands imperialisme het meest kwetsbaar. Aan boord van een schip trokken sommige passagiers zich weinig aan van raciale en sociale normeringen, en daarbuiten moesten scheepvaartbedrijven zich schikken naar de nieuwe realiteit van een snel veranderende wereld: ‘[t]he maritime world, therefore, exposed the Dutch empire’s fragility in maintaining hegemony both within colonial Indonesia and beyond’ (255).

In Subversive Seas opent Alexanderson ons de ogen voor het bestaan en de rijkheid van vrijwel ongebruikte bedrijfsarchieven als die van de scheepvaartondernemingen. Die bevatten niet alleen administratieve en bedrijfseconomische gegevens maar ook bijna dagelijkse verslagen, op het niveau van schepen en havens, over kansen en mogelijke bedreigingen in de gebieden waar de scheepvaartbedrijven actief waren. Ook uit de consulaatsarchieven haalt Anderson veel materiaal over de manier waarop Nederlandse functionarissen naar de bedreigende buitenwereld keken. Het veelvuldig gebruik van dit uniek bronmateriaal is echter ook een zwakte van het boek. De hoofdstukken leunen ieder zwaar op één van de archieven van het Nationaal Archief, zonder dat Anderson reflecteert op de vorm, inhoud en ontstaansgeschiedenis van die archieven. We krijgen weliswaar een goed beeld van de zorgen en angsten van Nederlandse scheepvaartondernemingen en overheidsfunctionarissen, maar het blijft onduidelijk in hoeverre en op welke manier antikoloniale netwerken er daadwerkelijk in slaagden om gebruik te maken van Nederlandse schepen en scheepvaartverbindingen.

Een ander nadeel van het exclusieve gebruik van Nederlandse archieven is dat ondanks de doelstelling van het boek de internationale context ietwat ontbreekt. Was de JCJL de enige Europese onderneming die worstelde met het assertieve Japanse optreden? In hoeverre kunnen de conclusies van dit boek ook gelden voor Britse, Franse en Amerikaanse scheepvaartbedrijven in Zuidoost-Azië? Was de situatie in Shanghai anders dan in Hongkong of Singapore? Stonden de communisten nog andere routes ter beschikking om Nederlands-Indië te bereiken? Een breder brongebruik had de conclusies van het boek meer gewicht gegeven.

Desalniettemin is Subversive Seas een belangrijke aanzet om de vroege politieke geschiedenis van Indonesië, inclusief de Chinese en islamitische bewegingen, opnieuw op de agenda te zetten. Een grensoverschrijdend perspectief is hierbij noodzakelijk. Ook wijst Alexanderson op de centrale rol van het bedrijfsleven in het uitbouwen en verdedigen van het koloniale project. In de door Anderson toegejuichte stroom publicaties die de geschiedschrijving over het Nederlands koloniaal verleden wil dekoloniseren worden deze twee perspectieven inderdaad node gemist.