De relatie tussen toneel en politiek kan al sinds verschillende decennia rekenen op de interesse van historici van de revolutieperiode. Niet alleen was het toneel een uitstekende graadmeter voor het politieke klimaat, bovendien hebben schouwburgen en theaters vaak zelf een rol van betekenis gespeeld in politieke gebeurtenissen: van de razende populariteit van Marie-Joseph Chéniers Charles IX in het Parijs van 1789 tot de tumultueuze nasleep van de opvoering van La muette de Portici in de Brusselse Muntschouwburg in augustus 1830. Zeker de Londense en Parijse scènes hebben in de voorbije jaren veel aandacht gekregen. De interesse is daarbij verschoven van teksten naar praktijken. In deze onderzoeksrichting wordt minder gekeken naar de letterlijke inhoud van de stukken dan naar de politieke waarde die ze kregen door de context van de concrete opvoering.

Dankzij die performative turn hebben historici als Paul Friedland en Susan Maslan het theater kunnen analyseren als een metafoor voor de politiek en zelfs als een sleutel tot een goed begrip van de revolutionaire dynamiek in haar geheel.1 In de handelseditie van haar in 2019 verdedigde proefschrift past Amber Oomen-Delhaye die inzichten voor het eerst op een systematische manier toe op het Nederlandse theaterverleden. Ze bestudeerde het repertoire en de opvoeringspraktijk van de Amsterdamse schouwburg tussen 1780 en 1801 vanuit de wisselwerking tussen theater en politiek. Haar stelling luidt dat de twee sferen elkaar in die periode in belangrijke mate wederzijds hebben beïnvloed: het theater werd politiek en de politiek werd theatraal.

Die these werkt ze uit aan de hand van een casestudy, namelijk de toneelstukken over Romeinse helden. Het spreekt voor zich dat die stukken zich leenden voor een politieke interpretatie: de republikeinse thematiek was direct relevant voor de politieke praktijk in de Republiek der Verenigde Nederlanden. De republieken uit de klassieke oudheid boden als vanzelf het referentiekader waaraan eigentijdse politieke waarden en normen werden ontleend. Dit was al zo aan het begin van de achttiende eeuw, maar Oomen-Delhaye neemt een intensivering waar vanaf de patriottentijd. Onder invloed van de politieke omstandigheden kregen vertrouwde personages als Brutus, Cato, Britannicus, Gaius Gracchus, Caesar en Nero een nieuwe lading en gingen ze zelf ook wegen op het maatschappelijke debat. Zo was een republikeinse held als Brutus bijzonder populair in de Patriottentijd, maar verdween hij tijdens de restauratie van het stadhouderlijke bewind weer prompt van het toneel.

De afbakening van het thema is op het eerste gezicht tamelijk smal, al is het begrijpelijk waarom Oomen-Delhaye zich beperkt heeft tot Amsterdam. In de achttiende eeuw herbergde de stad immers de enige Nederlandse schouwburg met een vast toneelgezelschap. Bovendien kreeg de Amsterdamse stadsschouwburg vanaf de revolutietijd de status en de uitstraling van een nationaal theater dat de stedelijke context oversteeg. Ook de focus op de Romeinse treurspelen lijkt aanvankelijk wat beperkend. Omdat Oomen-Delhaye binnen die categorie nog een verdere selectie maakt, gaat het in het boek uiteindelijk om slechts een klein aantal toneelstukken. Maar tegenover die smalle focus staan een brede inkadering en een bijzonder gedegen uitwerking. Daardoor gaat het boek over veel meer dan de Romeinse helden alleen. De analyse wordt op basis van een omvangrijk en divers bronnencorpus gemaakt, waarbij Oomen-Delhaye afwisselend kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden gebruikt.

Het boek vangt aan met een repertoireanalyse van de Amsterdamse schouwburg. Die is gebaseerd op een inventarisatie van het totale aantal gekende opvoeringen in de achttiende eeuw – een forse 16.599 – waarop vervolgens allerlei parameters worden losgelaten. Daaruit blijkt onder meer de blijvende populariteit van de Romeinse treurspelen door de achttiende eeuw heen, ondanks de sterke opkomst van het burgerlijke drama in de tweede helft van diezelfde eeuw. De receptie van de toneelspelen en hun veranderende politieke lading zijn het onderwerp van verschillende andere hoofdstukken. Onder meer op basis van recensies in toneeltijdschriften toont Oomen-Delhaye aan dat de toneelpraktijk een wereld van verschil kon maken, ook wanneer de toneeltekst ongewijzigd bleef.

Een belangrijk punt was de veranderende opvatting van het republikanisme. Aan het begin van de achttiende eeuw dienden de Romeinse treurspelen nog ter bevestiging van het heersende idee dat de Republiek der Verenigde Nederlanden ware vrijheid kende. De opgang van het idee van volkssoevereiniteit maakte dat dezelfde stukken in de patriottentijd daarentegen een heel andere lading kregen: in werkelijkheid bleek in de Republiek despotisme te heersen en kon ware vrijheid enkel worden bereikt door het verjagen van de stadhouder. Dat de nieuwe boodschap ook door de machthebbers zo werd aangevoeld blijkt uit het feit dat de bewuste stukken na het neerslaan van de patriottenbeweging uit het repertoire verdwenen.

De andere hoofdstukken gaan over de manier waarop de Amsterdamse schouwburg in toenemende mate een politieke omgeving werd. Zo weerspiegelde de maatschappelijke roep om democratie zich in de groeiende autonomie van het theaterpubliek. Gaandeweg manifesteerde het publiek zich sterker en eiste het zelfs inspraak in de aanwerving van acteurs. Ook de acteurs zelf emancipeerden zich, wat onder meer tot uiting kwam in de inspraak die ze eisten (en kregen) in de programmatie. Grote maatschappelijke processen hadden dus hun uitwerking op de ‘minisamenleving’ die de schouwburg was.

De wijze waarop ook de politiek gaandeweg de invloed van het theater onderging, komt minder uit de verf, al vond Oomen-Delhaye interessante aanwijzingen in de Dagverhalen van de Nationale Vergadering, die ze op woordniveau onderzocht. In de Bataafse Republiek verplaatste het politieke bedrijf zich inderdaad van de achterkamertjes naar de openbare politieke scène, met de politici als acteurs en de bevolking als publiek. Daardoor ontwikkelde zich binnen de vergadering een theatrale cultuur.

Met dit verfrissende en lezenswaardige boek heeft Oomen-Delhaye een belangrijk veld aangesneden van de relatie tussen repertoire, theaterpraktijk en politiek in de revolutietijd. Met betrekking tot de Nederlanden werd die relatie nooit eerder op zo’n systematische manier onderzocht. In het spoor van dit boek dienen talrijke mogelijkheden tot verder onderzoek zich aan. Kan ook in andere toneelstukken dan de Romeinse treurspelen een politisering worden waargenomen? Hoe was de situatie in de provinciale theaters? En deden de in dit boek beschreven evoluties zich ook in de theaters van de Zuidelijke Nederlanden voor? Het zou mooi zijn als die vragen in de toekomst op een even grondige manier werden behandeld als in dit boek.