In De ballen van de koopman buigt historicus Dorothee Sturkenboom zich over het bijzonder complexe en bijna ongrijpbare fenomeen van identiteitsvorming in het verleden. De doelstelling van haar studie is om te achterhalen hoe en wanneer het dominante beeld ontstond van ‘de’ Nederlander als handelaar. Sturkenboom laat dit (zelf)beeld samenvallen met de bloei van de Republiek. Ze analyseert deze vorm van identiteitsbeleving expliciet vanuit een genderperspectief en koppelt de ontluikende koopmansidentiteit nadrukkelijk aan vroegmoderne mannelijkheidsidealen binnen en buiten de Republiek. Zich baserend op rijk en gevarieerd bronnenmateriaal, gaande van reisverslagen, koopmanshandboeken, tot humanistische traktaten, theaterstukken en encyclopedieën geschreven door Verlichtingsdenkers, biedt Sturkenboom de lezer een systematisch overzicht in vijf uitgebreide hoofdstukken die elk een ander aspect van de ‘mannelijke’ koopmansidentiteit belichten.

Het eerste hoofdstuk biedt een theoretisch kader voor de studie naar identiteiten en geeft de lezer houvast bij de rest van het boek. Identiteitsvorming is volgens Sturkenboom geen rechtlijnig parcours. Dit sociologisch proces verloopt doorgaans doordat we ons expliciet afzetten tegen ‘de ander’ en een wensbeeld van onszelf als groep ophangen. Hierdoor sluit het bronnenmateriaal dat Sturkenboom gebruikte vaak de ogen voor overduidelijke contradicties binnen de groep die zich een bepaalde identiteit wenst eigen te maken, zoals ze zelf ook aangeeft. In het tweede hoofdstuk staat een van die tegenstrijdigheden binnen het mannelijkheidsideaal van de Nederlandse koopman meteen centraal. Sturkenboom confronteert de geroemde krijgshaftigheid van de ontluikende Republiek met het zogenaamd ‘zachte’ handelsinstinct van de koopman, die om redenen van profijt liever gewelddadige confrontaties vermijdt. Het derde hoofdstuk behandelt mannelijkheid vanuit de strijd om de broek: hoe blijft het beeld van de koopman als ideale man overeind in een regio waar ook vrouwen zelfstandig handelsactiviteiten konden ontplooien? Ook in hoofdstuk vier toont Sturkenboom aan dat mannelijkheid nooit op zichzelf staat maar altijd in relatie met andere (gender)identiteiten vormgegeven wordt. In dit deel confronteert zij de Nederlandse handelsmentaliteit met contemporaine visies van buitenlandse Verlichtingsdenkers op slavernij en kolonialisme. Tot slot bespreekt Sturkenboom in hoofdstuk vijf hoe buitenlandse auteurs het ideaalbeeld van de eerlijke en onderlegde koopman ook stilaan toeschreven aan gebieden in de vroegmoderne Republiek die minder actief met handel te maken hadden zoals Friesland. Dit beeld, door buitenlanders gecreëerd, ging uiteindelijk een ‘nationaal’ zelfbeeld vormen. Ze gaat daarnaast nader in op waarom in de achttiende eeuw stilaan de perceptie heerste bij veel Nederlandse auteurs dat die ‘Nederlandse identiteit’ onder druk kwam te staan.

Er schuilt wellicht een geweldige docente in Sturkenboom. Doorheen het boek bouwt ze haar argumenten geduldig en zorgvuldig op, waardoor de opbouw van elk hoofdstuk helder te volgen is. Hierbij mikt Sturkenboom mogelijk op de interesse van het brede publiek, want academici die vertrouwd zijn met het onderzoeksveld in kwestie zullen zich tijdens het lezen nu en dan afvragen wanneer de auteur precies haar punt gaat maken en een (deel)conclusie naar voren schuift. Uiteraard is het een goede zaak dat academici een publiek van niet-specialisten voor ogen hebben, al hoop ik alleen dat lezers die dit boek in hun vrije tijd ter handen nemen zich niet laten afschrikken door de omvang van net geen vijfhonderd bladzijden, een lengte die voortvloeit uit Sturkenbooms uitgebreide vertelstructuur. Heel wat herhalingen konden volgens mij vermeden worden, wat in een compacter boek geresulteerd zou hebben.

Misschien wel de grootste verdienste van het boek is dat Sturkenboom gender zo nadrukkelijk naar voor schuift als fundamenteel onderdeel van identiteitsvorming, al wordt deze insteek als innovatiever gepresenteerd dan ze eigenlijk is. Met name over mannelijkheid in vroegmodern Engeland werd baanbrekend werk verricht door Alexandra Shepard, Karen Harvey en andere auteurs met wie Sturkenboom iets doortastender in dialoog kon treden. Bovendien ontbreken een aantal zaken in dit lijvige werk. De auteur koppelt de studie naar het discours rond mannelijkheid te weinig terug naar de dagelijkse praktijk. Door een louter discursieve analyse verengt haar focus zich tot het ideaalbeeld van de Nederlandse koopman. Maar hoeveel koopmannen waren er feitelijk actief in de zeventiende-eeuwse Republiek? Wat deden mannen die er niet in slaagden om dit ideaalbeeld hoog te houden? Hoe vaak kwamen faillissementen bij kooplieden voor en hoe verging het dit soort ‘gefaalde’ mannen? Ook andere kenmerken van ‘ontwrichtende’ mannelijkheid, zoals bijvoorbeeld deviante seksualiteit, worden vrij summier afgehandeld. Door het bestudeerde discours meer te koppelen aan de feitelijke handelspraktijk, had Sturkenboom wellicht nog overtuigender kunnen aantonen dat woord en daad niet altijd hand in hand gingen.

Ook een diepgaander comparatief luik over de situatie van handelaars in het buitenland zou helpen om het binnen- en buitenlandse discours over de Nederlandse koopman in breder perspectief te plaatsen. Een bijzonder groot deel van het gebruikte bronnenmateriaal werd buiten de Republiek geschreven, hoofdzakelijk in Frankrijk en Engeland, en schetst dus het beeld dat buitenlanders hadden over Nederlandse koopmannen. Toch wordt dit beeld te weinig in verband gebracht met de socio-economische context in de thuisbasis van die buitenlandse auteurs. Op welke manier beïnvloedde de juridische, culturele, of socio-economische positie van handelaars in eigen land de visie op kooplieden in het buitenland? Een uitgebreidere vergelijking met het buitenland zou bovendien ook het discours rond het exceptionalistische karakter van de Republiek dat in Sturkenbooms analyse nu en dan opduikt wat getemperd hebben. In het hoofdstuk over zakenvrouwen worden bijvoorbeeld nogal wat zestiende-eeuwse vrouwen uit Brabantse steden uit de in Nederlanden ter illustratie gebruikt. Toegegeven, op dat moment was er formeel nog geen sprake van een splitsing tussen Noord en Zuid. Desalniettemin tonen dit soort voorbeelden van zelfstandige vrouwen aan dat veel van de besproken stereotypes ook buiten de Republiek gangbaar waren.

De meest innovatieve en verrassende inzichten bewaart Sturkenboom voor het laatste hoofdstuk. Hierin illustreert ze dat ideeën rond gender en identiteit bij uitstek gevormd worden in periodes van – veronderstelde – crisis, wanneer de noodzaak voor de ene groep om zich af te zetten tegen de ‘nabije ander’ groter is. Ook toont ze aan hoe de Nederlandse koopman doorheen de tijd steeds positiever gerepresenteerd werd in de Republiek: ‘[i]n 17e-eeuwse stadskluchten werd het personage van de koopman nog steeds overwegend met negatieve eigenschappen als hebzucht en oneerlijkheid geassocieerd [...] in de late 18e eeuw is de koopman op de planken bijna altijd verstandig, solide, hardwerkend, spaarzaam en sociaal betrokken’ (344). De aanname dat de koopman op handen gedragen werd tijdens de koopkrachtige hoogdagen van de beruchte ‘Gouden Eeuw’ en op meer kritiek kon rekenen in de achttiende eeuw toen de Republiek haar handelsmonopolie in toenemende mate moest loslaten, blijkt een cliché dat Sturkenboom vakkundig ontkracht.

Tegelijk toont deze studie aan hoe hardnekkig stereotyperingen rond mannelijkheid en identiteit soms wel kunnen zijn. Ideeën die tijdens de vroegmoderne tijd ontstonden, blijken tot op vandaag de dag door te leven. In de zeventiende en achttiende eeuw verweten buitenlanders de Nederlandse kooplieden vaak dat ze gedreven werden door winstbejag en hebzucht. Deze recensie werd geschreven in quarantaine tijdens de eerste coronagolf, op een moment dat zowat de halve Europese Unie de Nederlandse regering gebrek aan solidariteit en krenterigheid verweet in de strijd tegen COVID-19. De beeldvormingsprocessen over mannelijkheid en Nederlandse identiteit blijken inderdaad heel wat terugkerende mechanismen te bevatten (376).