Geheel in stijl ging de herdenking van honderd jaar algemeen kiesrecht met de nodige controverses gepaard. De voornaamste kwestie was welke mijlpaal nu precies herdenking verdiende. Was dat de eerste grote doorbraak in 1917, toen de aanpassing van de Grondwet werd gerealiseerd waarmee alle Nederlandse mannen boven de vijfentwintig jaar kiesrecht ontvingen en vrouwen de mogelijkheid kregen om zich verkiesbaar te stellen? Of was dat de grote doorbraak in 1919, toen de Kieswet ook vrouwen volwaardig stemrecht gaf en daarmee het algemeen kiesrecht gerealiseerd werd? In het verlengde daarvan speelde ook de vraag of er überhaupt wel iets te vieren viel. James Kennedy meende daarin iets van tevredenheid te bespeuren, ‘iets dat voltooid is, iets dat honderd jaar geleden heel bijzonder was en waar je graag nog eens één dag bij wilt stilstaan’.1 Hier was volgens hem echter sprake van een project dat moeit kostte en voortdurende strijd en aandacht vroeg – en nog steeds vraagt.

Hoe de auteurs van de hier besproken boeken zich tot dit debat verhouden, blijkt uit de titels van de drie werken. De hoogste tijd betreft een analyse van de opbrengst van honderd jaar vrouwenkiesrecht, geschreven door de politicologen Monique Leyenaar, Jantine Oldersma en Kees Niemöller. De titel van het boek verwijst naar een uitspraak van het Algemeen Handelsblad uit 1918, waarin gesteld werd dat het ‘de hoogste tijd’ was dat vrouwen in Nederland ‘eindelijk volledig kiesrecht’ kregen. In De ongehoorde helft portretteert publicist Paul van der Steen de eerste vrouwelijke vorsten, volksvertegenwoordigers, bestuurders en bewindspersonen: acht in het totaal, van koningin Emma in 1890 en Tweede Kamerlid Suze Groeneweg in 1918 tot Tineke Schilthuis, in 1974 de eerste vrouwelijke commissaris van de Koningin. Onvermijdelijk mondt deze portretserie uit in de vraag waar de eerste vrouwelijke premier blijft. In Strijd! zet de Groningse hoogleraar moderne geschiedenis Mineke Bosch het gevecht uiteen dat de vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland tussen 1882 en 1922 heeft gevoerd om het algemeen kiesrecht te verwezenlijken. Tekenend is ook dat de drie werken alle in 2019 verschenen, honderd jaar na de realisatie van dat algemeen kiesrecht. Vanzelfsprekend, zou Bosch zeggen, want ‘[v]rouwen hadden in 1917 nog niets te vieren’.2

Het boek met de minste pretenties is zonder twijfel De ongehoorde helft. Van der Steen, die zijn portretten eerder in verkorte vorm in Trouw publiceerde, heeft vooral een gezicht en een stem willen geven aan de eerste vrouwen op het politieke pluche. Wat hieraan meteen opvalt, is hoe weinig er eigenlijk over deze eerstelingen te vertellen valt en hoe weinig zij hebben nagelaten over hun leven en werken. De reflecties die Van der Steen met het nodige speurwerk bij elkaar heeft weten te schrapen bieden desondanks aardige inzichten in wat het persoonlijk voor vrouwelijke ambtsdragers betekende om als ‘vrouw’ in de politiek te opereren. Samengenomen bevestigen de portretjes dat de eerste vrouwelijke politici zich nogal ambivalent tot hun sekse verhielden: de meesten ontkenden het liefst dat zij eerst en vooral op hun vrouw-zijn werden beoordeeld, maar speelden met hun performance en hun portefeuillevoorkeuren tegelijkertijd in op de daaraan verbonden verwachtingen.

Waar Van der Steen in de beperking zijn kracht heeft gezocht, legt het auteurstrio Leyenaar, Oldersma en Niemöller grotere ambities aan de dag. De hoogste tijd wil zowel een overzicht bieden van het verloop van de langdurige strijd voor vrouwenkiesrecht als een evaluatie geven van de opbrengst van het vrouwenkiesrecht. Wat heeft een eeuw vrouwenkiesrecht betekend voor de politieke participatie van vrouwen in kwantitatief en kwalitatief opzicht? En in meer normatieve zin: waarom is hierin nog geen gelijkheid bereikt? Neemt de aversie tegen vrouwen op politiek-bestuurlijke posities (weer?) toe en verklaart dit waarom veel vrouwen (nog steeds?) afzien van een rol op de politieke voorgrond? Dat zijn belangrijke sociaalwetenschappelijke en maatschappelijke vragen, die in dit boek echter niet of erg vrijblijvend beantwoord worden.

In het historische overzichtsdeel weet het boek evenmin te overtuigen. De auteurs brengen nauwelijks nieuwe inzichten, noch het gewenste overzicht. Met grote passen wordt de lezer langs de belangrijkste momenten in de strijd om het vrouwenkiesrecht gevoerd, met ter vergelijking hier en daar uitstapje naar andere landen. Voor verdere verluchting zorgen de kadertekstjes over opmerkelijke momenten en markante figuren, alsook de talrijke quotes uit kranten en tijdschriften. Het impressionistische karakter dat de historische uiteenzetting hierdoor krijgt, wordt nog eens versterkt door de keuze voor literair-cryptische hoofdstuktitels als ‘Limonade, boottochten en een tentoonstelling (1898-1914)’. Leyenaar en Oldersma hebben hun sporen als genderwetenschappers ruimschoots verdiend, maar lijken zich te hebben vertild in hun streven om in het kroonjaar een boek af te leveren.

Het beste historische boek dat ter gelegenheid van honderd jaar vrouwenkiesrecht in Nederland is verschenen, is Strijd! van Mineke Bosch. Deze monografie schetst een even inzichtelijk als overzichtelijk beeld van het veertig jaar durende juridische, sociale en politieke gevecht van de vrouwenkiesrechtbeweging voor deelname van vrouwen aan bestuur en vertegenwoordiging. Dat gevecht begon in 1882, toen enkele vrijdenkende (en vrijgestelde) vrouwen het mannelijk prerogatief op kiesrecht ter discussie stelden. Onder hen bevond zich uiteraard Aletta Jacobs, die in 1883 vergeefs zou proberen zich in te laten schrijven op de kieslijst in Amsterdam. Pas in 1922, op 68-jarige leeftijd, kon zij het kiesrecht volwaardig uitoefenen en mocht zij voor het eerst naar de stembus – en met haar alle andere Nederlandse vrouwen van 25 jaar en ouder.

Strijd! overziet deze periode van veertig jaar hoofdzakelijk vanuit het perspectief van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK). Bosch laat overtuigend zien dat de VvVK vanaf haar oprichting in 1894 een doorslaggevende rol speelde in de strijd om het vrouwenkiesrecht in Nederland, niet alleen inhoudelijk maar ook in de wijze waarop deze strijd gevoerd werd. Dat maakt de VvVK tot de belangrijkste actor in dit boek, al heeft Bosch ook wel oog voor het bredere netwerk van vrouwenclubs en verenigingen die uit eigen geloof of overtuiging hetzelfde doel nastreefden.

Behalve een gedegen historische studie is Strijd! ook een lust voor het oog. Dat is te danken aan het feit dat de publicatie tevens diende als verrijkte catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in het Groninger Museum in 2019 waarvoor Bosch als gastcurator optrad. Die dubbele investering van tijd en middelen heeft geresulteerd in een prachtig geïllustreerd en volledig in kleur uitgegeven boek, waarin de ‘traditionele’ historische foto’s en spotprenten worden afgewisseld met afdrukken van posters, vaandels en andere objecten die deel uitmaken van het materiële erfgoed van de kiesrechtbeweging.

Doordat Bosch deze visuele en materiele cultuur expliciet in haar historische analyse betrekt, bieden de fraaie illustraties ook inhoudelijk meerwaarde. Deze komt met name tot uitdrukking in de thematische ‘beeldessays’ die tussen de chronologisch geordende hoofdstukken zijn ingevoegd. Bosch legt hierin bloot hoe afbeeldingen en artefacten van betekenis zijn geweest voor de vrouwenkiesrechtbeweging, zowel voor de verspreiding en verankering van haar ideeën als voor de beeldvorming die gedurende die veertig jaar – maar ook daarna – over haar ontstond. Zo staat het eerste beeldessay stil bij het niet onbekende verhaal dat de spotprenten van de politieke tekenaar en socialist Albert Hahn een grote rol speelden bij het ontstaan van het stereotype beeld van de vrouwenkiesrechtbeweging als een chique gezelschap van louter opgeprikte, arrogante dames.3

De VvVK had in deze beeldvorming ook zelf een aandeel, zoals blijkt uit het beeldessay over de portretten en bustes die de vereniging van haar belangrijkste voorvechtsters liet vervaardigen. Zo motiveerde het VvVK-hoofdbestuur in 1913 de vervaardiging van een buste ter ere van Dora Haver, een van de gerespecteerde oprichtsters van de VvVK, als volgt: ‘[i]s later het doel onzer Vereeniging bereikt, [...] dan moet deze buste verhuizen naar het Rijks-Museum, alwaar het eene haar toekomende plaatst in de rij der groot mannen van Nederland zal innemen’ (35). Bosch laat hiermee zien dat de VvVK al vroeg het symbolische belang inzag van de inzet van culturele middelen om haar representatieve en inhoudelijke claim kracht bij te zetten.

Verfrissend zijn ook de beeldessays die de kiesrechtpolitiek van onderop bezien, zoals het stuk over straatpropaganda. Zo’n perspectief biedt meer inzicht in hoe de kiesrechtstrijd lagere sociale klassen bereikte – iets wat bij een exclusieve focus op tekstuele bronnen buiten beeld zou zijn gebleven. Het belang van en recht op politieke participatie van vrouwen in juridische termen beargumenteren was één aspect van de strijd; dit laten landen in de hoofden en harten van een brede achterban een ander.

Het historisch-chronologische verhaal bevat in vergelijking met de beeldessays minder verrassingen. Bosch bouwt hier toch vooral voort op haar biografie van Aletta Jacobs uit 2005, waarin zij al een behoorlijk uitgebreid overzicht bood van de geschiedenis van de vrouwenkiesrechtbeweging. In veertien strak in de tijd afgebakende hoofdstukken beschrijft zij hoe vrouwelijke vrijdenkers het algemeen kiesrecht vanaf 1882 tot juridisch en politiek-maatschappelijk thema maakten, medestanders mobiliseerden, zich organiseerden en uitgroeiden tot een wijdvertakte massabeweging op lokaal en internationaal vlak.

Vanuit deze basis ontpopte de kiesrechtbeweging zich aan het begin van de twintigste eeuw als een tamelijk professionele lobbyorganisatie die haar wegen kende, zowel naar de rechtbank als naar het Binnenhof en het Malieveld. Dat het effect van haar pressie lang op zich liet wachten, doet aan de indrukwekkende kracht van de beweging weinig af. Met trefzekere taal en goed gekozen inkleuringen vertelt Bosch hoe de VvVK afwisselend succesjes boekte en teleurstellingen moest verbijten, zich steeds weer verkijkend op de stroperigheid van de parlementaire besluitvorming en de politieke weerstand van conservatief-liberale en confessionele partijen. Pas na de Eerste Wereldoorlog, onder druk van revolutionaire woelingen, en dan nog alleen als onderdeel van een compromispakket dat tegelijkertijd de schoolstrijd moest beslechten, viel er wat te vieren.

Bosch heeft met Strijd! een oeuvrewerk geschreven, en daarmee ook een persoonlijk boek afgeleverd. Vrijwel haar hele werkzame leven zet zij zich in voor een grotere waardering voor de rol van vrouwen in de geschiedenis, meer in het bijzonder voor hun bijdrage aan het politieke en publieke leven in de late negentiende en begin twintigste eeuw. Zelf gevormd in en door de jaren zeventig, is Bosch onmiskenbaar een representante van de tweede feministische golf. Zij stond in die jaren aan de wieg van vrouwengeschiedenis als academische discipline en heeft in de latere theoretische en empirische ontwikkeling daarvan een belangrijk aandeel gehad.

Zowel Bosch’ diepgemotiveerde verzet tegen de onderbelichte positie van gender in de politieke geschiedenis, als haar persoonlijke verontwaardiging over de onrechtvaardige behandeling van vrouwen door en in de politiek, komen in Strijd! krachtig tot uitdrukking. In de titel zelf uiteraard, maar ook in de in- en uitluidende woorden: ‘opdat dit alles niet meer zal worden vergeten!’ Haar historische betoog wordt echter nergens pamflettistisch, en dat is maar gelukkig ook. Bosch houdt de voorvechters van het vrouwenkiesrecht wijselijk net zo kritisch tegen het licht als de tegenstanders, zeker waar het hun slachtofferretoriek en hun onderlinge jaloezieën betreft. Daarbij helpt dat de uitlatingen van de mannelijke tegenspelers van de vrouwenkiesrechtbeweging soms zo ronduit stuitend waren dat deze geen verdere onderstreping behoeven.

De woorden die Henri Marchant, de vrijzinnig-democratische naamgever van de initiatiefwet voor de invoering van het vrouwenkiesrecht, in 1918 tot de Tweede Kamer sprak, moeten Bosch niettemin uit het hart zijn gegrepen: ‘Ziet op die vrouwen niet neer, lach ze niet uit! Tracht liever de oorzaken te kennen, waaruit haar strijdlust, haar offervaardigheid, haar taaie volharding is voortgekomen!’ Met Strijd! heeft Bosch een prachtig, evenwichtig boekwerk afgeleverd dat ons die oorzaken leert kennen en de volharding doet waarderen.