Een heimelijk vertrek, een geschokte en verontwaardigde familie, en een al dan niet wederzijdse wens om te trouwen. Dit zijn de elementen voor een schaking zoals Rolf Hage die beschrijft voor vroegmodern Nederland in de handelseditie van zijn proefschrift Eer tegen eer. Een cultuurhistorische studie van schaking tijdens de Republiek, 1580-1795 (Vrije Universiteit, Amsterdam, 2017). Als uitingen van verboden liefde, soms voorbij streng bewaakte sociale grenzen van stand of religie, spreken schakingen al lang tot de verbeelding. Er bestaat dan ook een uitgebreide literatuur van individuele, soms enigszins geromantiseerde casussen opgetekend door historici, genealogen en archivisten sinds de negentiende eeuw.1 Meer systematisch historisch onderzoek over het fenomeen schaking in Nederland is echter zeldzaam en beperkt zich grotendeels tot rechtshistorische vraagstukken in relatie tot religie. Met de komst van de Reformatie veranderde de juridische basis van het huwelijk namelijk substantieel, evenals de rol van ouders ten opzichte van huwende kinderen en daarmee de betekenis van schaking.

Middeleeuws Europa was gekenmerkt door de katholieke consensusleer, waarbij een wederzijdse en vrijwillige belofte ten overstaan van God gevolgd door geslachtsgemeenschap volstond om van een geldig, zij het onwettig huwelijk te spreken. Dit stond in gespannen relatie tot de belangen van ouders in de partnerkeuze van hun kinderen én tot het Justiniaans recht, dat het wegvoeren van een vrouw tegen de wil van haar familie met het huwelijk als doel – schaking of raptus – criminaliseerde. De Reformatie en de daaropvolgende Contrareformatie brachten verandering: het Concilie van Trente hield weliswaar vast aan de consensusleer, maar een geheim huwelijk zonder getuigen en openbare afkondiging werd in de katholieke kerk niet langer als geldig erkend. De nieuwe protestantse Republiek die na 1580 ontstond ging nog verder. Daar werd het huwelijk een wereldse zaak waarvoor ouders – althans voor bruiden jonger dan 21 en bruidegoms onder de 26 jaar – toestemming moesten geven. Wereldlijke wetgeving maakte schaking bovendien bijzonder onaantrekkelijk: plakkaten beschermden de vermogenspositie van verongelukte familieleden door weggelopen paren alle vormen van erfenis te ontzeggen, en in navolging van het Romeins recht bleef het schaken een misdaad waarop zelfs de doodstraf kon staan.

Hage brengt deze twee perspectieven, het verhalende en het rechtshistorische, met elkaar in contact in de meest uitgebreide studie van schaking in de Republiek tot nu toe. Hij analyseert in het totaal 187 casussen met eer als conceptuele lens. Dit stelt hem in staat, schrijft hij, om een aantal belangrijke vraagstukken die het rechtshistorische perspectief onbeantwoord laat op een vruchtbare manier te verkennen. Een centrale – en terechte – vraag is waarom schaking in de Republiek, ondanks het grote risico en de slechte financiële perspectieven, nog voorkwam. Een tweede punt betreft het vraagstuk rondom het consent van een geschaakte dochter. Juridisch gezien was er geen onderscheid tussen het met geweld wegvoeren van een jonge vrouw en haar ertoe ‘verleiden’ om weg te gaan: beide werden verstaan als schaking en waren strafbaar. In vroegmodern taalgebruik lijkt er echter wel een onderscheid te zijn gemaakt tussen schaken in gewelddadige zin en het fenomeen ‘doorgaan’, waarbij een jonge vrouw vrijwillig maar zonder toestemming met haar geliefde vertrok. Is het mogelijk om een dergelijke scheidslijn tussen vrijwillige en gewelddadige schakingen te ontwaren en zo ja, hoe?

Voor hij zich aan deze vragen waagt vormt Hage in hoofdstuk 2 eerst een uitgebreid theoretisch raamwerk rondom het concept eer. In plaats van een enkele, alomvattende definitie van eer te geven introduceert hij een ‘ketting van eernoties’ die zich op dynamische wijze tot elkaar verhouden (100). Eer heeft in deze optiek zowel een intern aspect (zoals eergevoel, eigenwaarde, trots) als een extern aspect (reputatie, eer in de ogen van anderen). Deze eernoties gelden zowel voor een individu (‘persoonlijke eer’) als voor groepen zoals een familie of buurt. Het externe aspect van eer komt tot uiting in de ‘eerpositie’ die een persoon of collectief inneemt ten opzichte van de ‘eergroep’ waarin deze zich beweegt. Deze positie is niet statisch maar wordt juist constant bevochten in wat Hage in navolging van de Nederlandse etnoloog Herman Roodenburg ‘erehandel’ noemt.2 Door roddel, belediging en reacties daarop werden reputaties binnen eergroepen constant, soms zelfs letterlijk, uitgevochten en binnen deze ‘handel’ gebruikten mensen en groepen verschillende ‘eerstrategieën’ (98). ‘Eervertoog’, ten slotte, vormt een belangrijk overkoepelend concept in het boek. Het kan gezien worden als een discours in zowel normatieve als descriptieve zin: hoe werd er in het taalgebruik, en vooral in dominante uitingen zoals wetgeving en rechtspraak, moraalgeschriften en academische verhandelingen maar ook fictie en correspondentie, betekenis gegeven aan eer en eerbaar gedrag? Binnen dit discours onderscheidt Hage een specifiek ‘schakingsvertoog’ dat gebruikt werd door autoriteiten en misnoegde familieleden om het onbetamelijke van het voorgevallene te communiceren (48-54).

Hage gaat bijzonder diep in zijn analyse van eer en bouwt hierbij voort op een breed scala aan internationale theoretische bijdragen, zoals het werk van politicoloog Robert Oprisko, socioloog Erving Goffman, en antropoloog Julian Pitt-Rivers.3 Tegelijkertijd weet hij ook de keuzes en beweegredenen van historische individuen centraal te stellen. Het gevolg van deze benadering is dat het boek niet alleen inzicht in het historische fenomeen van schaking biedt, maar ook een bijna microsociologische case study in menselijk handelen. Hage geeft daarmee een fascinerende nieuwe blik op de vroegmoderne schaking, niet als een impulsieve daad van roekeloze jongverliefden, maar als een weloverwogen stap in een machtsspel. In dit spel neemt een jong paar, om hun eigen nieuwe eerpositie als stel te kunnen behouden, de familie-eer van het meisje als het ware in gijzeling in de hoop de familie zo tot toestemming voor het huwelijk te bewegen. De auteur maakt dus handig gebruik van zijn eerconcepten om zowel het plaatsvinden als het verloop van schakingen te verklaren. In het laatste differentieert Hage verschillende vormen aan de hand van patronen in de verschuiving van machtsposities tussen de verscheidene partijen, door hem ‘figuraties’ genoemd. Hiermee maakt hij een methodologisch onderscheid tussen het verloop van handelingen enerzijds, en het schakingsvertoog dat door partijen binnen de figuraties gebruikt wordt anderzijds. Deze verdeling biedt duidelijkheid in het vraagstuk van de ‘wil’ van geschaakte jonge vrouwen. Het was het schakingsvertoog, gebruikt door familieleden en autoriteiten, dat de medewerking van geschaakte meisjes afdeed als het gevolg van verleiding, bedrog of zelfs dwang door de schaker, omdat het alternatief van een jonge vrouw die bewust en opzettelijk tegen de wil van haar familie met een man vertrok als een bedreiging voor de familie-eer en de openbare orde werd gezien. Hage toont op overtuigende wijze hoe jonge vrouwen zich binnen deze context manoeuvreerden en ondanks, of misschien wel dankzij, de kwetsbare en streng bewaakte eerpositie waarin zij zich bevonden een actieve en vaak zelfs beslissende rol namen in het verloop van schakingen.

Toch zijn er ook beperkingen aan de microsociologische benadering van Eer tegen eer. Door de grote nadruk op het proces van schaking, met zijn interpersoonlijke interacties en individuele afwegingen, is het soms moeilijk om bredere conclusies te trekken over historische ontwikkelingen en structurele aspecten. Sociale klasse en stand worden bijvoorbeeld wel besproken, maar alleen als aspecten van eer, wat nog vragen openlaat over hun rol binnen schaking als sociaal fenomeen. Zo wekt het bijvoorbeeld verbazing dat wetgeving rond schaking zich zo expliciet richtte op de bedreiging van familievermogen terwijl geld in de schakingsfiguraties van Hage vrijwel zelden een rol lijkt te spelen. Ook dient de vraag zich aan of schaking hoofdzakelijk een elitair fenomeen was, zoals de besproken zaken doen vermoeden, of dat het onder de lagere en middenklassen ook veel voorkwam, zoals de behandelde kluchten in het laatste hoofdstuk suggereren. Dit zijn echter eerder suggesties voor verder onderzoek dan ernstige tekortkomingen, en Hage heeft toekomstige onderzoekers hoe dan ook een grote dienst bewezen met zijn boek en begeleidende databank aan schakingscasussen.4