In dit ambitieuze boek proberen Wim Klooster en Gert Oostindie de ‘Second Dutch Atlantic’ op de kaart te zetten als een tot dusver ondergewaardeerde fase in de Nederlandse koloniale geschiedenis. Deze Tweede Atlantische periode volgt op het zeventiende-eeuwse ‘Dutch moment’, dat eerder door Klooster is beschreven1, en gaat vooraf aan de negentiende-eeuwse fase. Deze werd gedomineerd door Nederlands-Indië, het cultuurstelsel en het vermaledijde ‘batig slot’. Het boek van Klooster en Oostindie is niet alleen een historiografisch statement, maar ook een status quaestionis van de recente literatuur, waarin de Atlantische wereld veel aandacht heeft gekregen, ook in Nederland, vooral vanwege de trans-Atlantische slavenhandel.

Realm between Empires is deels chronologisch, deels thematisch opgezet. Een chronologisch begin en een nogal dramatische afloop vanaf 1780 omsluiten thematische hoofdstukken over de institutionele, financiële en handelsdimensie en – meer schetsmatig – de sociaal-culturele component van de circulation of knowledge, met name het al dan niet aanwezige besef in het moederland van wat zich afspeelde in de Atlantische wereld. Daarnaast zijn er zeer informatieve hoofdstukken over elk van de betrokken gebieden: de West-Afrikaanse bezittingen aan de Goudkust, oftewel Elmina en de forten aldaar, de Guiana’s op het Zuid-Amerikaanse vasteland (Suriname, Demerary, Essequibo en Berbice), en de Antillen, bovenwinds en benedenwinds. De stelling van de auteurs is dat dit achttiende-eeuwse Nederlandse Atlantische ‘rijk’ is onderschat te midden van de scherper geprofileerde imperia van Engeland, Frankrijk en Spanje, die met militaire macht aan empire building deden, terwijl de Nederlanders alleen soft power (handel) in de strijd wierpen en daarmee aan soft globalization deden. Deze kruik ging volgens de auteurs zo lang te water tot zij barstte vanwege veranderende geopolitieke omstandigheden, met de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog als het cruciale keerpunt. Het ging razendsnel bergaf met de ‘Second Dutch Atlantic’ vanaf de laatste dagen van 1780, toen Engeland de Republiek verrassend de oorlog verklaarde.

De grote winst van dit boek schuilt enerzijds in de gedetailleerde behandeling van elke Nederlandse kolonie. De onderlinge verschillen tussen deze gebieden waren groot en weerspiegelden daarmee, aldus de auteurs, de al even gevarieerde verhoudingen in het moederland. Anderzijds bieden Klooster en Oostindie belangwekkende analytische beschouwingen over de plaats en rol van Nederland en zijn koloniën binnen het Atlantische systeem. Trefwoorden hier zijn interconnectedness en connectivity, bekende begrippen in de recentere literatuur over historische globalisering, zoals Christopher Bayly’s The Birth of the Modern World (2004). De Nederlanders onderscheidden zich door met alles en iedereen te handelen en verbindingslijnen te onderhouden binnen de hele Atlantische wereld, van de Engelse Noord-Amerikaanse koloniën tot bijvoorbeeld de Deense koloniën in de Caraïben, waarin Amsterdamse financiers bovendien substantieel investeerden. Die bemiddelende rol wordt met veel voorbeelden aangetoond. Zo waren Curaçao en Sint-Eustatius belangrijke entrepôts, terwijl Suriname zich ontwikkelde tot een plantagekolonie met typisch Nederlandse trekken zoals het waterbeheer en het daarvoor bedachte poldersysteem. Vanouds was de West in de Republiek een strijdterrein tussen Amsterdam en Zeeland. De Zeeuwse aanwezigheid in de West wordt op een curieuze manier onderstreept doordat er in Suriname liefst drie varianten van het Zeeuwse dialect werden gesproken.

Natuurlijk schenken de auteurs uitgebreid aandacht aan de slavenhandel. Zij volgen het daarbij doorgaans gehanteerde cijfer van circa 5 procent als Nederlands aandeel in het totaal. Ook wijzen zij nadrukkelijk op slavenopstanden als die van 1763 in Berbice en 1795 in Curaçao. Aanvankelijk betreft hun verhaal het relatieve succes van dit Atlantische Rijk, gevolgd evenwel door de déconfiture na 1780. Het succes wordt volledig verklaard uit omstandigheden buiten de Republiek om: zolang Engeland en Frankrijk de studied neutrality van de Republiek tolereerden, floreerde het Atlantische rijk. Toen Engeland de Republiek eind 1780 de oorlog verklaarde, was het met de bloei snel gedaan. Hiermee wordt een vrij simpel beeld geschetst van de achttiende-eeuwse wereldpolitiek en de eigen rol daarin – dan wel het toenemende ontbreken daarvan – van de Republiek. In de eerste helft van de zogenaamde Tweede Honderdjarige Oorlog (1689-1815) tussen Engeland en Frankrijk maakte de Republiek nog deel uit van het Oud Systeem van Allianties (met Engeland en Oostenrijk), maar na de renversement des alliances van 1756 haakte zij af uit militair onvermogen. In die fase richtte de Engels-Franse rivaliteit zich vooral op de buiten-Europese wereld. Nederlandse kooplieden zagen toen hun kans schoon goed te verdienen aan hun eigen neutraliteit. Hier wreekt zich enigszins dat de auteurs exclusief kijken naar de Atlantische sfeer en de Europese veiligheidspolitieke dimensie van de betrekkingen uit het oog verliezen. De oorlogsverklaring van 1780 bracht voor Engeland ook risico’s met zich mee, getuige slechts het effect dat Nederland vanaf dat moment decennialang in de Franse machtssfeer terechtkwam. Achteraf is de oorlogshitsende rol van de Britse ambassadeur Yorke – die een eigen agenda had – in 1780 en de jaren daarvoor daarom in de historiografie vaak negatief beoordeeld. En juist het gevaar dat de Republiek zijn studied neutrality zou omzetten in aansluiting bij de tegen Engeland gerichte Gewapende Neutraliteit van Catharina de Grote, was voor Engeland de directe aanleiding voor de oorlogsverklaring.

De geopolitieke positie van de Republiek was – zelfs in de zeer gereduceerde omstandigheden van het laatste kwart van de achttiende eeuw – dus minder hopeloos dan ze hier wordt voorgesteld. De imperiale mogendheden Engeland en Frankrijk moesten hun aandacht verdelen over diverse fronten en daarom waren goede relaties met de Republiek voor hen, alleen al vanwege haar hindermacht in West-Europa, altijd een veiligheidsbelang. Zelfs in de Bataafse tijd werd de Republiek zowel in Frankrijk als in Engeland aanvankelijk nog gezien als een maritieme mogendheid om rekening mee te houden, mede dankzij haar nog altijd aanwezige financiële potentieel. Met de (in het boek onbesproken gebleven) niet-teruggave van Demerary, Essequibo en Berbice in 1814 wordt achteraf nog eens duidelijk dat er samenhang is tussen Engelands metropolitaanse perspectief en zijn wereldwijde belangen. De Britse regering had die teruggave, ondanks grote Britse investeringen aldaar, aan Nederland toegezegd en kwam daarop pas terug onder zware druk van direct-belanghebbenden.

Waar het gaat om de sociaal-culturele sfeer van de circulation of knowledge zijn de auteurs tot slot erg strikt in het vrijwel ontkennen van de aanwezigheid van koloniaal bewustzijn in de achttiende-eeuwse Republiek, te beginnen met het besef dat elk kopje koffie inclusief de doorgeroerde suiker een koloniale bijsmaak had tot de gruwelen van slavenhandel en slavernij. Het bekende ontbreken van het op afschaffing gerichte debat over slavenhandel en slavernij in Nederland aan het eind van de achttiende eeuw wordt uitvergroot tot een gebrek aan koloniaal besef überhaupt. Wanneer echter niet alleen gekeken wordt naar specifiek aan de West gewijde publicaties maar ook naar de bredere publicistiek uit de Nederlandse Verlichting (spectatoriaal en anderszins) valt dit beeld genuanceerder uit.