Inleiding1

Een 23-jarige Algerijnse verbindingsofficier bij het FLN; door Franse soldaten ontvoerd, gemarteld en met een fles verkracht. Dagelijkse kost.2

Zo beschreef de Franse feministe Simone de Beauvoir in 1962 wat in Frankrijk en ook daarbuiten een van de grootste schandalen van de Algerijnse Oorlog (1954-1962) zou worden, namelijk de marteling en verkrachting van Djamila Boupacha, lid van het Algerijnse bevrijdingsfront Front de libération nationale (FLN), nadat zij door het Franse leger was opgepakt. Binnen de context van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog van een decennium eerder (1945-1949) vinden we geen soortgelijke ‘cause célèbre’. De nationalistische Indonesische generaal Abdul Haris Nasution maakte in zijn oorlogsdagboeken weliswaar gewag van de verkrachting van Indonesische vrouwen door Nederlandse troepen, maar alleen op een bijna terloopse manier:

Op 25 april 1949 patrouilleerden de Nederlanders naar de Pasir/Tanjung. Bij hun zuiveringsacties in het dorp aarzelden ze niet om de eer van vrouwen te schenden. Op 2 mei 1949 bereikte ons uit het gebied ten zuiden van de Kali Brantas het bericht dat majoor Sucipto, de commandant van het bataljon, in april 1949 in de buurt van Mojosari door Nederlandse soldaten gevangen was genomen.3

Djamila Boupacha, een lid van het FLN, wordt samen met andere Algerijnse persoonlijkheden, waaronder Ahmed Belaid, Rabah Mahiout en commandant Mohammed Guenez, ontvangen op het hoofdkantoor van de Labour Party in Londen door J.J. Clarke, hoofd van het Overzeese Departement van de Labour Party. Verenigd Koninkrijk, 14 maart 1963. © Keystone-France/Gamma-Rapho via Getty Images, KA0810624_01.

Het is opmerkelijk hoe verschillend de rol van verkrachting wordt benaderd in de context van de Algerijnse en Indonesische Onafhankelijkheidsoorlogen. In de Algerijnse en, in mindere mate, ook in de Franse geschiedschrijving en populaire cultuur wordt het als een vaststaand feit beschouwd dat er in Algerije op grote schaal verkrachtingen hebben plaatsgevonden. Daarentegen is de verkrachting van Indonesische vrouwen tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog in Nederland noch in Indonesië een onderwerp dat in publieke discussies wordt aangesneden.

Dat betekent echter niet dat verkrachting in Indonesië minder vaak voorkwam dan in Algerije.4 De Nederlandse en Franse krijgsmachten voerden een soortgelijke strijd waarbij ze contraterreur inzetten tegen lokale guerrillagroeperingen die zich mengden onder de plaatselijke bevolking. De omstandigheden waarbinnen verkrachtingen voorkwamen, waren veelal vergelijkbaar: tijdens ondervragingen, in de nasleep van militaire zuiveringsacties in afgelegen gebieden, of wanneer militairen in hun vrije tijd uit hun kamp wegslopen en de nabijgelegen dorpen introkken.

In beide onafhankelijkheidsoorlogen is het onmogelijk om het aantal verkrachtingen in exacte cijfers uit te drukken. Een oppervlakkige vergelijking tussen Franse en Nederlandse rechtbankarchieven leert echter wel dat Nederlandse militaire rechtbanken opvallend veel meer verkrachtingszaken hebben behandeld dan hun Franse tegenhangers. Op een totaal aantal van 220.000 militairen die in Indonesië hebben gediend, zijn in de archieven van de Nederlandse krijgsraad 72 zaken terug te vinden waarin Nederlandse militairen beschuldigd werden van seksueel geweld. In 53 van deze gevallen werd de verdachte schuldig bevonden aan verkrachting.5 Aan Franse kant heeft de historicus Marius Loris-Rodionoff dertien gevallen van verkrachting gevonden op een totaal van 636 krijgsraadzaken, waarbij de beschuldigingen varieerden van desertie en doodslag tot diefstal en ongehoorzaamheid. Deze zaken werden behandeld door het Tribunal militaire permanent de Constantine, een van de drie permanente rechtbanken die de Franse strijdkrachten in Algerije hadden opgezet voor de twee miljoen Franse militairen die tussen 1954 en 1962 in Algerije werden gestationeerd.6

Ruïne van de vrouwengevangenis in Tifelfel, in het Aurèsgebergte van Algerije. Dit was een geïmproviseerde gevangenis waar vrouwen werden vastgezet om hun echtgenoten te straffen die zich hadden aangesloten bij de guerrillastrijd tegen de Franse troepen. Vrouwen werden hier gemarteld en verkracht. Foto door Khedidja Adel. © Khedidja Adel.

Maar het vergelijken van exacte cijfers is onmogelijk en weinig zinvol. Aangifte en vervolging bleven na een verkrachting vrijwel altijd achterwege. Daar komt bij dat militairen zelden uit de school klapten over misdrijven die ze gepleegd of gezien hadden. Een database van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), waarin citaten over geweld afkomstig uit 89 contemporaine dagboeken van Nederlandse militairen in Indonesië worden verzameld, blijkt niet meer dan negen verwijzingen naar seksueel geweld te bevatten. In een soortgelijke database van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) die de volledige tekst van 659 gepubliceerde memoires van Nederlandse veteranen bevat, wordt slechts tweemaal over verkrachting gesproken.7

Het stilzwijgen van de slachtoffers zelf, de Indonesische en Algerijnse vrouwen, was in beide gevallen sterk verbonden met de heersende maatschappelijke normen en de druk om de familie-eer hoog te houden. Hoe lastig het ook voor onderzoekers is om vrouwen over hun marteling en verkrachting te laten vertellen, valt te lezen in een recent artikel van de historica Khedidja Adel over de gevangenis van Tifelfel. Deze gevangenis was een geïmproviseerd interneringskamp in het Algerijnse Aurèsgebergte, waar vrouwen gevangen zaten als straf voor de keuze van hun echtgenoten om zich bij de nationalistische beweging aan te sluiten. In dit kamp werden ze regelmatig geconfronteerd met seksueel geweld.8

Om de rol van verkrachting in deze twee onafhankelijkheidsoorlogen te kunnen begrijpen en vergelijken, is het niet genoeg om de inhoud van de beschikbare bronnen te bestuderen, maar moet vooral ook stilgestaan worden bij de contexten waarbinnen deze bronnen zijn ontstaan. Een kritische reflectie hierop leert ons meer over wie, wanneer en met welk motief gevallen van verkrachting tijdens deze oorlogen rapporteerde, en welke factoren bepaalden of deze kennis als politiek middel werd ingezet. Deze vragen zijn eveneens van belang om de kloof te dichten tussen aan de ene kant de omvangrijke theoretische literatuur over waarom militairen in oorlogstijd verkrachten – die meestal geschreven is met het doel het gedrag van deze militairen te verklaren en zich voornamelijk op getuigenissen van mannen baseert9 – en aan de andere kant de schaarse en fragmentarische aard van getuigenissen die afkomstig zijn van slachtoffers van verkrachting. Bij de beantwoording van deze vragen hanteren we de volgende indeling. Allereerst richten we ons op de literatuur die de motieven van verkrachting in een militaire context tracht te verklaren. Daarna worden de contexten toegelicht waarin verkrachtingen plaatsvonden en getuigenissen daarover werden vastgelegd. Tot slot zetten we uiteen hoe het thema verkrachting ook als politiek instrument kon worden gebruikt, en hoe dit bepalend kan zijn voor de historische beeldvorming hierover.

Motieven: waarom verkrachten mannen in tijd van oorlog en dekolonisatie?

Sinds de regulering van wat in een oorlog geoorloofd is aan het begin van de twintigste eeuw, vormt verkrachting een uitzondering op andere gewelddaden in oorlogstijd. Anders dan bij bijvoorbeeld het uitvoeren van executies of het afbranden van huizen is verkrachting in geen enkel geval toegestaan en moet het formeel altijd bestraft worden. Toch komt verkrachting in tijden van oorlog steeds opnieuw voor. Al sinds mensenheugenis worden zowel burgervrouwen als strijdsters door militairen gezien als ‘seksuele buit’.10 Militaire leiders zijn dan ook geneigd verkrachting af te doen als een vervelend, maar oncontroleerbaar, structureel bijverschijnsel van militaire aanwezigheid: iets dat nu eenmaal kan gebeuren als groepen jonge mannen worden gescheiden van hun sociale omgeving, opgeleid zijn om geweld te gebruiken, en ingezet worden in lichamelijk en geestelijk zware omstandigheden die vaak leiden tot morele uitputting en verlies van discipline.11 De feministische politicologe Cynthia Enloe maakt een onderscheid tussen drie hoofdmotieven: ‘recreatieve verkrachting’, ‘verkrachting omwille van de staatsveiligheid’ en ‘systematische massaverkrachting’.12 De eerste zou het gevolg zijn van een vermeende biologische mannelijke behoefte aan seksuele ontlading. Op deze behoefte speelt de militaire organisatie sinds jaar en dag in door militaire bordelen op te zetten ten behoeve van de ‘gezondheid’ en ‘discipline’ van troepen. De inzet hiervan is het voorkomen van geslachtsziekten, van homoseksuele handelingen tussen militairen en van het lastigvallen van vrouwen.

De twee volgende motieven, ‘verkrachting omwille van de staatsveiligheid’ en ‘systematische massaverkrachting’ hebben een doel gemeen, namelijk het slachtoffer te domineren en te vernederen. Dit perspectief, het beschouwen van verkrachting als iets dat meer met macht dan met seks te maken heeft, ligt veel dichter bij hoe psychologen, criminologen en sociologen sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw het voorkomen van verkrachting in het algemeen – dus niet in oorlogstijd – verklaren.13

Bij ‘verkrachting omwille van de staatsveiligheid’ zijn de slachtoffers vrouwen die als subversief en als een gevaar voor de veiligheid van de natie of de staat worden beschouwd. In Algerije was Djamila Boupacha een van de vrouwen die op verdenking van actieve deelname aan de antikoloniale strijd werd gevangengenomen, gemarteld en verkracht. Ook tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog was de combinatie van marteling en verkrachting een bekend fenomeen. In één geval dat leidde tot een rechtszaak in 1949 vertelde de dader dat hij de verdachte wilde ondervragen ‘over haar politieke voorkeuren en morele gedrag’. Hij kleedde haar uit, bond haar vast, drukte een sigaret uit op haar tepel, stak een speld onder haar teennagel en – zo verklaarde althans het slachtoffer – verkrachtte haar. De laatste beschuldiging werd echter ongegrond verklaard omdat die niet bewezen kon worden.14

‘Systematische massaverkrachting’ wordt getypeerd als een onderdrukkingsinstrument dat militairen gebruiken om zowel de vrouwen als mannen van vijandige zijde te vernederen door ze te straffen voor het feit dat ze tot een bepaalde groep behoren. Door de vrouw van de mannelijke vijand te verkrachten en te onteren, wordt de familie van deze man ondermijnd en bij uitbreiding zijn hele natie.15 Historica Raphaëlle Branche, expert op het gebied van martelpraktijken binnen het Franse leger tijdens de Algerijnse Revolutie, ziet eveneens de ‘vernedering van de natie’ als het ultieme doel, maar dan veeleer vanuit het perspectief van de vrouw:

Verkrachting is een gewelddaad waarbij de penis van de man het middel is – maar een ander object zou ook gebruikt kunnen worden – en de vagina van de vrouw níet het ultieme doel is. [...] Het gaat niet zozeer om seksuele behoefte maar meer om het willen bezitten en vernederen [...] Via de geradbraakte, in elkaar geslagen, verkrachte vrouw valt de soldaat haar familie aan, haar dorp en alle kringen waar ze toe behoort, tot en met de laatste: het Algerijnse volk.16

Als we verkrachting beschouwen als een aanval op de natie is het van belang te begrijpen dat zowel het Nederlandse als het Franse koloniale bewind een lange geschiedenis kennen van seksuele uitbuiting van de lichamen van gekoloniseerde vrouwen. Koloniale tentoonstellingen waar ‘inboorlingen’ aan het nieuwsgierige Europese publiek werden gepresenteerd, sekstoerisme en de productie van pornografische afbeeldingen van gekoloniseerde vrouwen zijn hiervan slechts een paar voorbeelden.17 Witte mannen voelden zich aangemoedigd door geseksualiseerde beelden van Noord-Afrikaanse vrouwen om onder hun sluier te gluren en daar een ‘primitieve’, ‘wilde’ vrouw te ontdekken. Zuidoost-Aziatische vrouwen werden gestereotypeerd als ‘vroegrijp’ en ‘promiscue’.18 Nederlandse mannen die naar Azië afreisden, waren goed vertrouwd met het idee van de vermeende gewilligheid van Aziatische vrouwen die werd bezongen in populaire Nederlandse liedjes en beschreven in verhalen over de seksuele privileges van Europeanen in de kolonies.19 Veel Nederlandse Indiëveteranen beschreven Indonesische vrouwen in hun dagboeken als ‘mysterieuze’ wezens die nogal eens ‘onschuldige dienstplichtigen’ wilden ‘verleiden’.20 Franse militairen gebruikten de kolonie ook als een plek waar ze zich seksuele escapades konden permitteren die thuis niet mogelijk waren. Het idee dat de koloniën een geschikte plek waren voor de ‘repos du guerrier’ (letterlijk vertaald als ‘de rust van de strijder’, met andere woorden ‘seks na de strijd’) werd weliswaar niet expliciet genoemd in militaire propaganda, maar het speelde wel degelijk een rol in de werving van soldaten.21 Zo regelde het Franse leger op grote schaal prostituees voor de militairen.22

Het is echter lastig te beoordelen in welke mate deze ingesleten Europese beeldvorming over gekoloniseerde vrouwen van invloed is geweest op de seksuele wandaden die Europese mannen tijdens de onafhankelijkheidsoorlogen op deze vrouwen hebben gepleegd. De interpretatie van verkrachting als een aanval op de Algerijnse of Indonesische natie – oftewel een radicale uiting van imperialistische overheersing – wordt bovendien des te problematischer als we bedenken dat in beide conflicten ook lokaal geworven militairen, en dus Algerijnse en Indonesische mannen, Algerijnse en Indonesische vrouwen hebben verkracht.

Zowel militaire archieven als egodocumenten over de koloniale uitbuiting van lokale vrouwen hebben uiteraard hun beperkingen als bron. Aannames doen op basis hiervan over de motieven van militairen om te verkrachten, iets waar vele onderzoekers zich door de jaren heen wel aan gewaagd hebben23, is dus gevaarlijk. Deze bronnen bieden echter wel inzicht in de contexten waarbinnen verkrachting voorviel, wie er over rapporteerde en waarom.

Contexten: waar en wanneer kwamen verkrachtingen in onafhankelijkheidsoorlogen voor?

Door de aard van de militaire operaties in zowel Indonesië als Algerije gingen Nederlandse en Franse troepen op zoek naar Indonesische en Algerijnse rebellengroepen die in plaatselijke gemeenschappen waren geïnfiltreerd. Zo konden situaties ontstaan waarin de ongelijke machtsverhoudingen tussen lokale vrouwen en vooral gewapende Europese mannen in uiterst gewelddadige confrontaties resulteerden. Niet alleen volwassen vrouwen, maar ook meisjes waren kwetsbaar. In de verkrachtingszaken die de rechtbank haalden, waren de slachtoffers, zowel in Indonesië als in Algerije, vaak geen volwassen vrouwen, maar meisjes van tien tot vijftien jaar.

Het doorzoeken van verdachte kampongs door Nederlandse troepen in afgelegen gebieden was risicovol voor vrouwen en kinderen. Op deze foto voert een vijftal mariniers een verkenning uit in een kampong in de buurt van Soerabaja. Als wapen wordt een .30 inch mitrailleur meegevoerd. Hugo Wilmar, Mariniersbrigade, 25 april 1946, Soerabaja. © Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, objectnummer 2174-0078. https://nimh-beeldbank.defensie.nl/foto-s/detail/6291cbe6-d71f-c06e-809f-7e1741b3183a/media/5810d976-b7d3-80ff-c38f-71d6df7e5cdd.

Vooral de nasleep van militaire zuiveringsacties in afgelegen gebieden was uitermate gevaarlijk voor vrouwen. Voor Indonesië beschreef de Nederlandse veteraan Sikke Galama de sfeer onder zijn collega-militairen in die context als volgt: ‘de drang naar vrouwenvlees – noem het voor mijn part lust, of verlangen – steekt de kop op als de angst voorbij is’.24 Als een groep mannen het slachtoffer belaagde, was dreigen met een wapen niet nodig. Deze beschrijving uit een vonnis, dat op 5 augustus 1949 werd uitgesproken tegen drie militairen van het KNIL, illustreert hoe de fysieke kracht van deze mannen tezamen een groepsverkrachting mogelijk maakt:

Eén van de drie die I. opzettelijk gewelddadig hebben aangegrepen en opgetild en in de goeboeg [wachtpost] hebben gedragen dan wel getrokken en vervolgens in die goeboeg die vrouw, die zulks niet wilde en zich verzette achterover op de vloer hebben getrokken zodat zij op haar rug kwam te liggen, terwijl hij, verdachte, daarenboven nog haar sarong van haar lijf heeft getrokken en haar enkels op de vloer heeft vastgedrukt en terwijl G. daarenboven nog haar armen op de vloer hield gedrukt. Toen zij zich niet meer verweerde hebben V. K. en G. haar verkracht.25

In 1957 beschreef de Algerijnse schrijver en leraar Mouloud Feraoun in zijn dagboek hoe Franse militairen verkrachting tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog op een veel bredere schaal hadden georganiseerd:

De vrouwen bleven thuis in de dorpen. Ze moesten de deur openlaten en apart van elkaar in verschillende kamers van elk huis blijven. Zo veranderde het douar [dorp] in een drukbezocht BMC [Bordel Militaire de Campagne, militair bordeel], waar de berginfanterie en andere legionairscompagnieën hun gang mochten gaan.26

Dit soort referenties naar verkrachting is zeldzaam onder mannen die getuige waren. Dit geldt in nog veel sterker mate voor getuigenissen van vrouwen, daar de overgrote meerderheid van de slachtoffers analfabeet was. Als ze het al aandurfden om verhaal te halen, speelde het probleem dat militairen nooit lang op een plek bleven. Tegen de tijd dat een onderzoek werd ingesteld, was de verdachte al lang met zijn eenheid vertrokken. Deze factoren maken het aannemelijk dat verkrachtingen in deze specifieke context zelden gemeld werden, en verklaren tevens waarom bronnen over dit onderwerp zo schaars zijn.

In Indonesië was er echter een specifieke categorie lokale vrouwen met wie Nederlandse militairen in de kazerne langdurig contact onderhielden: de baboes, een term die Nederlanders gebruikten om een huishoudster of kindermeisje aan te duiden. Zij deden de was, maakten schoon en kookten eten in de militaire verblijven. Elke groep van vijf tot acht militairen kon gebruikmaken van de diensten van één baboe. Bij deze ‘dienstverlening’ hoorde vaak ook het bieden van ‘seksuele ontspanning’. Het was algemeen bekend dat lokale bevelhebbers, die niet wilden dat hun mannen bij een bezoek aan een prostituee een geslachtsziekte zouden oplopen, de baboes lieten optreden als ‘veilig alternatief’. Dit betekent echter niet dat alle seksuele contacten tussen baboes en Nederlandse militairen neerkwamen op dwang en uitbuiting. In mondeling overgedragen getuigenissen en memoires typeerden Nederlandse veteranen deze relaties zelf geregeld als ‘liefdesverhoudingen’.27

Lokaal vrouwelijk personeel was standaard aanwezig in militaire posten. Nederlandse militairen gingen regelmatig intieme relaties met het vrouwelijk personeel aan, maar zij misbruikten de vrouwen ook. Zo deden ze bijvoorbeeld dienst als prostituee voor de gehele eenheid. Hier zijn vier baboes kleding van Nederlandse militairen aan het wassen. Dienst Legercontacten, 1949, Kobak Wiroe, Nederlands-Indië, collectie Koninklijke Landmacht. © Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, objectnummer 2155_019053. https://nimh-beeldbank.defensie.nl/foto-s/detail/3c20d6ba-eb18-11df-a391-13966e870614/media/f5f2c1a8-f68d-ac36-ec7c-195ec5d40182.

Bij het interpreteren van deze specifieke bronnen die vanuit het perspectief van een Nederlandse veteraan zijn opgesteld, mogen de structurele machtsverschillen tussen Nederlandse militairen en Indonesische vrouwen niet uit het oog worden verloren. Hoewel de meeste Nederlandse dienstplichtigen voor het eerst in Nederlands-Indië/Indonesië waren, profiteerden ze (vaak onbewust) van het feit dat uitbuiting van lokale Indonesische vrouwen al een lange traditie kende sinds het begin van de Nederlandse koloniale overheersing. De handelskolonie dreef in het begin vooral op de arbeid van mannen, en ontwikkelde zich gaandeweg tot een maatschappij waarin lokale vrouwen vaak als bedienden en concubines van Nederlandse mannelijke bestuurders en militairen werkzaam waren. In Algerije kwam seksuele uitbuiting van vrouwelijk huishoudelijk personeel ook voor, maar de functie van baboe bestond niet. De verzorging werd geregeld door mannelijke bedienden. Algerije was immers een vestigingskolonie, met vanaf het begin een balans tussen Europese mannen en vrouwen. De sociale structuur van het Europese kerngezin ging echter heel goed samen met een systeem van prostitutie van Algerijnse vrouwen dat door de Franse staat en krijgsmacht georganiseerd werd.

Het is lastig vast te stellen of de legering van een Indonesische baboe bij een militaire eenheid een risico vormde of juist iets meer bescherming bood. De sporen in de juridische archieven maken duidelijk dat de kans op misbruik op deze besloten plekken aanzienlijk was, gezien de structurele aanwezigheid van de baboes en hun intensieve contacten met de militairen. Tegelijkertijd suggereren deze bronnen dat de baboes door hun band met Nederlandse militairen, als hen iets overkwam, een grotere kans hadden om een spoor in de archieven achter te laten. We kunnen aannemen dat baboes, gelet op de zeer beperkte mogelijkheden tot genoegdoening voor de slachtoffers, en de ongelijke machtsverhoudingen met de Nederlandse militairen, zeer kwetsbaar waren in de besloten omgeving van de kazerne en buitenpost.

De 85-jarige Indonesische mevrouw Tremini schreef geschiedenis toen in januari 2016 een Haagse rechtbank oordeelde dat zij recht had op 7500 euro compensatie van de Nederlandse staat voor de verkrachting door vijf mannen van het Nederlandse Korps Speciale Troepen. Dit gebeurde in februari 1949 in de stad Peniwen, waar ze nog steeds woont. Haar zaak was een soort ‘bijvangst’ voor mensenrechtenadvokaat Liesbeth Zegveld, die aanvankelijk alleen een zaak over marteling in behandeling had van een Indonesiër uit Peniwen. Mevrouw Tremini is hier rechts op de foto te zien in gezelschap van ooggetuige mevrouw Sri Penganti (links) en mevrouw Handayani, de dochter van mevrouw Tremini (midden). Foto door Yvonne Rieger-Rompas, Peniwen 2014. © Yvonne Rieger-Rompas.

Het feit dat in Algerije veel van de bij ons bekende gevallen van aanranding en verkrachting – de gevallen waarvan we de namen van slachtoffers en daders gevonden hebben – in militaire hechtenis plaatsvonden, wijst én op een specifieke Algerijnse context én op het soort geweld dat papieren sporen zou kunnen nalaten. Het slagen van de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog was sterk afhankelijk van de deelname van de burgerbevolking, en daarin speelden ook Algerijnse vrouwen, die actief meevochten in het nationale bevrijdingsleger Armée de libération nationale (ALN), een speciale rol. Deze actieve militaire deelname van vrouwen betekende dat er in deze oorlog veel vrouwen werden gearresteerd, veel meer dan in Indonesië. De verhalen van deze vrouwen leggen een patroon van seksueel geweld bloot waarbij Franse militairen de vrouwelijke gevangenen steeds kwetsbaarder maakten: ze moesten zich uitkleden, ze werden beledigd, ze werden gemarteld, bijvoorbeeld door elektrische schokken op de genitaliën toe te dienen. En vervolgens werden ze verkracht. Ook hier verdient het feit dat we getuigenissen zoals die van Boupacha in handen hebben bijzondere aandacht. Terwijl de overgrote meerderheid van de Algerijnen analfabeet was, kwamen sommige van deze vrouwen in het stedelijke ALN-netwerk in Algiers uit de iets hogere klassen. Zij waren wel naar school geweest en konden schriftelijk verslag doen van wat hun was overkomen, hoe moeilijk dat ook was. Hun getuigenissen maken ook duidelijk hoe marteling en verkrachting, anders dan in Indonesië, in de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog als politiek instrument werden gebruikt.

Verkrachting als politiek instrument

Eerder in deze bijdrage beschreven we hoe onderzoekers verkrachting in de context van de Algerijnse Oorlog als een aanval op de familie en de natie interpreteren, en dus als een manier van de Franse militairen om antikoloniale Algerijnse mannen te vernederen. Dit interpretatiekader was in Algerije en Frankrijk dominant, maar ontbrak volledig in de Indonesische/Nederlandse context. Ook in de kringen van links intellectueel Nederland was er niemand die destijds, en ook later niet, de verkrachtingen door Nederlandse mannen op deze manier interpreteerde. Dit verschil werpt licht op hoe in de Algerijns/Franse context het academische interpretatiekader mede bepaald werd door een politiek discours dat gangbaar was in die periode. Tijdens de Algerijnse Oorlog bestond er immers een nationalistisch discours waarin het thema dominant was van de Franse mannelijke kolonisator die de Algerijnse familie, en in het verlengde daarvan de Algerijnse natie, vernederde door de seksuele uitbuiting van echtgenoten, moeders en dochters.

De bekendste uiting van dit discours is ongetwijfeld die van de Frans-Martinikaanse psychiater Frantz Fanon die bij het FLN actief was. In het essay ‘Algeria Unveiled’, dat in 1957 voor het eerst werd gepubliceerd in de oorlogskrant Résistance algérienne van het FLN, beschreef Fanon hoe de sluier een dynamisch symbool van verzet was geworden, zowel wanneer de Algerijnse verzetsvrouw hem draagt (en zo benadrukt dat ze niet gezien wil worden door de Franse kolonist en dat ze cultureel van deze Franse overheerser verschilt) als wanneer ze hem níet draagt (om zich onopgemerkt door Europese wijken te kunnen bewegen en er bommen te kunnen leggen). Fanon betoogt dat een verkrachting in de fantasie van de Europese man altijd met een ontsluiering begint. In Fanons ogen was de fysieke lust van Europeanen om Algerijnse vrouwen te verkrachten de symbolische manifestatie van de wens om Algerije en de gehele Algerijnse maatschappij te bezitten en domineren.28 Fanons werk heeft een belangrijke rol gespeeld in de vorming van latere narratieven over de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog. Niet alleen wordt er in de Algerijnse context meer gepraat over verkrachting dan in Indonesië, Fanons interpretatie is een fundamentele manier geworden om over de oorlog te praten. Tot op de dag van vandaag heeft Fanon nog steeds invloed op hoe wetenschappers de rol van verkrachting in oorlogstijd verklaren.29

Hoewel er in Indonesië gevallen van verkrachting bekend waren, is hier geen nationalistisch discours ontstaan waarin de seksuele uitbuiting en de verkrachting van Indonesische vrouwen door Nederlandse mannen werden gehekeld als metafoor voor de Nederlandse koloniale dominantie, of publiekelijk werden gepresenteerd als bewijs voor het onrechtmatige karakter van de Nederlandse aanspraak op Indonesië. De Indonesische onafhankelijkheidsbeweging trachtte internationale steun voor haar zaak te mobiliseren door gebruik te maken van een juridisch discours. De Nederlandse rekolonisatie, zo stelde de zelfbenoemde Indonesische republikeinse regering, was onwettig. Zij beriep zich op het nieuwe internationale discours waarin werd gesproken over het universele recht op zelfbeschikking en riep de internationale gemeenschap en de in 1945 opgerichte Verenigde Naties op om de onafhankelijkheid van Indonesië te erkennen.30 Dat was ook het referentiekader van de Algerijnse nationalisten, en ook zij vergeleken het door de kolonist gepleegde geweld met dat van de nazi’s.31 Maar het agenderen van de exploitatie van lokale vrouwen lieten de Indonesiërs achterwege.

De omgang met seksueel geweld tegen vrouwen was in de Indonesische en Algerijnse context dus heel verschillend. De invloed van de Tweede Wereldoorlog en de ontwikkelingen rond het taboe op seksualiteit spelen hier een rol. De onafhankelijkheidsoorlogen vonden immers plaats in verschillende periodes, respectievelijk 1945-1949 en 1954-1962, en in verschillende geografische gebieden. Indonesië had in 1945 net een periode van massale gedwongen prostitutie onder Japanse bezetting (1942-1945) achter de rug, waarbij Europese, Indo-Europese en Indonesische vrouwen als seksslavinnen voor de Japanse troepen werden gebruikt. Hier werd destijds echter nauwelijks over gepraat. Zelfs toen het taboe op dit onderwerp in de jaren negentig van de vorige eeuw geleidelijk werd doorbroken, stond in de Nederlandse publieke discussie het lijden van Nederlandse en Indo-Europese vrouwen centraal, terwijl verreweg de meeste van deze zogenaamde ‘troostmeisjes’ Indonesische vrouwen waren.32

In de jaren zestig, toen het denken over seksueel geweld langzaamaan begon te veranderen, had dit een sterke invloed op de kennis over verkrachting tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog en de impact daarvan. Zohra Drif, lid van de stadsguerrilla van het FLN in Algiers, schreef in 1961 op uitnodiging een pamflet voor Les Temps modernes, het literaire tijdschrift van de Franse schrijvers en politieke activisten Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir. In La mort de mes frères [De dood van mijn broeders] schetste Drif een portret van Algerijnse vrouwen als slachtoffers van moord, geweld en verkrachting, en van Algerijnse mannen die zij door deze Franse aanslag op ‘hun’ vrouwen als ontmand presenteerde.33 In een interview in 2005 legde ze uit dat ze een paar van de ergste aspecten van de oorlog had willen belichten om ‘invloed uit te oefenen op een bepaald segment van de bevolking [van Frankrijk]’.34 Deze handelswijze deelden Drif met vele vrouwen en mannen in het FLN, aangezien zij inderdaad precies wisten met welk soort getuigenissen over geweld ze het beste de internationale opinie tegen de Fransen konden keren.

Het is in deze context dan ook geen toeval dat de getuigenis van Djamila Boupacha in 1961 naar buiten werd gebracht door haar advocate Gisèle Halimi, lid van het advocatencollectief van het FLN. Deze solidariteit werd ook getoond door andere activisten die zich inzetten voor de Algerijnse onafhankelijkheid, zoals De Beauvoir. Boupacha paste in het ideaaltypische beeld van een slachtoffer van verkrachting uit die tijd: ze was jong, Frans geschoold en maagd. Dit maakte het gemakkelijk voor het Franse publiek om zich met haar te identificeren. Ze was bereid haar lijdensweg politieke betekenis te geven door voor de rechter resoluut te verklaren dat ze na haar arrestatie was gemarteld en verkracht en dat ze door een arts onderzocht moest worden. Voor het FLN belichaamde zij de barbaarsheid van het Franse leger in Algerije en legde ze de leugen van de Franse ‘beschavingsmissie’ bloot.

De zaak Boupacha vormde bovendien een belangrijke opmaat naar de latere campagnes die haar aanhangers in antikoloniale, Frans-Tunesische en Franse feministische kringen, zoals Halimi en De Beauvoir, lanceerden voor het lichamelijk zelfbeschikkingsrecht van de vrouw in het algemeen. Zo startte Halimi in de jaren zeventig rechtszaken tegen de restrictieve Franse abortuswetgeving, en droeg ze in 1980 ook bij aan een nieuwe definitie van verkrachting in het Franse rechtssysteem, waarmee wetgeving uit 1810 werd vervangen.

De verkrachtingen van Indonesische vrouwen tijdens hun onafhankelijkheidsstrijd kregen pas veel later politieke impact. Pas tijdens de oorlogen in Rwanda en Joegoslavië in de jaren negentig werd in de media echt goed zichtbaar hoe verkrachting kon dienen als oorlogswapen. Een stroom van mensenrechtenactivisme kwam hierdoor op gang, waarin ook historische gerechtigheid voor de slachtoffers van onafhankelijkheidsoorlogen werd geëist. Verkrachtingszaken uit de Frans-Algerijnse, Brits-Keniaanse en Nederlands-Indonesische oorlogen konden langs de gerechtelijke weg worden heropend. In Frankrijk belemmert een reeks na 1962 aangenomen amnestiewetten echter nog steeds het plaatsvinden van rechtszaken tegen de Franse staat voor misdaden die tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog zijn gepleegd. Voor de Keniaanse en ook de Indonesische slachtoffers waren de rechtszaken meer succesvol.35 Op 26 januari 2016 won de toen 85-jarige Indonesische mevrouw Tremini, die in februari 1949 in het Javaanse dorp Peniwen door vijf leden van het Korps Speciale Troepen werd verkracht, een rechtszaak tegen de Staat der Nederlanden. Haar zaak werd door de mensenrechtenorganisatie Komite Utang Kehormatan Belanda (KUKB,Stichting Comité Nederlandse Ereschulden) aan het licht gebracht en aangenomen door mensenrechtenadvocaat Liesbeth Zegveld.36 Deze zege met betrekking tot berechting van seksueel geweld in een gewapend conflict van lang geleden is uniek. Navolging hiervan binnen en buiten Nederland zou best kunnen leiden tot een groter begrip voor de rol van verkrachting in onafhankelijkheidsoorlogen in de wetenschap, politiek en maatschappij.

Conclusie

Als we het voorkomen van verkrachtingen in de Indonesische en Algerijnse onafhankelijkheidsoorlogen willen vergelijken, moeten eerst de bekende dominante interpretatiekaders worden onderzocht. Overeenkomsten tussen beide casussen zijn er zeker: het stereotyperen van gekoloniseerde vrouwen, het gevaar voor verkrachting in de context van verzetsbestrijding, en de schaarse mogelijkheden om hun stem te laten horen en om genoegdoening te verkrijgen. Maar de verschillen zijn nog veel opvallender. De baboes die in Indonesische kazernes werkten, bestonden in Algerije niet. Er is een klein aantal zaken bekend waarbij baboes betrokken waren en die hebben geleid tot strafvervolging. Het is echter onbekend hoeveel baboes gezien de omstandigheden niet werden gehoord. We moeten vooral niet vergeten dat de vervolging van daders afhankelijk was van getuigenverklaringen van collega-militairen met een sterk gevoel voor discipline en/of een emotionele band met deze vrouwen. Dat geluk had de overgrote meerderheid van de Indonesische en Algerijnse slachtoffers niet.

Deze vergelijking laat duidelijk zien hoe in de Algerijnse context verkrachting werd gepolitiseerd en ingezet als propagandamiddel in de antikoloniale strijd. Het ‘frame’ van verkrachting als een aanval op de familie en de natie moet dus niet ‘slechts’ als een wetenschappelijke interpretatie worden gezien, maar ook als deel van een politieke discours tijdens en na de Algerijnse oorlog. Politici en activisten negeerden hierbij elementen van het narratief die niet pasten in de tweedeling kolonist/gekoloniseerde, zoals de rol van lokale Algerijnse en Indonesische troepen die aan de kant van de kolonisator streden en betrokken waren bij het seksueel geweld tegen lokale vrouwen.

Het is de taak van de onderzoeker om heel goed te luisteren naar de getuigenissen van de vrouwen zelf, om de archieven nauwgezet te bestuderen en vooral ook om tussen de regels door lezen. Orale bronnen, hoe gefragmenteerd en lastig vindbaar ze ook zijn, moeten gekoesterd worden, omdat ze vaak indirecte of subtiele verwijzingen bevatten naar pijnlijke herinneringen. Deze kunnen ons iets vertellen over in welke context de vrouwen kwetsbaar waren voor seksueel geweld, welke strategieën ze hanteerden om zichzelf te beschermen of, indien ze slachtoffer werden, te leren omgaan met de fysieke en mentale consequenties.37 Militaire archieven zijn onmisbaar en vormen ook in zekere zin de legitimering voor het bestaan van de krijgsmacht. Maar als het gaat om vormen van geweld in een gewapend conflict waar sekse een bepalende factor is, zoals bij verkrachting, zou de aandacht verplaatst moeten worden van de motieven van daders, die overvloedig aan bod komen in de literatuur, naar de versleutelde herinneringen van slachtoffers. Meer in het algemeen is deze bijdrage een uitnodiging voor het Nederlands publiek om hun kennis over geweld gepleegd door Nederlandse militairen uit te breiden. Een aantal stereotypische categorieën is langzaamaan opgenomen in de Nederlandse beeldvorming over de oorlog in Indonesië – de executie van onschuldige burgers, het afbranden van kampongs, het martelen van gevangenen met elektroden – maar als het Indonesische vrouwen betreft komt daar een relatief onbekend pijnlijk feit bij: de verkrachting van Indonesische vrouwen door militairen van de Nederlandse krijgsmacht.