Het boek Ja, ik wil! Verliefd, verloofd, getrouwd in Amsterdam 1580-1810, geschreven door René van Weeren en Tine de Moor, komt voort uit een groot digitaliseringsproject waarin vrijwilligers de ondertrouwregisters van de stad Amsterdam hebben ontsloten. Dit initiatief werd geleid door historici van de Universiteit Utrecht in samenwerking met het Stadsarchief Amsterdam. De ondertrouwregisters, waarin 250.000 bruidsparen over ruim tweehonderd jaar zijn geregistreerd, zijn een rijke bron voor de geschiedenis van huwelijkspatronen en het gedrag van mannen en vrouwen op de huwelijksmarkt.1 Welke nieuwe inzichten kan deze database ons opleveren? Van Weeren en De Moor schrijven in hun inleiding dat er ‘een uitzonderlijk aantal persoonlijke details’ te vinden is in de vrijwel complete en daarom unieke digitale database (14). Met deze schat aan details over het gedrag van Amsterdammers op de huwelijksmarkt in de vroegmoderne tijd kan de theorie over het vroegmoderne West-Europese huwelijkspatroon – gekenmerkt door uitgestelde huwelijken en een hoge mate van celibaat – wellicht worden aangescherpt.2 Ook het huwelijksgedrag van immigranten kan met deze nieuwe bron verder worden uitgediept: werkte de huwelijksmarkt bijvoorbeeld als een bemiddelaar voor integratie, of bleven de groepen juist onderling trouwen? En was het poorterschap, te verkrijgen door te trouwen met een in Amsterdam geboren bruid, inderdaad hét middel voor mannelijke immigranten om in de onbekende stad voet aan de grond te krijgen, zoals gezinshistorici al jarenlang betogen?3

Ik had hoge verwachtingen van deze studie, te meer daar ik uit ervaring weet hoe moeilijk het is om een dergelijke seriële administratieve bron daadwerkelijk aan de praat te krijgen. Na lezing van Ja, ik wil! overheerst niettemin een gevoel van teleurstelling, want het boek bevat maar weinig informatie die is ontleend aan de Amsterdamse ondertrouwboeken. De auteurs schrijven nauwelijks over ‘verliefd, verloofd, getrouwd in Amsterdam 1580-1810’, maar vooral over het westerse huwelijkspatroon in het algemeen, met subthema’s als huwelijkswetgeving, huwelijksleeftijd, hertrouwen en het celibaat, kerkelijk gemengde huwelijken en erfrecht, met talrijke uitstapjes naar volgens de auteurs kennelijk relevante onderwerpen zoals de Alteratie, pestepidemieën, begijnhoven, proveniershuizen en weeskamers. Deze algemene geschiedenis over het huwelijk en de gezinsvorming in West-Europa wordt slechts gelardeerd met enkele casussen uit de Amsterdamse bronnen en kaderteksten die vaak geen betrekking hebben op huwelijkspraktijken in Amsterdam.

Na een nogal uitvoerig inleidend hoofdstuk over huwelijkswetgeving, de strijd van de kerkelijke en wereldlijke overheid tegen clandestiene huwelijken vanaf de middeleeuwen en de betekenis van de Politieke Ordonnantie van 1580, volgt een sectie waarin de Amsterdamse ondertrouwregisters worden geïntroduceerd. De regel dat een voorgenomen huwelijk driemaal openbaar moest worden afgekondigd om anderen in de gelegenheid te stellen bezwaar aan te tekenen – en daarmee vooral bigamie te voorkomen – lag ten grondslag aan deze registers. In het hoofdstuk ‘Kink in de kabel?’ worden enkele casussen van dergelijke bezwaren besproken. Met de groei van de Amsterdamse bevolking nam het aantal bezwaren toe, wat tot gevolg had dat er een aparte administratie ontstond: de zogenaamde ‘krakeelregisters’. Ook de dood, onder meer als gevolg van pestepidemieën, bespreken de auteurs als ‘kink in de kabel’. Hierna volgt een hoofdstuk over huwelijksleeftijden, hertrouwen en het ongetrouwd blijven, met daarbij een uitvoerig exposé over begijnen. De laatste hoofdstukken zijn gewijd aan achtereenvolgens religieuze gezindten (slechts 1 procent van de huwelijken was gemengd, zie pagina 130), migranten (mannelijke immigranten trouwden veel vaker een ‘autochtoon’ dan vrouwelijke immigranten, zie pagina 136), standen, klassen en beroepen en de mate van geletterdheid onder de bruiden en bruidegoms (in 1580 ondertekende 61 procent van de bruidegoms en 34 procent van de bruiden hun ondertrouw, in 1800 waren deze percentages gestegen naar respectievelijk 81 procent en 68 procent, zie pagina’s 190-191). Deze samenvatting wekt wellicht de indruk dat er veel Amsterdamse cijfers uit het boek te halen zijn, maar dat is niet het geval: in het totaal bevat Ja! Ik wil slechts zes tabellen. Deze betreffen zeer algemene trends (steeds per vijf jaar) in de Amsterdamse trouwboeken.

De fascinatie van de auteurs voor big data voert in het hele boek de boventoon. Op zich is dat begrijpelijk, want het kan heel spannend en nuttig zijn om op metaniveau het menselijk gedrag door de eeuwen heen te onderzoeken en te analyseren. Toch wringt hier de schoen. Ten eerste wordt de lezer maar mondjesmaat deelgenoot gemaakt van de kwantitatieve onderzoeksresultaten die aan dit boek ten grondslag liggen. Het kan zijn dat de auteurs de lezer in dit opzicht hebben willen sparen, maar het schuurt dan wel dat er in de tekst voortdurend naar cijfermatige trends wordt verwezen. De lezer krijgt heel wat dooddoeners te verwerken, zoals de steeds weer terugkerende constatering dat pestepidemieën de sterftecijfers hadden doen stijgen. Ten tweede – en dit is ernstiger – wordt het menselijk gedrag zelf voortdurend verklaard en geduid vanuit de abstractie van metadata die de lezer dus nauwelijks te zien krijgt. Bij de vraag of hertrouwende weduwen en weduwnaars minderjarige kinderen hadden, schrijven de auteurs bijvoorbeeld: ‘De aanwezigheid van kinderen speelde vermoedelijk geen essentiële rol bij de keuze om te hertrouwen aangezien [mijn cursivering, EK] het aantal kinderloze weduwen en weduwnaars dat hertrouwde hoger lag dan het aantal weduwen en weduwnaars met kinderen’ (107). Dit is slechts een voorbeeld van het veelvuldig door elkaar halen van individuele motieven en algemene trends. Ook het slotwoord is onbevredigend, want dat heeft vooral betrekking op het heden en bevat open deuren, zoals de constatering dat er tegenwoordig slechts in één procent van de huwelijken sprake is van een verweduwde partner, te verklaren uit ‘de sterk verbeterde levensstandaard en levensverwachting’ (203).

De geschiedenis van huwelijkspatronen, inclusief zaken als erfrecht, bruidsschat, ouderlijke toestemming, en huwelijksleeftijd, is niet alleen boeiend, maar ook bijzonder actueel. Daarover biedt Ja, ik wil! veel interessants om verder over na te denken, zeker in de global village waarin we tegenwoordig leven. Als introductie op de geschiedenis van de Amsterdamse huwelijksmarkt schiet dit boek echter tekort.