In 1925 verscheen een door de eigen penningmeester geschreven overzicht van het ontstaan, de ontwikkeling en betekenis van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB).1 In dit 784 pagina’s tellende kolossale werk volgt schrijver Cornelis Antonius van der Velde minutieus de verwikkelingen van de uit 1894 stammende vakbond, die met zijn bijzondere strakke organisatieprincipes aan de wieg heeft gestaan van de vakcentrale die we nu als de Federatie Nederlandse Vakbeweging kennen en van 1906 tot 1980 bekend was als het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV).

Een schitterende erfenis. 125 jaar nalatenschap van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond, dat in 2019 onder redactie van Karin Hofmeester werd uitgebracht, is een eigentijdse opvolger van het boek van Van der Velde. Dit prettig leesbare en prachtig vormgegeven werk is onderdeel van een groter project over de geschiedenis van de diamantbewerkersbond dat het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in 2019 initieerde en heeft op een goed moment het licht gezien. Er is immers onder economen, historici, politici en vakbondsmensen in Nederland al jaren een discussie gaande over de verminderde organisatiegraad van werknemers en het dalende ledental van de vakbeweging. Voor een deel verklaren zij deze afnemende representativiteit en daarmee tanende macht van de vakbeweging uit een veranderde samenstelling van de beroepsbevolking. Meer vrouwen en jongeren zijn aan het werk dan in de hoogtijdagen van de vakbeweging, een groeiend deel van de werkenden is actief in flexibel werk en er bestaat een eveneens toenemende groep zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers).

Een verkenning van het verleden kan nuttig zijn bij het zoeken naar een verklaring van dergelijke hedendaagse tendensen. Historisch onderzoek zal vaak niet leiden tot de vondst van bevredigende antwoorden, maar het kan geen kwaad om zich rekenschap te geven van het ontstaan van tegenwoordige instellingen. De leiding van de vakbeweging was al heel vroeg doordesemd van het besef dat men zijn eigen geschiedenis moet kennen, blijkens de vele publicaties van gedenkboeken en memoires in het begin van de vorige eeuw. Voor de geschiedschrijving van de meeste vakbonden geldt dat dergelijke lijvige boeken niet vaak meer worden gemaakt. De belangstelling daarvoor zou vanwege de omvang vermoedelijk klein zijn, maar ook zijn de inzichten veranderd over wat nuttige geschiedschrijving van de vakbeweging is. Weliswaar verscheen er in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw nog een reeks traditionele gedenkboeken over diverse vakbonden – deze keer geschreven door vakhistorici – maar er werd ook nagedacht over een analytischere aanpak dan een met sympathie geschreven chronologische benadering. Zo schreef historicus Theo van Tijn in 1973 bijvoorbeeld een artikel voor BMGN waarin hij zich afvroeg waarom de ANDB in zo korte tijd de machtigste vakbond van Nederland werd.2 Dergelijke vragen kunnen beter worden behandeld in een moderne wetenschappelijke studie dan in de traditionele gedenkboeken die vaak vooral een chronologisch relaas van de betreffende organisatie bevatten.

Een schitterende erfenis is schatplichtig aan het bovenstaande, zowel de gedenkboeken als de wetenschappelijke analyses. In het eerste hoofdstuk van dit boek beschrijven Daniël Metz en Hofmeester de opkomst van Amsterdam als diamantstad als gevolg van de strijd tegen de Spaanse Habsburgers. Vanaf 1590 vestigden veel Antwerpse en Joodse diamanthandelaren en bewerkers zich in Amsterdam, waar ze een voor Joden toleranter klimaat aantroffen. Later voegden steeds meer Joden uit Oost-Europa zich bij hen. Hoewel beide groepen in meerderheid Joods waren, vormden ze geen gesloten blok ten opzichte van niet-Joodse diamantbewerkers. Als gevolg van de achterstelling van het Jodendom waren zij het er wel over eens dat ze zich maar beter niet in konden laten met de politiek, aangezien politiek engagement hun positie in gevaar kon brengen. Tot ver in de negentiende eeuw namen Joden in Amsterdam daarom een voorzichtige, apolitieke houding aan. De vaak slechte arbeidsomstandigheden leidden er uiteindelijk echter toe dat diamantbewerkers soms het werk neerlegden en vakorganisaties oprichtten zoals de Diamantslijpers-Vereeniging die in 1866 tot stand kwam.

In hoofdstuk 2 gaat Margreet Schrevel in op de oprichting van de ANDB in 1894 en de successen die de bond al binnen enkele jaren boekte, zoals het afdwingen van een fatsoenlijk loonpeil, een kortere arbeidstijd en de eerste vakanties. Schrevel benoemt echter eveneens de problemen in de ANDB die vaak ontstonden door het ongedisciplineerde karakter van veel leden. Het kostte de bond indertijd grote moeite om zijn achterban in het gareel te krijgen: een aantal malen lukte dat slechts doordat het bestuur dreigde met aftreden zonder werkelijk die intentie te hebben. Ook benadrukt Schrevel de positie van vrouwelijke bondbestuurders, die in de historiografie onderbelicht is gebleven. Het volgende hoofdstuk bevat een analyse van duizenden leden- en leerlingkaarten door Huibert Schijf. De kaarten laten zien dat veel, maar niet alle diamantbewerkers Joods waren. De bepaling of iemand al dan niet Joods was, is gedaan aan de hand van de naam en als dat geen soelaas bood door raadpleging van het Bevolkingsregister. Ook blijkt uit Schijfs analyse van de kaarten dat diamantbewerking echt een familievak was, zowel bij de Joden als de niet-Joden.

De ANDB-bestuurders beseften al vrijwel direct na de oprichting van de bond dat een sterke vakbond in Antwerpen, de stad van de belangrijkste nabije concurrent, van groot belang was. Lage lonen daar zouden namelijk de dankzij de bond gestegen hoogte van het loon in Amsterdam bedreigen. Martine Vermandere en Hofmeester gaan in het vierde hoofdstuk in op de rol die de ANDB speelde bij het ontstaan van de Algemene Belgische Diamantbewerkersbond in de Scheldestad. Zij schenken daarbij ook aandacht aan de Alliance universelle des ouvriers, de internationale diamantbewerkersbond die mede dankzij Amsterdammers werd opgericht. In hoofdstuk 5 beschrijven Esther Göbel en Metz hoe de Amsterdamse diamantindustrie vanaf de Eerste Wereldoorlog overvleugeld werd door de Antwerpse en de ANDB daardoor een kwijnend bestaan tegemoet ging. Vervolgens maken zij op indringende wijze duidelijk hoe de opkomst van het nazisme en de Duitse bezetting de sector en zijn vele Joodse medewerkers fataal werden. Na de oorlog bleek het tij voor de Amsterdamse diamantindustrie niet meer te keren en in 1958 hield de ANDB op met bestaan. De laatste leden sloten zich daarna aan bij NVV-zusterbond de Algemene Nederlandse Metaalbewerkers Bond. Deze teloorgang van een eens groots instituut wordt in hoofdstuk 6 behandeld door Metz en Hofmeester.

Een schitterende erfenis geeft, hoewel niet dik, een goed overzicht van bond, bestuurders en leden, terwijl er in de traditie van historici als Van Tijn op een analytische wijze naar die aspecten wordt gekeken. Het is daarom vreemd dat zijn artikel niet in de literatuurlijst voorkomt. Dit boek is niettemin een goede aanvulling op de geschiedschrijving van de Nederlandse vakbeweging. Ook onderzoekers die de tegenwoordige problemen van de vakbeweging willen begrijpen, zullen er hun voordeel mee kunnen doen. Dat is zeker het geval als de rol van de zzp’ers wordt onderzocht, want bij het ontstaan van de ANDB waren mensen die we nu zzp’er zouden noemen, de zogenaamde ‘eigenwerkers’, van groot belang. Ook de rol van werkgevers bij tegenwoordige ‘gele bonden’ herkennen we in het boek, want toen de eerste diamantbewerkersbond in 1866 het levenslicht zag, namen werkgevers daar het initiatief toe. Een schitterende erfenis hoort daarom in iedere boekenkast van huidige vakbondsbestuurders en commentatoren te staan. En wie meer details wil weten over de eerste kwart eeuw kan Van der Velde er nog altijd bij pakken.