Het vorig jaar verschenen The Price of Bread is het zevende boek dat Jan de Vries sinds de publicatie van zijn proefschrift The Dutch Rural Economy in the Golden Age in 1974 heeft voltooid. Al deze werken hebben betrekking op de vroegmoderne periode en in de meeste gevallen staat de economie van de Republiek centraal. Het belangrijkste terugkerende aspect in het werk van De Vries, in zekere zin zijn wetenschappelijke agenda, is daarbij het aantonen van het uitgekristalliseerde karakter van de economische instituties en specialisatiepatronen voorafgaand aan de industrialisatie: van het transportsysteem van de trekschuit tot het vermeende effect dat de voorkeur voor nieuwe consumptiegoederen had op het aanbod van arbeid. Het recept van De Vries is daarbij even simpel als doeltreffend: het door de combinatie van archiefwerk en micro-economische theorie in kaart brengen van de werking van die instituties – van agrarische exportmarkten en de vervoerseconomie van de Republiek tot de prijsbepaling van brood.

In The Price of Bread zet De Vries die benadering in de meest expliciete vorm voor. Het boek sluit methodisch het meest aan bij Barges and Capitalism over de efficiënte werking maar ook het geleidelijk aan achterblijvende karakter van het vervoerssysteem van de Republiek. Ook The Price of Bread biedt multum in parvo: een beeld van de samenleving opgebouwd uit alledaagse feiten en onderliggende mechanismen. In dit geval niet de beleving van de reiziger die, op weg naar Groningen, vanuit het zuiden de Republiek moet doorkruisen, maar de regulering van de prijs (en productie) van brood.

De essentie van het bestudeerde is daarbij simpel: onder invloed van de prijsrevolutie en het toenemend belang van graanimporten gaat de Republiek vanaf de late zestiende eeuw stad voor stad over naar een specifieke vorm van marktregulering. Zowel in de kernbepalingen als in de details van belastingen en maal- en baklonen week dit mechanisme af van het tot dan toe in West-Europa tenminste sinds de dertiende eeuw gevolgde systeem. In dit systeem was de prijs proportioneel aan de marktprijs van graan. In plaats daarvan verspreidt zich op het hoogtepunt van de Opstand een stelsel met constante administratief vastgestelde kosten en belastingen, naast een door periodieke proefbakkingen vastgestelde kostendekkende gewichtsverhouding tussen graan en brood. Het lokale stelsel van de broodzetting dat hieruit voortvloeide zou tot 1855 bestaan. Het verplichtte de overheid tot twee administratieve handelingen: het vaststellen van de prijs van graan op relevante markten en de gewichtsverhouding van een oogst. En het gaf twee beleidsknoppen: die van belastingen (lokaal en regionaal, de laatste na 1806 nationaal) en die van de vast te stellen vaste kosten van malen en bereiden. Hoewel niet het doel maar een bijproduct van het moeten nemen van expliciete besluiten over kosten, leidde dit systeem bij schaarste tot meer beperkte interventies in markten en een inperking van de overwinsten van molenaar en bakker.

Het vereist slechts beperkte kennis van de staatkundige verhoudingen en de politieke economie van de Republiek om in te zien hoezeer deze vorm van regulering daarbij aansloot. De druk op de realisatie van stabiele belastingopbrengsten om de nieuwe staat overeind te houden, in combinatie met de wens om de buitenlandse handel daarbij te ontzien, maakte het reguleren van binnenlandse markten en het op basis daarvan heffen van accijnzen van levensbelang. De broodzetting bood ook de ruimte om verschillen veroorzaakt door de soevereiniteit van de gewesten en hun verplichtingen in het quotenstelsel (de verdeelsleutel voor de gezamenlijke lasten) in regulering en belastingen tot uitdrukking te laten komen. Datzelfde gold ook voor regionale verschillen in lonen en prijzen, waardoor nog halverwege de negentiende eeuw de vergoede productiekosten voor roggebrood in het oosten en zuiden ruwweg 40 procent bedroegen van die in Holland. Bij de vaststelling van die kosten voor verschillende soorten brood, met name die tussen roggebrood en fijn gebuild tarwebrood, speelde bovendien de elasticiteit van de vraag en daarmee die van de belastingopbrengsten een rol. Het dempende effect dat vaste kosten hadden op de volatiliteit van broodprijzen stond op zijn beurt in relatie tot de openheid van de economie.

Anders dan de ondertitel suggereert, beperkt het boek zich echter niet tot de mechanismen en effecten van marktregulering. Het bredere beeld van de materiële samenleving dat wordt opgebouwd berust op de raakvlakken van de consumptie van brood met levensstandaard, de Baltische graanimporten, het probleem van een tekort aan klein wisselgeld passend bij de precisie van de prijsstelling, en aangekomen in de negentiende eeuw met de dwingende keuze voor een achterhaalde productietechnologie van malen en bakken. Dat alles levert een mooi boek op met veel kwantitatieve overzichten van de ontwikkeling van dieet en levensstandaard – zij het op basis van veel geschuif in aannames en de kosten van consumptiemanden met vaste volumes – en de regionale verschillen daarbinnen. En, zoals gebruikelijk in het werk van De Vries, bevat het een appreciatie van hoe uitgewogen en door de omstandigheden gevormd de economisch-fiscale instituties van de vroegmoderne staat waren.

Met deze verbreding begint echter ook de kritiek op wat dit boek wil zijn en hoe het dat bereikt. Enerzijds onderzoekt De Vries het beperkte thema van de broodprijs en industriële organisatie, waarvan hij de geschiedenis invult met een optocht van tabellen over relatieve prijzen van rogge- en tarwebrood, bakkerslonen, ingrediënten en accijnzen vanuit een steeds net weer andere geografische of chronologische invalshoek. Het resultaat is niet alleen wat overdadig, maar maakt tevens duidelijk dat het statistische materiaal over een lange tijd is opgebouwd en selectief is geactualiseerd. Een voorbeeld is het gebruik van data uit Jan Luiten van Zandens dissertatie uit 1985 in plaats van reeksen waarvoor op basis van de nationale rekeningen voor de negentiende eeuw betere alternatieven bestaan. Anderzijds zijn er de besproken bredere thema’s uit de tweede helft van het boek. Die zijn alleszins van belang voor een genuanceerde economische geschiedenis van de Republiek, maar hangen niet meer dan losjes samen met het kernprobleem van marktregulering. Bezien vanuit het perspectief van graanconsumptie kunnen ze bovendien slechts selectief worden geanalyseerd. Volgens het vroegste cluster aan feitelijke huishoudrekeningen waarover we beschikken (met waarnemingen tussen 1853 en 1863) was brood verantwoordelijk voor 20 procent van de uitgaven en nam het substituut van aardappelen 11 procent in beslag. In het licht van de achttiende-eeuwse ontwikkeling in de levensstandaard is bovendien niet aannemelijk dat dit aandeel was gedaald. Kortom, het boek blijft wat op twee uitgangspunten hinken.

De waarde van deze studie is nochtans dat De Vries langs weer een andere weg laat zien hoezeer de economie van de ver ontwikkelde Republiek weigert te voldoen aan het clichébeeld van een afwezige publieke sturing vóór de negentiende eeuw. Dit doet hij niet via een analyse van de naar latere begrippen nog bescheiden mate van herverdeling – pas onder Willem I zou die boven 15 procent bbp reiken – maar door de inrichting van markten te onderzoeken. Wat daarbij wel wat ontbreekt is de verbinding met de politieke geschiedenis. Er wordt weliswaar her en der verwezen naar grote breuken als drijvende krachten, maar zelfs de Napoleontische oorlogen, en de effecten daarvan op de organisatie van de staat en de fiscale druk, vliegen in een enkele zin voorbij. Hetzelfde geldt voor de vele wendingen tussen de Tachtigjarige Oorlog en de Bataafse Revolte. Ook lijkt een verbreding naar producten en diensten wenselijk, zodat een omvattend beeld ontstaat van de wijze waarop de Republiek verdelingsbelangen, het overeind houden van de staat en de sociale vrede in evenwicht hield. Beide zijn mooie onderzoeksopdrachten voor ons economisch historici.