Het verhaal van Daniël Wolf spreekt tot de verbeelding. Vanuit een whiskyhandel met zijn schoonvader bouwde de Joodse ondernemer een concern op dat hem in de jaren dertig tot een van de rijkste mensen in Nederland maakte. Bovendien stelde Wolf vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een plan op om miljoenen Joden een veilig heenkomen te bezorgen. Het moeten redenen zijn geweest voor Herman Langeveld en Bram Bouwens om een biografie over deze figuur te schrijven, die de lezer helaas met een kater achterlaat.

De jonge Wolf trof in 1916 op dansles zijn latere echtgenote René Gokkes, die via haar moeder verwant was aan de vermogende Rotterdamse familie Van den Bergh. Met kapitaal van Van den Bergh begonnen Wolf en zijn schoonvader Salomon Gokkes in 1922 een handel in grondstoffen voor alcoholische dranken en in die dranken zelf. Zij werden vertegenwoordigers van de whiskystoker Calder, die houten vaten nodig had, waardoor het vennootschap onder firma S. Gokkes jr. zich ook met houthandel ging bezighouden.

Aanvankelijk als vertegenwoordiger van Calder breidde Wolf vanaf 1924 de houthandel verder uit door houten dwarsliggers en ander spoorhout aan de Nederlandse Spoorwegen (NS) te leveren. Vanwege een slimme prijsstelling, handige foefjes, en het aanboren van een nieuwe markt in Polen, boekte Wolf vanaf midden jaren twintig commercieel succes en wist hij in Nederland nagenoeg een monopoliepositie bij de NS op te bouwen. Maar in 1933 brak de Spoorhoutaffaire uit, toen concurrenten uit de houthandel Wolf beschuldigden van oneerlijke praktijken. Het Ministerie van Waterstaat en een onderzoekscommissie van de Tweede Kamer onderzochten de zaak, maar zij stelden beide geen corruptie vast. De auteurs menen dan ook dat Wolf onterecht werd beschuldigd. Tegelijkertijd tonen zij aan dat Wolf zich in het buitenland wel degelijk aan omkoping bezondigde, al dan niet via zijn broer Mozes, die Langeveld en Bouwens de ene keer de stroman van Wolf noemen en de andere keer juist niet.

Begin jaren dertig zette Wolf S. Gokkes jr. om in een naamloze vennootschap. Vervolgens leverde hij vanaf midden jaren dertig levensmiddelen en wapens aan de Tweede Spaanse Republiek die in een oorlog was gewikkeld met een groot deel van het leger onder aanvoering van generaal Franco, terwijl Nederland en de westerse mogendheden tot een non-interventiebeleid hadden besloten. De auteurs spreken van wapenleveringen aan de ‘wettige Spaanse regering’, een appreciatie die misschien niet eenvoudig te rijmen is met de complexe politieke ontwikkelingen in Spanje in de jaren 1930. Wolf verbleef veel in Parijs en werkte bij het leveren van wapens aan de Tweede Spaanse Republiek samen met de Comintern, het door de toenmalige Sovjet-Unie gedomineerde internationale communistische netwerk. Zijn contactpersoon, de Italiaanse communist Giulio Cerreti, herinnerde zich later Wolfs passie voor goed eten en vrouwen. Wolfs vrouw René was er intussen van op de hoogte geraakt dat hij in Parijs een maîtresse had.

Naast het spoorhout haalde Wolf ook wapens uit Polen. De auteurs beschrijven deze wapentransporten uitvoerig. Zij laten zien hoe Wolf diens betrokkenheid bij de wapenhandel zo veel mogelijk probeerde te maskeren om zijn reputatie niet verder te beschadigen, want deze was door de eerdergenoemde Spoorhoutaffaire bezoedeld. Wolf verdiende met de wapenleveranties een fortuin waarmee hij in 1937 de buitenplaats Groot Haesebroek in Wassenaar kocht. Ook investeerde Wolf in allerlei ondernemingen, waaronder draadproducten en een olieraffinaderij. Deze bleken weinig succesvol, want zijn vermogen slonk in drie jaar tijd van ruim twintig naar minder dan vier miljoen gulden.

In propagandabladen van de midden jaren dertig opkomende NSB werd Wolf het mikpunt van antisemitisme. NSB’ers zagen hem als een nietsontziende handelaar die zich had bezondigd aan omkoping in de Spoorhoutaffaire en met wapenhandel in de Spaanse burgeroorlog gewetenloos zijn geld verdiende. Wolf ging in de tegenaanval door campagnes te financieren die de NSB bij de verkiezingen tegengas gaven. De auteurs noemen hem in dit opzicht een weldoener. Zij gaan er echter nogal gemakzuchtig aan voorbij dat Wolf er geen punt van maakte om in zijn ondernemingen met pro-nazistische lieden samen te werken.

Ook beweren Langeveld en Bouwens dat Wolf Joodse doelen belangrijk heeft gesteund, zoals met zijn emigratieplan eind 1938 om miljoenen Joden uit Midden-Europa te redden. Dit stelde echter weinig voor, ondanks de lovende woorden van de auteurs. Wolf stond niet achter het zionisme met de kolonisatie van Palestina, maar zag meer in de emigratie van Europese Joden naar andere gebieden. Hij richtte een eigen organisatie op, de International Jewish Colonization Society, waarvoor hij naar eigen zeggen forse bedragen wist op te halen. Wat er met dat geld is gebeurd, vermelden de auteurs niet. Uiteindelijk koos Wolf Suriname als emigratiebestemming, waar zich als proef eerst vijftig joodse gezinnen zouden vestigen. Dit ging echter niet door vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, waarna Wolf zich met andere zaken ging bezighouden. Het is geen wonder dat Loe de Jong in zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog geen aandacht schonk aan deze episode.

In 1940 bevond Wolf zich in België en vluchtte hij met een zakenpartner via Groot-Brittannië naar de Verenigde Staten. Volgens de auteurs wist Wolf daar tijdens de Tweede Wereldoorlog veel geld te verdienen in de wapenhandel voor Groot-Brittannië en andere partijen. Echter, in de praktijk brachten deze zaken Wolf maar weinig op. Voordat hij naar Verenigde Staten vluchtte, maakte hij 200.000 dollar over naar een Amerikaanse rekening en het lijkt erop dat hij dat geld opmaakte. Wolfs echtgenote René en dochters waren in Nederland achtergebleven, terwijl zijn maîtresse uit Parijs wel de overtocht naar New York maakte. René verweet Wolf dat hij zich onvoldoende inspande om hen over te laten komen. Zij werden door de Duitsers via Westerbork gedeporteerd naar Bergen-Belsen en wisten dit kamp te overleven.

Tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten liet Wolfs gezondheid hem steeds meer in de steek: eind 1943 overleed hij op 46-jarige leeftijd in New York. Langeveld en Bouwens stellen dat zijn arts hem vanuit Groot-Brittannië volgde naar de Verenigde Staten, maar niet dat hij toen al leed aan hartfalen. Wellicht zijn dergelijke medische gegevens niet te achterhalen, maar het feit van zijn kwalen in de Verenigde Staten valt nogal uit de lucht. Na zijn dood werd Wolfs boedel onderzocht en bleek in de wirwar van ondernemingen weinig geld aanwezig te zijn. De auteurs trekken hier geen conclusie uit, maar de lezer bekruipt het gevoel dat de rijkdom van Wolf altijd overdreven werd.

Aan het begin van de biografie vermelden de auteurs dat Wolf als een oplichter beschouwd wordt door de historici Guus Veenendaal en Gerard Aalders. Langeveld en Bouwens stellen dat zij zullen onderzoeken of die typering de toets der kritiek kan doorstaan en menen dat dit niet het geval is. Zij slagen er echter niet in om die karakterisering te weerleggen. Het boek staat vol aannames die niet met feiten onderbouwd worden en onwaarschijnlijkheden die als geloofwaardig worden gepresenteerd. Zo vormen verhalen van de dochters geen objectieve weergave van het leven van hun hoofdpersoon. Anders dan het beeld van een Joodse mecenas krijgt de lezer van Whisky, wapens en weelde vooral de indruk van een zwendelaar. Ook daarover valt een intrigerend verhaal te vertellen, maar de auteurs hadden dan meer naar de feiten, dan naar de eventuele wensen van de familie moeten schrijven.

Tot slot is het een gemiste kans dat de auteurs weinig ‘dwarsliggers’ gebruiken. Waarom wordt geen relatie gelegd met bankier en kunstverzamelaar Fritz Mannheimer? Hij werd net als Wolf midden jaren dertig in de rechts-radicale pers afgeschilderd als ‘de geldjood’ die met zijn speculaties en gedrag de samenleving bedreigde. Hij woonde ook in een luxueuze villa met veel kunst, vertoefde evenals Wolf veel in Parijs, had eveneens een passie voor vrouwen, en leed aan het einde van zijn leven aan een hartkwaal. Beiden leidden een onconventionele levensstijl, hadden een waas van controverse om zich heen, waren gewiekste zakenlieden en gedroegen zich briljant in hun vak: in hoeverre kwamen zij in hun karakter en achtergrond overeen en in hoeverre hadden zij te maken met dezelfde soort maatschappelijke kansen en uitsluitingsmechanismen?