Sinds ruim twintig jaar kent de geschiedschrijving van de Eerste Wereldoorlog een uitgesproken renouveau. Mannen in gevechtssituaties, geweldsplegingen tegen burgers, propaganda, gezinnen in oorlog, de bezetting: niets lijkt te ontsnappen aan de blik van de historicus. De betrokkenheid van koloniale troepen bij deze oorlog tussen wereldrijken blijft echter het ondergeschoven kindje van deze bruisende geschiedschrijving. Er bestaan weliswaar werken over de tirailleurs sénégalais, Indiase soldaten en Chinese arbeiders, maar deze publicaties zijn weinig talrijk en behandelen het onderwerp meestal met een blik van bovenaf.1

Met zijn aandacht voor Indiërs en Chinezen die de Britten aan het westelijk front hielpen, vult historicus Dominiek Dendooven dus een leegte. Bovendien doet hij dat op in dit onderzoeksdomein originele wijze, omdat hij opteert voor een geschiedenis from below. Op basis van een veelheid aan verspreide, moeilijk bijeen te brengen, fragmentarische bronnen zoals dagboeken, opgenomen getuigenissen, interviews en militaire archiefstukken zet hij uiteen hoe deze mannen de industriële oorlog, de witte wereld en zichzelf hebben ervaren. Hij analyseert ook hoe de Belgische en Franse burgerbevolking omging met deze mannen die van elders kwamen, de ontmoetingen tussen deze twee werelden en de culturele overdrachten die daarmee gepaard gingen. Het is een verhaal op maat van mensen, dat bestaat uit ontmoetingen, het ontdekken van de ander, vaak van wantrouwen, maar soms ook van vriendschap. Dit boeiende onderwerp en deze vernieuwende aanpak stonden centraal in het doctoraal proefschrift van Dendooven (2018, Universiteit Antwerpen).

De vergeten soldaten van de Eerste Wereldoorlog, het boek dat hij op basis van zijn promotieonderzoek publiceerde schreef, is een mooie oefening in publieksgeschiedenis. Dendooven maakt de belangrijkste resultaten van zijn onderzoek toegankelijk voor een breed publiek met een goed geconstrueerd verhaal dat aangenaam leesbaar is. Professionele historici, maar ook gewone lezers, zullen het gebrek aan een notenapparaat zeker betreuren, maar meer en meer uitgeverijen denken dat dit de prijs is die betaald moet worden voor een betere leesbaarheid. Bovendien moet worden gewezen op de zorgvuldige wijze waarop de auteur de gebruikte bronnen presenteert en daarbij oog heeft voor hun beperkingen en de vooroordelen die zij bevatten. Zo was de correspondentie tussen soldaten en families niet alleen onderworpen aan de militaire censuur, maar konden de brieven die door analfabeten werden gedicteerd ook door de schrijver zijn verfraaid. Een ander voorbeeld is dat de geluidsopnames van Indiase gevangenen vooral bedoeld waren om de Duitse propaganda te dienen. Het is dan ook met grote zorg dat Dendooven deze buitengewone documenten heeft gebruikt. Wel jammer is het weinige gebruik van de begrippen ‘subaltern studies’ en ‘transferts culturels’, die de kern vormen van zijn proefschrift en ook in dit boek hadden kunnen voorkomen.

De twee onderzochte groepen waren vergelijkbaar in omvang: 140.000 Chinese arbeiders, waarvan 96.000 in dienst van de Britten, en 138.000 Indiërs, waarvan 90.000 soldaten en 48.000 arbeiders. Zowel onder de Indiërs als de Chinezen waren de meesten analfabeet. Maar er waren ook verschillen tussen deze twee groepen. De Indiërs maakten deel uit van het Britse Rijk, de Chinezen niet. India was een pluriforme samenleving met grote etnische, taalkundige en religieuze verschillen: de Indiërs die deelnamen aan de oorlog in Europa vormden dus geen homogene groep. De Chinezen daarentegen waren allemaal afkomstig uit de provincies Shandong en Zhili in het noorden van China, spraken Mandarijn en deelden dezelfde cultuur.

De Indiase soldaten kwamen al in oktober 1914 in Europa aan. Ze ontdekten een vreemde wereld, open landschappen, en een regenachtig en koud klimaat. Aanvankelijk zouden ze als reserve dienen, maar al snel vochten ze in de eerste lijn. Bij deze gevechten sneuvelden zo’n 34.250 Indiase soldaten, maar hun betrokkenheid bij de strijd veranderde nauwelijks iets aan het gangbare denkbeeld van militaire hoofdheden dat een witte soldaat beter was dan een gekleurde soldaat. Bovendien kozen de Britten, doordrenkt met het racisme van die tijd, voor een vrij strikte segregatie: Indiase soldaten werden ondergebracht in specifieke kampen en stonden onder toezicht van officieren die hen zelden begrepen. In sommige gevallen veranderde het paternalisme van de officieren geleidelijk aan in een vorm van vriendschap. Hierbij moet ook de rol van de YMCA worden benadrukt voor de Indiase soldaten, die in tegenstelling tot witte soldaten geen verlof konden krijgen.

Vanaf 1917 arriveerden Indiase arbeiders aan het westfront. Hun contracten waren niet altijd even duidelijk, wat leidde tot spanningen en zelfs stakingen. Met andere woorden, deze werknemers waren niet passief. Hun taken waren verscheiden en gevaarlijk. In tegenstelling tot Chinese arbeiders werden de Indiërs wel verwelkomd door de plaatselijke Belgische en Franse bevolking, die hen evenwaardig achtte aan soldaten. Het is wel zo dat de inwoners aanvankelijk bang waren voor de Indiase werkkrachten, zij het minder dan voor arbeiders uit Afrika. Zo heerste er onder de Belgische en Franse bevolking angst voor overvallen en wantrouwde zij de Indiërs. Maar, beetje bij beetje, kwam er empathie, zelfs vriendschap, voor deze mannen die het koud hadden, kinderen met vriendelijkheid benaderden en kleine cadeautjes aanboden.

Opgemerkt moet worden dat de burgers de verschillende etnische groepen snel van elkaar konden onderscheiden. Zo boezemden de Gurkha’s meer angst in dan andere Indiërs. Van hun kant zagen de Indiërs de Europeanen niet meer op dezelfde manier; de Fransen leken hen bijvoorbeeld minder racistisch dan de Britten. Maar allemaal waren ze, in hun ogen, materialistisch en moreel zwak. De witte mens had echter niet alleen gebreken: alle kinderen, ook meisjes, gingen naar school en vrouwen hadden een echte plaats in de samenleving, om nog maar te zwijgen van de technische voorsprong, zelfs in de landbouw. Door de ontmoeting met de ander werden de Indiërs zich meer bewust van hun eigen identiteit. Na de oorlog werden ze, in tegenstelling tot de Chinezen, in hun land als helden verwelkomd. Of hun oorlogservaring op lange termijn een politieke impact had is onmogelijk te meten, maar het is duidelijk dat sommige veteranen actieve nationalisten zijn geworden, terwijl anderen er trots op zouden blijven het Britse Rijk te hebben gediend.

De situatie van de Chinese arbeiders van 1917 tot 1919 was vergelijkbaar met die van de Indiërs. De Chinezen namen echter vooral dienst om geld te verdienen, maar ook om China te vertegenwoordigen. Men kan in dit opzicht nog niet spreken van nationalisme, maar van culturalisme. Zodra ze in Europa aankwamen, kregen ze een nummer. De ontmenselijking was dus sterk en de segregatie was nog sterker. Zij kregen hun orders van de Europeanen indirect, via een ploegbaas of een ‘tolk’. De relaties met de bevolking waren ook minder talrijk. Maar net als de Indiase arbeiders vochten ze actief voor een beter lot, want de Britten hielden zich niet aan hun beloftes. Kleding en voedsel werden bijvoorbeeld traag geleverd en het werk in het achter de loopgraven bleek gevaarlijk. Tijdens de oorlog maakte het wantrouwen van de burgers soms plaats voor echte empathie, zelfs voor echte vriendschap. De Chinezen werden bewonderd om hun zakelijk inzicht en hun vermogen om mussen te temmen, maar taalbarrières en culturele verschillen verhinderden echte relaties.

Na de oorlog, in een klimaat van onveiligheid en wanorde, werd het genuanceerde beeld van de Chinezen volledig negatief bij de Frans en de Belgisch bevolking. Hun terugkeer naar huis gebeurde zonder fanfare. Al met al waren de Chinese arbeiders nog meer vergeten dan hun Indiase tegenhangers: vergeten door het Westen, vergeten door China, en vergeten door historici. Tot aan dit boeiende boek.