In Pro Patria et Patienti worden de ontwikkeling en professionalisering van de Nederlandse militaire geneeskunde beschreven vanaf de oprichting van de Militair Geneeskundige Dienst (MGD) in 1795 tot en met de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Het boek is verdeeld in twee tijdsperiodes die beiden anders worden aangesneden. De negentiende eeuw wordt thematisch besproken; onderwerpen als de opleiding en arbeidsomstandigheden van de officieren van de geneeskundige dienst, alsmede de medische problemen waar zij mee te maken kregen en over welke middelen zij beschikten passeren de revue. De twintigste eeuw wordt daarentegen chronologisch besproken. Medisch historicus Leo van Bergen combineert een gedetailleerde beschrijving van de medische voorbereidingen op én het medisch handelen tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog en de Indonesische dekolonisatieoorlog met het vraagstuk omtrent militair-medische ethiek. Hierin schuilt de daadwerkelijke vraag die het boek ter discussie stelt: was een militair arts primair loyaal aan zijn eed als militair officier of aan de eed van Hippocrates? Oftewel, hoe militair was een militair arts en hoeveel professionele autonomie als medicus kon hij behouden?

Aan de hand van drie medisch-inhoudelijke hoofdthema’s – simulatie, geslachtsziekten en geestesziekten – worden de uiteenlopende perspectieven van medici en militairen op de juiste behandelmethoden besproken, evenals de ontwikkeling hiervan door de tijd heen. Van Bergen betoogt dat de MGD altijd een ondergeschoven kindje binnen de krijgsmacht geweest is, wat onder andere blijkt uit de slechte arbeidsomstandigheden en salariëring van de officieren en de algehele gebrekkige financiering van de MGD. De medische tak werd onvoldoende geassocieerd met militaire waarden en gevechtskracht. Het was daarom een van de eerste onderdelen die gekort werd tijdens bezuinigingsrondes. Dit had tot gevolg dat zowel het personeel als materieel van gebrekkige kwaliteit en kwantiteit waren. Op basis van deze constateringen maakt Van Bergen een tweede claim: van de Slag bij Waterloo tot de Meidagen van 1940 en de Indonesische dekolonisatieoorlog, de MGD was eigenlijk nooit voldoende voorbereid op de conflicten die zouden gaan komen. Ondanks de professionalisering die de militaire geneeskunde onderging, zoals op het gebied van opleiding, transport, communicatie, hygiëne en preventie, rijst de vraag of een militair arts überhaupt in staat was om goede patiëntenzorg te leveren en de patiënt centraal te stellen.

Een opvallend punt dat het boek onderstreept is dat ondanks de verburgerlijking van de krijgsmacht en de verwetenschappelijking van het artsenberoep – wat leidde tot opheffing van de Rijkskweekschool voor Militair Geneeskundigen – er een groot contrast bleef bestaan tussen de gehanteerde standaarden van militair en civiel artsen. Ondanks de toenemende kritiek vanuit media en maatschappij op de gebrekkige zorg voor de soldaten waren militair artsen, in tegenstelling tot hun civiele collega’s, meer pro patria dan pro patienti. Militair artsen waren bovenal loyaal aan de krijgsmacht en voelden de noodzaak om zich te bewijzen als belangrijk onderdeel van het militaire bedrijf. Dit uitte zich onder andere in de strenge aanpak van ‘geesteszieken’ en vermeende simulanten. Van Bergen toont hiermee aan dat het stereotype beeld van de medische dienst tijdens oorlogsvoering als ‘zo humaan en vreedzaam mogelijke eilanden in een oceaan van geweld’ (13) minder terecht is en dat de positie van artsen vaak minder altruïstisch en neutraal was dan aangenomen door historici en verslaggevers. Interessant is dat deze houding niet statisch was. Door de tijd heen veranderde zowel de blik van de militair artsen als de tolerantie van hun meerderen, wat in vredestijd leidde tot meer vrijheid en autonomie. In oorlogstijd werd deze ontwikkeling echter teruggedraaid. De militaire noodzaak kreeg volledige prioriteit, waardoor er regelmatig keuzes gemaakt werden die militair verantwoord waren, maar niet altijd even medisch verantwoord.

Pro Patria et Patienti toont aan dat de militaire geneeskunst niet alleen binnen de krijgsmacht een ondergeschoven kindje was. Ook binnen de (militaire) geschiedschrijving is er weinig aandacht voor het medische aspect van oorlogsvoering. Van Bergen stelt dat de medische kant van oorlogsvoering tot de jaren zeventig van de twintigste eeuw als niet interessant of als weerzinwekkend beschouwd werd. Het geringe aantal publicaties over de militaire geneeskunde had bovendien vooral betrekking op medische inhoudelijke zaken en was veelal geschreven door militair artsen, volgens Van Bergen veelal zonder ‘kritische distantie’ (15). In zijn standaardwerk Arts en oorlog uit 1972 gaat Johannes Verdoorn als een van de eersten in Nederland in op de vraag omtrent de dubbele loyaliteit van militair artsen. Pro Patria et Patienti is echter het eerste boek dat een overzichtsgeschiedenis geeft van de Nederlandse militaire geneeskunde (en hierbij de verschillende krijgsmachtdelen betrekt) en tegelijkertijd aandacht schenkt aan de ethische aspecten van het beroep. Het boek is daarom van groot belang voor zowel medici als (militair) historici die meer vat willen krijgen op de gevolgen van oorlogvoering en de bijzondere positie van artsen. Daarnaast is het boek een bijdrage in bredere zin. Aan de hand van de ontwikkeling in opvattingen over het arts of militair zijn van deze bijzondere groep professionals houdt het boek de lezer een maatschappijkritische spiegel voor. Wat vinden de overheid en haar instituties belangrijk en welke waarden sneuvelen als eerst in tijden van crisis? Deze vragen maken het boek interessant voor iedereen die geïnteresseerd is in de positie en autonomie van professionals en vraagstukken omtrent autonomie, loyaliteit en integriteit.

Uit het bronmateriaal dat Van Bergen tot zijn beschikking had, naar eigen zeggen ‘schaars en diffuus’, blijkt dat ook in het verleden de militaire geneeskunde een onderwerp is dat nooit volop in de belangstelling gestaan heeft. De auteur maakt daarom voornamelijk gebruik van publicaties in kranten en medische tijdschriften die aan redactie onderhevig geweest zijn. Een goede weergave van de ervaringen en sentimenten onder het gros van de militair artsen kan het boek dan ook niet geven, al geldt dit meer voor de negentiende dan voor de twintigste eeuw. Een ander kritiekpunt is dat het boek af en toe wat consistentie mist vanwege de verschillende manieren waarop Van Bergen beide tijdsperiodes opvoert. Ontwikkelingen in de negentiende eeuw die hij voor alle thema’s helder schetst zijn in de sectie over de twintigste eeuw soms meer anekdotisch van aard en meer gebaseerd op losse casussen.

Pro Patria et Patienti is een vlot geschreven boek en daarmee eveneens een waardevolle bijdrage voor een breed publiek. Het vraagstuk ‘arts of militair’ wordt tastbaar gemaakt in de verschillende ontwikkelingen van de militaire geneeskunde. Ook de continuïteit van de ethische problematiek – vaak op scherp gesteld door de krappe budgetten van de MGD – wordt helder duidelijk gemaakt. Van Bergen laat met zijn kritische, doch genuanceerde houding een andere kant van oorlogsvoering en militaire geschiedenis zien die tot op heden onderbelicht is gebleven. Een kant die, zo toont dit boek aan, essentieel is voor een goed functionerende krijgsmacht.