Krijgsmacht en handelsgeest. Om het machtsevenwicht in Europa 1648-1813 is het derde deel van de zesdelige serie Militaire Geschiedenis van Nederland, het resultaat van een samenwerking tussen het Nederlands Instituut voor Militaire Historie en de Faculteit Militaire Wetenschappen van de Nederlandse Defensie Academie. Vier delen geven een overzicht van de Nederlandse strijdkrachten in Europa van de Tachtigjarige Oorlog (1568) tot vandaag (2014). De twee andere delen vervolledigen dit met een geschiedenis van de Nederlandse militaire acties buiten Europa van 1595 tot 2010.

Dit derde deel vult een grote lacune op in de Nederlandse geschiedenis voor de periode 1648-1813. Tot nu toe werd er in algemene overzichtswerken, zoals de Algemene geschiedenis der Nederlanden (1977-1983) of Jonathan Israels The Dutch Republic (1995), weinig aandacht besteed aan de krijgsmacht. Diplomatieke besprekingen, militaire overwinningen of nederlagen werden wel vermeld, maar het functioneren van het leger en de marine in de Nederlandse samenleving kwam er meestal karig van af. Uiteraard hebben sommige auteurs, zoals Maarten Prak, Marjolein ’t Hart en specifieker Jaap Bruijn en Olaf van Nimwegen, deze vragen wel gesteld, maar tot een algemeen werk dat de hele genoemde periode besprak is het nooit gekomen.

Het hier besproken boek streeft er dan ook naar om de militaire dimensie een prominentere plaats te geven in het debat over de opkomst en de neergang van de Republiek. De auteurs hebben grondig gebruik gemaakt van de bestaande literatuur: uiteraard van de werken van de bovengenoemde auteurs, maar ook van tal van deelstudies, over zowel de oudere nationalistisch getinte histoire bataille, als de nieuwe onderzoeksonderwerpen. Bij dit laatste moet men bijvoorbeeld denken aan de fiscal-military state of het total war-debat. De vier hoofdauteurs Marc van Alphen, Alan Lemmers, Christian van der Spek en projectleider Jan Hoffenaar hebben elk een of meerdere hoofdstukken geschreven. Daarnaast werkten tal van andere specialisten mee aan dit deel. Toch is Krijgsmacht en handelsgeest bijzonder homogeen van stijl, wat de leesbaarheid ten goede komt en duidt op een minutieuze eindredactie. Duidelijk is dat de uitgevers zeer begaan waren met het eindresultaat. Daarnaast is het boek rijkelijk voorzien van mooie en deskundig becommentarieerde illustraties, overzichtelijke tabellen en grafieken. De zeer aantrekkelijke en duidelijke cartografie in het bijzonder is een vermelding waard.

Het boek is in twee delen opgesplitst. In het eerste deel wordt een overzicht gegeven van het politiek-strategisch en militair-strategisch optreden tussen 1648 en 1813 om, zoals de auteurs het zelf zeggen, ‘te voorkomen dat de lezer in dit wapengeweld de weg kwijtraakt’ (13-14). Deze sectie bestaat uit vier hoofdstukken die elk staan voor de wijze waarop de Republiek oorlog voerde: als solistische mogendheid (1648-1689), in een alliantie (1689-1748) en als neutrale mogendheid (1748-1795). Hoofdstuk 4 behandelt de periode 1795-1813, wanneer Nederland eerst een Franse satellietstaat is en vanaf juli 1810 deel uitmaakt van het Franse keizerrijk.

Het eveneens uit vier hoofdstukken bestaande tweede gedeelte sluit meer aan bij de moderne militaire geschiedschrijving. De aandacht gaat hier vooral uit naar de plaats van de vloot en het leger in de samenleving. Onderwerpen als de militaire instellingen, de organisatie en de financiering (de Republiek als fiscal-military state) worden in hoofdstuk 5 besproken. Hoofdstuk 6 is schatplichtig aan de Angelsaksische new military history, waarin oorlogsvoering zowel ter zee als ter land centraal staat. In de laatste twee hoofdstukken lijken de auteurs sterk beïnvloed door de Franse nouvelle histoire: waar zij het in de voorgaande hoofdstukken vooral over abstracte begrippen als ‘de staat’ of ‘het leger’ hebben, gaat de aandacht in hoofdstuk 7 en 8 uit naar het dagdagelijkse leven van de militairen en hun naaste omgeving. Hoofdstuk 7 bekijkt het in dienst treden van soldaten en officieren, hun herkomst, motivatie en loopbaan – kortom, hun leven in dienst van de krijgsmacht, zowel in tijd van vrede als oorlog. De relaties tussen militairen en burgers worden in hoofdstuk 8 besproken. In dit laatste hoofdstuk gaat het over de gang van zaken in garnizoenssteden, de kwestie van inkwartieringen en het belang van het leger of de vloot voor de lokale economie. Er wordt ook stilgestaan bij de lasten van de oorlog voor de burgerbevolking. De aandacht gaat hier voornamelijk uit naar plunderingen, verplichte tewerkstelling van de bevolking of de vernielingen bij de krijgsoperaties. De auteurs geven in de verschillende hoofdstukken telkens een grondige analyse en behandelen op overzichtelijke wijze de rol van de krijgsmacht in de Nederlandse samenleving. Het bewust en veelvuldig schakelen tussen top-down en bottom-up analyses laat zien dat de auteurs het spel van de jeux d’échelles perfect beheersen. De relatie tussen leger en vloot enerzijds, en de verschillende bevolkingsgroepen in de Republiek anderzijds wordt daarmee bijzonder goed geïllustreerd.

Krijgsmacht en handelsgeest is een van de weinige boeken, zowel in Nederland als daarbuiten, die zowel de vloot als het leger bespreekt. Vanwege de grote verschillen tussen de twee onderdelen riskeren de auteurs een ongemakkelijke spreidstand te moeten doen. Dit is gelukkig niet het geval. Door juist de nadruk te leggen op de verschillen tussen vloot en leger aan de ene kant, en het algemeen defensiebelang van de Republiek aan de andere kant, slagen de auteurs er in om de wisselwerking tussen beide militaire onderdelen te benadrukken. Deze relatie is een cruciaal punt in het politieke debat dat werd gevoerd in de Republiek. Bijna anderhalve eeuw lang moesten de Staten-Generaal een keuze maken tussen een sterke vloot of een sterk leger. Waar de vloot de maritieme handelsbelangen – de handelsgeest – verdedigde tegenover voornamelijk de Engels/Britse concurrentie moest het leger het beperkte territorium van de Republiek beschermen tegen vijandelijke invallen van Lodewijk XIV en zijn opvolgers. Door dit debat centraal te stellen hebben de auteurs een wezenlijke discussie geopend over de geopolitieke aspecten van het vroegmoderne Nederland.

Deze discussie leidt ook naar de belangrijkste vraagstelling in het boek, namelijk wat de plaats, functie en rol van de strijdkrachten waren in de opgang van de Republiek tot grote mogendheid in de zeventiende eeuw. Even betekenisvol is de rol van diezelfde strijdkrachten in de geleidelijke neergang in de achttiende eeuw. Hoe komt het dat de Republiek in 1700 nog een van de machtigste landen in Europa was en minder dan een eeuw later op zee moeiteloos door de Britten wordt verslagen (1781), een Pruisische interventie moet gedogen (1787), een Franse vazalstaat wordt (1795-1810) en tenslotte ophoudt te bestaan (1810)? Dit vraagstuk is niet nieuw en verschillende historici, zoals Jonathan Israel, Jan de Vries en Ad van der Woude, poogden het al te beantwoorden. In dit werk worden leger en vloot echter voor het eerst zo prominent bij deze vraagstelling betrokken. Het is een kwestie die een diepgaande reflectie verdient en dat is precies wat de auteurs in elk hoofdstuk bieden.

Uiteraard zijn er bepaalde onderwerpen die enigszins onderbelicht blijven, maar dergelijke kritiek is eigen aan syntheses. De auteurs hadden bijvoorbeeld meer aandacht kunnen besteden aan diplomatieke onderhandelingen. Het zijn tenslotte die onderhandelingen die na elke oorlog een nieuw Europees machtsevenwicht schiepen en de voedingsbodem creëerden voor een nieuw conflict. Daarom was het zinvol geweest om de vijandige perceptie van de Republiek in het buitenland nader te bekijken. De Engels-Nederlandse vijandigheid in de zeventiende eeuw was onder meer het gevolg van de Ambonse Moord (1623) of het terechtstellen van een tiental Engelsen door de VOC. Door pamfletten kreeg deze zaak veel weerklank in Engeland en het werd het door Cromwell aangehaald als één van de vele redenen om de Republiek de oorlog te verklaren in 1652. De verbetenheid waarmee de Fransen in 1672 de Republiek aanvielen, valt niet enkel te verklaren door de landhonger van Lodewijk XIV. Naast de bruuske ommekeer van Johan de Witt in 1668, die zijn Franse bondgenoten in de steek liet, mogen we ook niet vergeten dat vanuit mercantilistisch oogpunt – het heersend economisch paradigma in de zeventiende eeuw – de concurrentiële Nederlandse handelsvloot een nefaste invloed had op de Franse maritieme handelsbelangen.

Tenslotte is er de in de Nederlandse historiografie het zo bejubelde Nederlands-Oostenrijkse samenwerkingsverdrag of Barrièretraktaat (1715). In de Oostenrijkse en Belgische historiografie, onder ander bij Michael Hochedlinger en Piet Lenders, wordt dit traktaat evenwel bijzonder negatief gepercipieerd. Zowel de keizer in Wenen, de katholieke clerus, de Collaterale Raden1 in Brussel en de bevolking – als men mag uitgaan van ooggetuigenverslagen bij de ondertekening van dit verdrag te Antwerpen – zagen het als een door de Republiek opgelegde inbreuk op de Habsburgse soevereiniteit. Niet enkel de bezetting door een vreemde mogendheid, maar ook het toelaten van protestantse erediensten en een verdere muilkorving van de Zuid-Nederlandse economie zorgden ten lange leste voor revanchisme bij de Habsburgse en Zuid-Nederlandse beleidsmakers. De eenzijdige opzegging door Wenen en Brussel van het Barrièretraktaat in 1748 en de Frans-Oostenrijkse alliantie (retournement des alliances) in 1756, waarmee de Republiek van zijn laatste bondgenoot op het continent werd beroofd, zijn deels het gevolg van negatieve opvattingen over het Nederlands-Oostenrijkse verdrag. Het is jammer dat hier of aan de Republiek als bezettingsmacht niet meer aandacht is besteed. Desalniettemin blijft Krijgsmacht en handelsgeest een meer dan uitstekende synthese met een pertinente vraagstelling en zinvolle antwoorden, en zal het werk nog vele jaren toonaangevend zijn in de militaire geschiedschrijving over Nederland.