Inleiding

Deze bijdrage compliceert het traditionele beeld van revolutionair en contrarevolutionair politiek geweld tijdens de lange periode van dekolonisatie na 1945 door de plaatselijke dynamieken van dit geweld centraal te stellen. Wij analyseren de ervaringen van onveiligheid onder de plaatselijke bevolking en hun rol in het politieke geweld, oftewel de vaak onbekende microgeschiedenissen van dekolonisatie. Deze analyse toont aan dat de gewelddadige dekolonisatie vanuit dit perspectief vaak anders verliep dan de meer bekende macrogeschiedenissen van dekolonisatie, waarin de afbrokkelende koloniale staten en de staten-in-wording de hoofdrol spelen, doen vermoeden.1 In deze macrogeschiedenissen is de lokale bevolking vaak enkel aanwezig als bron van steun voor, maar ook als doelwit van, hen die de strijd volgens een bepaalde politieke agenda willen beslechten. Anders gezegd, lokale burgers ondervonden geweld en worden veelal passief opgevoerd.2 Deze bijdrage, daarentegen, sluit aan bij recente literatuur waarin de studie van de motieven van burgers om aan geweld deel te nemen wordt gecombineerd met het idee dat bepaalde gemeenschappen allianties aangaan met partijen die sterker zijn dan zijzelf en dit vaak doen met het oog op overleven en het najagen van (politieke) belangen.3 Een laatste veld waarop deze bijdrage aansluit, is onderzoek naar de redenen waarom revolutionairen en ‘counter-insurgency’ het zinvol vinden om de burgerbevolking aan te vallen.4

We richten ons hierbij op een vergelijking van casussen uit laat-koloniale gebieden in Zuidoost-Azië en Afrika. De Nederlands-Indonesische oorlog, de conflicten in Frans-Indochina en Brits-Maleisië worden vergeleken met die van de Franse overheersing van Madagaskar en Algerije. In deze laatste twee gebieden pakte de strijd tussen revolutionairen en contrarevolutionairen heel verschillend uit: de Malagassische opstandelingen verloren de strijd, terwijl de Algerijnse Revolutie slaagde. Door te onderzoeken waarom de intensiteit van geweld tussen verschillende locaties binnen één en hetzelfde conflict zo sterk verschilde, proberen wij te verklaren waarom burgerbevolkingen op sommige plaatsen meer blootstonden aan het geweld van de koloniale staat en/of van antikoloniale groeperingen.

De patronen van het gebruik van geweld tegenover plattelandsgemeenschappen in Nederlands-Indië/Indonesië, Frans-Indochina, Brits-Maleisië, Madagaskar en Algerije staan hier centraal.5 Zij werden blootgesteld aan georganiseerd geweld van zowel het koloniale bewind en zijn lokale hulptroepen als van antikoloniale staten-in-wording en groeperingen die zich daarmee identificeerden. De vergelijking heeft niet als doel een verklaring te geven van de verschillende politieke uitkomsten van de dekolonisatieconflicten. De vergelijking toont vooral dat de strategieën van geweld tegen lokale burgerbevolkingen microdynamische patronen onthullen die de grenzen van individuele koloniale rijken overstijgen.

In deze bijdrage worden de lokale dynamieken van geweld aan de hand van drie thema’s bestudeerd die duidelijk maken dat er bepaalde plaatselijke omstandigheden en fysieke omgevingen bestonden waarin het gebruik van geweld opvallend sterk toenam. Deze thema’s, zo menen wij, worden in de meer macrohistorische benaderingen vaak onproblematisch weergegeven. Het eerste thema betreft de asymmetrische aard van dekolonisatieoorlogen, waarin antikoloniale strijders (aanvankelijk) over minder oorlogsmiddelen beschikken, en de daarbij onontkoombare vraag: hoe kunnen de zwakken de sterken verslaan? Deze vraag blijft courant in militair-historische studies over de operationele dans tussen ‘opstandelingen’ die losse guerrillacellen proberen te verenigen in een conventioneel leger en de koloniale legers en politiemachten die dit proberen te voorkomen.6 Veelal hebben dergelijke strategische studies als doel aan te tonen hoe koloniale legers een onzichtbare vijand beter te lijf konden gaan, frequent met negatieve gevolgen voor hoe moderne conflicten worden betracht.7

De bevolking wordt in deze voorstelling van zaken regelmatig weggedrukt als studieonderwerp. Wij benaderen het vraagstuk van asymmetrie anders. In plaats van ons te richten op de verschillende wijzen waarop de strijdende partijen geweld ontplooiden, kijken wij naar de overeenkomsten in de manieren waarop zowel ‘opstandelingen’ als koloniale troepen permanente zeggenschap probeerden te krijgen over de levensbehoeften van de lokale plattelandsgemeenschappen zoals voedsel, onderdak en basale welzijnszorg. De controle over deze levensbehoeften wordt veelal ‘biopolitiek’ genoemd en is, zo suggereren wij, karakteristiek voor de dekolonisatie-oorlogen met name in agrarische samenlevingen.

In deze bijdrage wordt de burgerbevolking als een actor benaderd. Dit leidt naar het tweede thema: ‘wie vecht er?’ Dit thema handelt over de rol van dat deel van de lokale bevolking dat, al dan niet vrijwillig, actief deelnam aan het geweld als lid van (paramilitaire) troepen aan de kant van de opstandelingen, hun koloniale vijanden of, zoals wij aantonen, aan beide kanten. Naast Europese en plaatselijk gerekruteerde reguliere legereenheden werden gemeenschappen geconfronteerd met geweld dat gepleegd werd door lokale, vaak zeer basaal getrainde en bewapende gelegenheidstroepen. De reden hiervoor is dat koloniale oorlogen en de wijze waarop zij uitgevochten werden – voornamelijk door de lokale bevolking tegen de lokale bevolking – maakten dat dergelijke conflicten veel gemeenschappelijk hadden met burgeroorlogen.8

De gewelddaden van de irreguliere paramilitairen laten zien dat zij, hoewel zij vaak in opdracht van anderen opereerden, ook hun eigen veiligheid en andere belangen hoog in het vaandel hadden staan. Door deze irreguliere strijders te analyseren, tonen wij aan dat categorieën die vaak als vaststaand worden beschouwd, bijvoorbeeld die van rebel versus loyalist of van paramilitair versus niet-strijder, in werkelijkheid veel flexibeler waren. Wat ons vooral interesseert, is hoe mensen ertoe werden gebracht – al dan niet uit eigen beweging – deel te nemen aan gevechtshandelingen, of deze te ontlopen. Zelden of nooit gebeurde het dat iemand zonder aanleiding en zonder omwegen besloot te participeren in de antikoloniale strijd, of andersom, zich zonder aarzeling definitief loyaal verklaarde aan het koloniale regime. Wij stellen daarom dat binaire definities van rebellen dan wel loyalisten te rigide zijn.

De ‘wie vecht er?’-vraag hangt nauw samen met het derde en laatste thema: ‘targeting’, ofwel het tot doelwit maken van mensen die niet bij oorlogshandelingen betrokken waren. Hele gemeenschappen stonden vanwege hun onduidelijke status van ‘burger’ bloot aan onderdrukking door zowel rebellen als overheidstroepen, aangezien beide partijen rekenden op bevolkingssteun. Een voorbeeld van targeting is wanneer rebellen lokale gezagsdragers tot voorbeeld stelden door hen te vermoorden of ontvoeren vanwege hun vermeende samenwerking met koloniale autoriteiten of bedrijven. Arbeiders, handelaren of anderen zonder duidelijke politieke banden werden steeds kwetsbaarder voor geweld van alle strijdende partijen naarmate de conflicten escaleerden. Van burgers werd verwacht dat zij hun neutrale houding opgaven. Enerzijds dwongen revolutionaire strijders hen onderdak, ‘intelligence’ en voedsel te verschaffen, of Europese plantages te saboteren. Anderzijds werden de burgers, die zich überhaupt al niet op wettelijk verdedigbare burgerrechten konden beroepen, door de koloniale civiele en militaire autoriteiten collectief gecriminaliseerd op het vlak van hun alledaagse activiteiten zoals het dorp verlaten, naar het werk gaan, of het in groepen samenkomen. Dit soort strengere wettelijke beperkingen van bewegingsvrijheid, zoals verwoord in de noodwetten in Brits-Maleisië en de ‘états d’urgence’ in Algerije, staan bekend als ‘lawfare’.

Zulke restricties, zogenaamd geïmplementeerd ter bescherming van de bevolking, bewijzen het idee dat koloniale autoriteiten met hun eigen blinde vlekken kampten. De implementatie van dergelijke wetten destijds, echter, doet vermoeden dat de koloniale machthebbers een onderscheid konden aanbrengen tussen sympathisanten en revolutionairen en dat de ‘hearts and minds’ van lokale gemeenschappen daadwerkelijk naar de koloniale overheersers konden uitgaan. Met andere woorden: dat een opstand door militairen uitgestampt kon worden door hele gemeenschappen gelijktijdig voor het politieke programma van de koloniale staat te winnen. Dat dit onderscheid veelal fictief bleek, is een punt waaraan onderzoekers soms voorbij gaan wanneer zij nagaan hoe doeltreffend een koloniale macht een opstand te lijf ging.9 Sommige politieke wetenschappers proberen bijvoorbeeld te voorspellen onder welke omstandigheden opstandelingen de burgerbevolkingen tot doel maken, en gaan er op basis van grote datasets zomaar vanuit dat hele dorpen dezelfde houdingen deelden.10

De analyse van deze drie thema’s legt bloot dat het gebruik van geweld opvallend sterk toenam in een bepaald type omgeving, die wij aanduiden als ‘interne grensgebieden’. In deze gebieden botsten veiligheidstroepen van de koloniale staat en opstandelingen het hardst in hun pogingen om medewerking van de lokale bevolking, en daarmee dus ook structurele sociale controle, af te dwingen. In deze streken was de macht van zowel de koloniale staat als van hen die deze staat wilden vernietigen niet groot genoeg om te kunnen dicteren hoe de bevolking zich gedroeg. Geweld in de vorm van voedsel- en bewegingsrestricties, maar ook brandschatting en beschieting, werd gebruikt om medewerking af te dwingen. Een dergelijke conceptualisering van hoe de bevolking benaderd, behandeld en in het geweld meegezogen werd, sluit aan op recentelijke inzichten waarbij de langdurige controle over territorium zich vanzelf zou vertalen naar controle over de bevolking aldaar.11 Het idee van interne grenzen draagt bij tot het vinden van verklaringen voor de plaatselijke variaties in het gebruik van geweld; als het ware sub-nationale variaties die in macrobenaderingen soms over het hoofd worden gezien.

Neem bijvoorbeeld de Aurès-Nememchas, een ruig heuvellandschap in het oosten van Algerije. Ondanks de felle rivaliteit tussen de Algerijnse bevelhebbers van verschillende opstandige groepen in dit gebied, bleef de regio vanaf het begin van de Algerijnse Oorlog (1954-1962) een bolwerk van het bevrijdingsfront Front de libération nationale (FLN). Een Franse bestuurder oordeelde dat de Aurès zo ondermaats bestuurd werd dat de lokale bevolking überhaupt niet het gevoel had dat er een Franse overheid was. Hoewel de betwiste dorpen van de Aurès in geografisch opzicht een eind verwijderd liggen van de Algerijns-Tunesische grens in het oosten, kunnen zij als grensgebieden worden beschouwd, aangezien dit grijze gebieden waren waar de macht van de Franse koloniale staat versnipperd was.12 In dit soort interne grensgebieden was het vooral de bevolking die het slachtoffer was van het geweld dat dagelijks werd gepleegd door paramilitaire dorpswachten, politiemannen en soldaten – die nominaal onder Europese controle stonden – of door rebellen en hun plaatselijke aanhangers. Zelden waren er voor dergelijke groepen juridische consequenties verbonden aan het fysieke, seksuele of psychische geweld dat zij hun slachtoffers aandeden. Wij stellen dat er een sterke band bestaat tussen de microdynamiek van geweld – variërend van repressieve terreur en wraaknemen tot verkrachting en andere vormen van misbruik – en de aard van interne grensgebieden, waarbij daders en slachtoffers elkaar soms goed kenden. Geweld werd zogezegd ‘intiem’. Van de Oost-Malagassische hooglanden tot de dorpsranden van de ‘New Villages’ in Maleisië, overal vochten koloniale en antikoloniale troepen een hevige strijd uit om de patronen van grondbezit opnieuw in te richten, het gezinsleven te reguleren, cultureel gedrag te transformeren, of meer algemeen gesproken, om de bevolking ‘zichtbaar’ en dus controleerbaar te maken.

Onze vergelijking van casussen in Zuidoost-Azië en Afrika laat zien dat de microdynamiek van deelname aan geweld lokaal gezien minder te maken had met het niveau van dekolonisatie waar de hoge politiek zich afspeelt – zoals bijvoorbeeld onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van koloniale staten en de staten-in-wording – maar des te meer met de mate van plaatselijke onveiligheid waarmee gemeenschappen te kampen hadden. Die onveiligheid werd gevoed door de continuïteit – of het gebrek daaraan – in bestuurlijke diensten en rechterlijke instanties en de aan- of juist afwezigheid van Europese koloniale troepen en/of hun revolutionaire tegenstanders. Een voorbeeld hiervan zien we in Algerije. Hier werd in 1955 het innen van belastingen voor de Franse koloniale overheid steeds problematischer. De Franse belastinginspecteurs en de Algerijnse dorpsoudsten die gegevens moesten aanleveren over huishoudens, vee en grondbezit, werden steeds vaker het doelwit van de FLN of van boze dorpsbewoners die met zowel belastingaanslagen van de overheid als FLN-inzamelingen geconfronteerd werden.13 Toen de zomer van 1955 eenmaal aanbrak, was het in plattelandsgemeenschappen met een sterke FLN-vertegenwoordiging zo goed als onmogelijk geworden om nog belastingen te innen. Dit voorbeeld toont dat de Algerijnse Oorlog, die door sommige commentatoren vooral als een binaire strijd tussen Franse veiligheidstroepen en Algerijnse nationalisten wordt gezien, voor de inwoners van gebieden waar zich een voortdurende cyclus van geweld voordeed, veel willekeuriger en complexer aanvoelde.14

De asymmetrie van geweld

De analyse van het eerste thema, de asymmetrie inzake de toegang tot geweldsmiddelen tussen guerrilla’s en koloniale troepen, kan goed bestudeerd worden aan de hand van de Malagassische Opstand van 1947 en het conflict in Brits-Maleisië tussen 1948-1960, de ‘Malayan Emergency’. Wat betreft de oorsprong en het verloop van het geweld in Frans-Madagaskar kan gesteld worden dat er twee geschiedenissen naast elkaar bestaan: een macro- en een microgeschiedenis. De eerste is de bekendste: dit is het verhaal van een nationalistische opstand die werd gecoördineerd door de politieke beweging Mouvement démocratique de la rénovation malgache (MDRM). In deze macrogeschiedenis leidde een combinatie van politieke marginalisatie van de etnische groeperingen die de ruggengraat van de MDRM vormden, de hooggespannen verwachtingen ten aanzien van de naoorlogse hervormingen en de beperkende maatregelen die de politie oplegde aan de leiders van de MDRM tot de uitbraak van een duidelijk antikoloniale revolutie.15

De plaatselijk gewortelde microgeschiedenissen zijn minder eenduidig en schetsen een geschakeerd beeld van overlappende problemen op dorpsniveau. Hierin speelt niet zozeer de ideologische strijd van de MDRM tegen het Franse koloniale bestuur een rol, maar vooral de strijd van individuele boeren en gezinnen om bestaanszekerheid. Na de Tweede Wereldoorlog veroorzaakten enorme prijsstijgingen alom moeilijkheden. In sommige gebieden resulteerde dit in hongersnood. Eind 1945 en in 1946 werd het provinciale bestuur bovendien geherstructureerd waardoor de koloniale bestuurders meer budgettaire verantwoordelijkheden kregen. Centraal in deze operatie stond de oprichting van zestien regionale belastingkantoren onder leiding van inspecteurs die het innen van de verhoogde hoofdelijke belastingen overlieten aan de plaatselijk gerekruteerde gendarmerie.16 Het misnoegen dat deze bestuurlijke aanpassingen onder dorpsbewoners teweeg bracht, werd versterkt door het feit dat de koloniale overheid in Madagaskar geen Services des affaires indigènes had. In Franse territoria elders werd vanuit dergelijke kantoren de lokale opinie gepeild en werden beleidsvoorstellen van ambtenaren in het veld aan de gouverneur doorgegeven. De afstand tussen de districtsbesturen en het kantoor van de koloniale gouverneur werd zo overbrugd. Het districtsbestuur kon ook persoonlijk worden aangesproken, meestal door een lokale vertegenwoordiger van een dorp, stam, werkplaats of een andersoortige organisatie. In het naoorlogse Madagaskar bestonden dit soort connecties niet. Wat dit toch al typisch koloniale probleem in Madagaskar nog onoverkomelijker maakte, was dat de invloed van traditionele hoofdmannen verder de kop werd ingedrukt ten voordele van de economische belangen van de Europese plantages.

Het was geen toeval dat de gebieden die door deze problemen geteisterd werden eveneens sterk figureerden in de opstand van 1947. De nieuwe belastingkantoren werden het doelwit van aanslagen; de meesten sloten hun deuren. Gewapende rebellen en loonarbeiders vonden elkaar in het plegen van politiek gemotiveerd geweld. Ze verbrandden Europese koffieaanplant en legden hinderlagen voor bestemmingsverkeer tussen Europese plantages. Deze activiteiten, voorbeelden van klassiek agrarisch verzet, laten zien dat het plaatselijk ongenoegen, en niet per se idealen gekoppeld aan een omlijnd idee van onafhankelijkheid, het fundament van de verzetsdaden was. De manieren van verzet onderstreepten bovendien het gebrek aan wapens die nodig waren voor het daadwerkelijk doen wankelen van het koloniale systeem. Agrarische geweldsdaden hadden zodoende duidelijk politiek-economische doeleinden, maar waren eveneens performatief. Deze daden kregen betekenis in een context van onderdrukking en asymmetrische machtsverhoudingen die zowel daders als ooggetuigen van dichtbij kenden. Het platbranden van exportgewassen reflecteerde de grenzen van hetgeen de onderdrukte gemeenschap pikte.

Nadat Indonesië zich in augustus 1945 onafhankelijk van Nederland verklaarde leidden soortgelijke factoren zowel daar als in Brits-Maleisië tot zeer intense guerrillaoorlogen. In Brits-Maleisië vormde de combinatie van de Japanse bezetting, een slecht doordacht Brits plan voor een Maleisische Federatie, Sino-Maleise spanningen en het draagvlak van Chinese arbeiders voor de Maleisische Communistische Partij (MCP) een vruchtbare bodem voor geweld. Op 16 juni 1948 kookten de spanningen tussen het Britse regime en de MCP over. Nadat leden van MCP’s Maleise Nationale Bevrijdingsleger (MNLA; Malayan National Liberation Army) in Perak drie Britse planters hadden vermoord en elders twee Chinese arbeiders, riepen de Britten de noodtoestand uit, verboden ze oppositiebewegingen en voerden ze massa-arrestaties uit.17

Hoewel de MCP grotendeels bestond uit Chinezen ondersteunden weinigen van de 2,3 miljoen Chinezen actief de doelstellingen van de partij. De Britten negeerden dit feit moedwillig en maakten daarmee de terechte aanklacht van de Chinese bevolking over henzelf waar, namelijk dat de koloniale autoriteiten aan willekeurige repressie deden. Koloniale bestuurders en Maleise elites wuifden Chinese grieven weg en riepen de ‘Federatie van Malakka’ uit, die het primaat van de Maleiers verstevigde en de minderheden in de kolonie uitsloot.18 Tegelijkertijd begonnen de staatstroepen een meedogenloze ‘antiterreurcampagne’ die werd gevolgd door de gedwongen groepering van Chinese gemeenschappen. Conform het zogeheten Briggs’ Plan sloten de koloniale autoriteiten de Chinese gemeenschappen op in ‘New Villages’, een eufemistische benaming voor wat aanvankelijk in wezen kampen waren. Tegen december 1952 waren ongeveer een half miljoen etnische Chinezen met geweld verplaatst.

Deze systematische en gedwongen verhuizing verergerde in eerste instantie de kloof die bestond tussen de Chinezen aan de ene kant en de Britten en Maleiers aan de andere kant. De woningen van hele Chinese gemeenschappen werden verwoest. De ‘New Villages’ hadden slechte elementaire voorzieningen en onvoldoende landbouwgrond. Door de plotse aanwezigheid van groepen Chinese arbeiders die ze met harde hand uit hun eigen leefomgeving hadden verwijderd, creëerden de Britten een chronisch arbeidersoverschot in de plaatselijke economie. Met prikkeldraadafzettingen, avondklokken en voortdurend politiegeweld kregen de ‘New Villagers’ een nieuwe status aangemeten van potentiële ‘terroristen’ die bijgevolg continu in de gaten moesten worden gehouden.19

In de loop van 1951 begon het leven in deze dorpen enigszins te verbeteren. Nu de verplaatsingscampagne bijna was voltooid en zich plots economisch gunstige omstandigheden voordeden, kwam er meer geld beschikbaar om de dorpen op te knappen.20 Gelijktijdig nam de MCP gas terug. De ‘Oktober 1951 Directieven’ van de MCP kondigden de verdere consolidatie van de opstand af. Volgens deze richtlijnen vestigde de MNLA zich dieper in de jungles en diende de verloren gegane connectie met de achterban van de MCP hersteld worden. MNLA’s militaire operaties moesten zich meer op de Britse veiligheidstroepen en minder op de Chinese bevolking richten. Als gevolg daarvan kregen de Chinezen in de ‘New Villages’ een adempauze. Britse tactieken van verzetsbestrijding werden ook minder invasief.21 Tegelijkertijd maakte de door de Britten gesteunde Malaysian Chinese Association (MCA) handig gebruik van deze situatie om Chinese gemeenschappen eindelijk van een politieke stem te voorzien. Het ledental van de MCA groeide gestaag door in te spelen op de verontwaardiging die onder Chinezen was ontstaan omdat zij door zowel de Maleiers als de koloniale overheid werden geassocieerd met de MCP.22 De MCA gebruikte de verbeterde omstandigheden om zich als beschermer van de Chinese bevolking te presenteren. Met geld van de MCA en gesteund door de Britten kregen de ‘New Villages’ langzaamaan, maar niet overal, verbeterde voorzieningen.23 De acties van de MCA en de Britten zorgen ervoor dat de aanklacht van de MCP, dat de ‘New Villages’ in feite concentratiekampen waren, aan geloofwaardigheid verloor.24 De Britten waren er dan ook als de kippen bij om de verbeteringen in de ‘New Villages’ in te zetten in hun propagandaoorlog tegen de MCP.

Deze sectie laat zien hoe wij het gebruikelijke beeld over geweldsasymmetrie hebben gecompliceerd. In plaats van te focussen op de verschillen tussen de middelen die antikoloniale en koloniale troepen ter beschikking hadden, toonden wij hoe beide partijen tot een soortgelijke benadering van de lokale bevolking kwamen. Deze benadering behelsde de controle over plaatselijke gemeenschappen door hen bepaald gedrag op te leggen en door bijvoorbeeld de toegang tot levensmiddelen te reguleren. De pogingen van koloniale autoriteiten, maar ook van hun tegenstrevers, om deze asymmetrie op te lossen – veelal door geweld – konden nooit finaal zijn. Hoewel de Britten meer en meer in staat bleken de MCP van de bevolking weg te houden en claimden dat de ‘New Villages’ veilige havens waren, leefden inwoners in sommige dorpen echter nog steeds onder schrijnende omstandigheden van armoede en voortdurende intimidatie, veelal van alle kanten.25 Nog in 1956 protesteerden rubbertappers in zes ‘New Villages’ in Pahang tegen de strenge levensmiddelencontroles, mogelijk op aandringen van familieleden die de MNLA steunden.26 Deze voorbeelden van de microdynamiek van politiek geweld laten zien dat, hoewel er van bovenaf bekeken sprake leek te zijn van verbeterde veiligheid, deze interne grensgebieden voor de lokale bevolking tot aan het einde van de Maleisische noodtoestand frontlinies van de revolutie bleven.

Een demonstratie op 4 september 1947 tegen de wandaden van de Republikeinse strijdkrachten tegen de Chinese bevolking aan de oostkust van Sumatra. Op het balkon van de ambtswoning van de Chinese Consul houdt de heer Chang Kee Nan, President van de Chinese Ass. Union, een toespraak. Rechts van hem de Chinese Consul, de heer Lee Djin Gun. Links staat het hoofd van de PAT, de heer Lim Seng. © Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, collectie Rups, objectnummer 2164-014-025. https://nimh-beeldbank.defensie.nl/foto-s/detail/d456474a-cc07-be54-56dc-9151e60b8978/media/6723e409-4aa3-e645-6cd2-afa2db88e631.

Geweldswerkers en paramilitairen

Om gewelddadige politieke doeleinden te kunnen nastreven moesten rebellengroepen zichzelf eerst buiten het bereik van de koloniale staat plaatsen. Anders dan bijvoorbeeld de Republikeinse troepen in delen van Indonesië, is dit de Malagassische rebellen nooit gelukt. In andere gevallen, zoals in Algerije en Frans-Vietnam, was de revolutionaire organisatie afhankelijk van transnationale netwerken, illegale grensoverschrijdingen, internationale aanvoer van munitie en toevluchtsoorden in buurlanden. Maar in hoeverre bepaalde diezelfde dynamiek, dus het uit handen blijven van de troepen van de koloniale staat, de activiteiten van lokale milities, paramilitairen, ‘zelfverdedigingstroepen’ en andere groepen van geweldswerkers die minder contacten, minder bewegingsvrijheid en een meer informele organisatie hadden?

Op papier konden koloniale staten grote aantallen lokale inwoners rekruteren in hun voortdurende pogingen een uitgebreid veiligheidsapparaat op te tuigen. Maar vanuit het perspectief van de microdynamiek van geweld bekeken, blijkt dat deze geweldswerkers op lokaal niveau niet bepaald de koloniale belangen nastreefden. In dit tweede deel richten we ons op twee sterk verschillende milities in Indonesië die officieel aan de Nederlandse kant streden, namelijk de Ondernemingswacht – dit waren paramilitairen die op de vele Europese plantages opereerden – en het etnisch Chinese veiligheidscorps Pao An Tui (PAT). De Nederlandse koloniale staat ronselde en bewapende ongeveer 20.000 lokale inwoners, onder wie voornamelijk plantagearbeiders, voor de ondernemingswachten. Zij bewaakten de interne grensgebieden en probeerden enige bewegingsvrijheid te behouden door zichzelf neutraal op te stellen ofwel door afspraken te maken met zij die het op de plantages voorzien hadden. De ondernemingswachten die vaak ongetraind, slecht bewapend en aarzelend waren om zich in het geweld te mengen, stonden aan het ene uiteinde van het spectrum van geweldswerkers. Aan het andere uiteinde stonden de beter georganiseerde, beter bewapende Chinese PAT-eenheden, die veeleer als ‘geweldsondernemers’ de lokale onveiligheid in het voordeel van hun groep uitbuitten.

In de ogen van het Indonesische verzet waren zowel de ondernemingswachten als de PAT-eenheden collaborateurs. De ondernemingswachten zochten vaak de neutrale weg door samen te werken met familieleden of bekenden in het verzet.27 Als belangrijke minderheid die tussen de Indonesiërs en de Nederlanders in stond, kozen Chinese gemeenschappen een andere weg naar neutraliteit, een die afhankelijk was van lokale machtsverhoudingen. Daar waar de Republiek de scepter zwaaide, kozen de Chinezen ervoor geen PAT-troepen te vormen, maar in de door Nederlanders gecontroleerde gebieden werden wel PAT-eenheden opgezet om Chinese gemeenschappen te beveiligen.28 Toch preekten PAT-leden zelfs in deze Nederlandse gebieden de neutraliteit.29

Eén ding hadden de geweldswerkers in de Ondernemingswacht en de geweldsondernemers in de PAT dus wel gemeen: met het oog op hun eigen agenda waren ze niet zonder meer bereid als hulpjes van de koloniale staat te dienen. Beide groepen handelden tegen het belang van de koloniale autoriteiten in. Als onderdeel van het tanende Nederlandse gezag én in het kader van hun eigen zoektocht naar lokale invloed lieten deze paramilitairen zich af en toe in met (buitensporig) geweld. Planters beklaagden zich over het feit dat ondernemingswachters dorpen in de as legden. PAT-eenheden legden zich toe op illegale wapenhandel, pleegden af en toe een moord, deden aan afpersing en intimideerden Nederlandse politieagenten die PAT-misdaden onderzochten.30

Er zijn verdere overeenkomsten zichtbaar tussen de handelingen van de ondernemingswachten en de steeds onafhankelijker opererende PAT-militie aan de ene kant en de contrarevolutionaire troepen die de Franse koloniale overheid sinds het begin van de Algerijnse Oorlog in 1954-1955 op het platteland stationeerde aan de andere kant. In afwachting van het van kracht worden van de staat van beleg in de noordelijke regio’s waar het FLN het meest actief was, kondigde de Franse overheid in Algiers op 24 januari 1955 de oprichting van lokaal gerekruteerde politietroepen aan (Groupes mobiles de police rurale, GMPR; later Groupes mobiles de sécurité genoemd).31 Het achterliggende doel hiervan was tweeledig: eenheden van het koloniale leger en de gendarmerie moesten vrij worden gemaakt om FLN-strijders op te sporen, en tegelijkertijd vond de overheid dat dorpen beschermd moesten worden om de bevolking te overtuigen dat de Algerijnse opstand niet uit de hand zou lopen.32 In het oorspronkelijke decreet waarin de oprichting van de GMPR werd aangekondigd, legde het Franse bestuur uit dat de Algerijnse milities het herstel van een ‘klimaat van vertrouwen’ op het platteland tot doel hadden. In theorie mochten Algerijnen in dienst van de GMPR alleen onder toezicht van gendarmes of leden van de police judiciaire huiszoekingen doen, arrestaties verrichten en mensen in hechtenis nemen.33 In de praktijk trokken GMPR-leden echter meer taken naar zich toe en leverden zij informatie over welke huizen doorzocht en welke verdachten vastgehouden moesten worden, en hadden ze dus alle gelegenheid om politieoptredens naar hun hand te zetten. Op andere momenten boden zij weinig weerstand tegen de Armée de libération nationale (ALN).34

Toen de ALN tussen 1955 en 1957 meer aanvallen ging uitvoeren op dorpen die onder GMPR-bescherming zouden moeten staan, werd de effectiviteit van de milities in twijfel getrokken.35ALN-invallen werden vaak zò getimed dat er geen Fransen in de buurt waren of dat bekend was waar GMPR-personeel zich op dat moment zou bevinden. Soms konden de ALN’ers ontsnappen met alle wapens van de plaatselijke GMPR-eenheid. In sommige confrontaties waren de prestaties van de GMPR-eenheden dermate ondermaats dat betrouwbaardere eenheden met meer Frans personeel moesten worden opgetrommeld.36 De GMPR-eenheden zelf klaagden dat de militaire sectorleiding er niet in slaagde om bescherming te bieden tegen aanvallen van rebellen of, erger nog, het vuur opende op GMPR’ers die ze voor rebellen aanzagen. Plattelandsgemeenschappen, van hun kant, waren er logischerwijs niet van overtuigd dat deze situatie hun veiligheid bevorderde.37 Het gebrek aan vertrouwen tussen legercommandanten, de prefecturale overheden en de GMPR-eenheden groeide naarmate de concurrentie tussen de verschillende revolutionaire groeperingen toenam.38

De korte bestaansgeschiedenis van de GMPR demonstreert de interactie tussen grote verschuivingen in het verloop van de Algerijnse Oorlog enerzijds en de microdynamiek van dorpspolitiek en lokale belangen anderzijds. Tegen het einde van 1958 was de rol van de GMPR, die in 1955-1956 de escalerende oorlog was ingezogen, gemarginaliseerd in de Franse contrarevolutionaire plannen.39 De effectiviteit van deze plattelandsmilitie werd door de Franse legerplanners meer ter discussie gesteld naarmate het lastiger werd voor GMPR-personeel om de balans te bewaken tussen het beschermen van hun lokale gemeenschap, schijnbare trouw aan de koloniale overheid, en in sommige gevallen tegemoetkomen aan de eisen van het FLN en de ALN. Deze lokale factoren bleken doorslaggevend. De GMPR viel weliswaar nooit volledig in handen van de FLN, maar werd ook zeker niet het veiligheidsinstrument dat de Franse bedenkers ervan hadden gehoopt.

Problemen van burgerstatus en ‘targeting’

De verschillende problemen die in deze bijdrage meermaals naar voren zijn gekomen – koloniale veiligheidstroepen die al dan niet in staat waren plaatselijke gemeenschappen te beschermen, lokale geweldswerkers die revolutionairen hun gang lieten gaan of vooral hun eigen belangen dienden, en de steeds kleiner wordende ruimte voor neutraliteit naarmate revolutionair geweld oplaaide – komen samen in de wijzen waarop de burgerbevolking in het vizier van de gewapende groepen kwam. Deze microdynamiek en hoe gemeenschappen reageerden op het geweld om hen heen, vormden het meest acute dilemma voor hen die woonden in de interne grensgebieden: hoe konden zij hun kansen op overleven maximaliseren?

Ter illustratie van dit punt kijken we op microniveau naar een aantal gemeenschappen in Indonesië en Frans-Vietnam. Het eerste voorbeeld betreft de Sundanezen, een etnische groep van ongeveer acht à tien miljoen Indonesiërs die vooral op West-Java leefden. Op 4 mei 1947 riep de Partai Rakyat Pasundan (PRP) in Bandung de onafhankelijke Staat Pasundan uit. De oprichting van de Negara Pasundan op West-Java was het resultaat van druk door de Sundanese elite op het Nederlandse gouvernement en kwam voort uit de Malino-conferentie in 1946, waar luitenant-gouverneur-generaal Hubertus van Mook de vertegenwoordigers van verschillende gebieden nadrukkelijk opriep zich politiek autonoom te verklaren in een op te richten federatief bestel.40

Op de korte termijn hielp het uitroepen van de staat Pasundan zowel de Nederlanders als de sympathisanten van de Republiek een probleem op te lossen: het herkennen van vriend en vijand. Beide partijen wilden het de burgerbevolking onmogelijk maken neutraal te blijven en eisten daarom loyaliteit. Voor de Nederlanders fungeerde Pasundan als een instrument waarmee Sundanezen, die bescherming zochten tegen de druk van de Republiek, het Nederlandse kamp konden worden binnengehaald. Op haar beurt kon de Republiek de staat Pasundan beschouwen als een duidelijke vijand van haar eigen eenheidspolitiek en de Sundanezen bijgevolg als collaborateurs bestempelen.41

Deze spanning tussen Sundanese en (Javaans-)Indonesische identiteiten, die werd gevoed door de Nederlanders, leidde tot specifieke vormen van geweld. De Sundanese gemeenschap, en met name de Sundanezen in het interne grensgebied tussen West- en Midden-Java, kreeg de collectieve schuld toegewezen door zowel aanhangers van de Republiek als de Nederlanders. Volgens de Republikeinen moest de staat Pasundan worden vernietigd. Na de uitroeping van de staat Pasundan stond voor hen een oorlog tegen de Nederlanders in West-Java synoniem aan geweldpleging tegen de Sundanezen. De Nederlanders gebruikten op hun beurt de oprichting van de nieuwe staat om steeds meer Sundanezen naar hun kant te dwingen, ook al steunden deze laatsten het idee van een onafhankelijke Staat Pasundan niet massaal. Zowel de leiders van Pasundan als de Sundanese bevolking in het algemeen werden heen en weer geslingerd en gemeenschappen werden verscheurd tussen de Republikeinse en Nederlandse kant.42 Op microniveau zorgde de gewelddadige anti-Pasundancampagne van het Republikeinse leger, de Tentara Nasional Indonesia, ervoor dat het beetje steun dat er plaatselijk nog bestond voor de staat Pasundan werd uitgehold.

In Frans-Vietnam zijn vergelijkbare dynamieken van een steeds kleiner wordende beweegruimte voor burgers te zien. Op 15 mei 1954 dienden Vietnamese hoogwaardigheidsbekleders in het Noord-Vietnamese Phuc Yen een petitie in bij de commandant van het Franse koloniale garnizoen in dit dorp dat op ongeveer vijftig kilometer afstand van Hanoi lag. Het verzoek van de petitionarissen was eenvoudig: ze wilden dat de militaire avondklok voortaan een uur later zou ingaan. Drie dagen later kwam het antwoord van de Franse sectorcommandant Huot, dat bestond uit een beleefd non. Juist dankzij de nachtelijke patrouilles van het Franse leger, zo stelde hij, bleef het leven in Phuc Yen zo rustig.43

Wat op een alledaagse uitwisseling tussen burgers en hun koloniale ‘beschermers’ leek, was in feite heel bijzonder. Tien dagen eerder op 435 kilometer ten westen van de lege straten van Phuc Yen had het Vietnamese Volksleger namelijk de allesbeslissende slag om Dien Bien Phu gewonnen. Het nieuws van de val van Dien Bien Phu had zowel lokaal als wereldwijd een zinderend effect. Tijdens de vredesconferentie die op dat moment in Genève aan de gang was, werd het tempo van de internationale onderhandelingen over een definitief vertrek van de Fransen uit Vietnam opgevoerd. In de wachtsector van Huot, in de dorpen en nederzettingen rondom Hanoi, deserteerden ondertussen steeds meer leden uit de lokale ‘burgerwacht’-eenheden.44 Steeds grotere delen van Noord-Vietnam vielen in handen van de Vietminh en steeds meer vluchtelingen trokken naar het zuiden om de communistische overwinning voor te zijn.45 In deze omstandigheden was het Franse leger politiek noch praktisch in staat om zijn plannen uit te voeren. De dynamiek van de Indochinese Oorlog werkte op alle niveaus in het nadeel van de Fransen.

Een Nederlandse militair houdt een ‘beach master’ geluidsversterker tegen de mond van een Indonesiër en dwingt hem zijn landgenoten toe te spreken en de situatie veilig te verklaren. Padang, West-Sumatra 1947 of 1948. © Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Fotoafdrukken Koninklijke Landmacht, objectnummer 2155_800096. https://nimh-beeldbank.defensie.nl/foto-s/detail/c1aab576-8230-0f45-7457-bf3c0b3d1560/media/42c068be-dbdb-58c8-5952-0102fb4ac195.

Op microniveau leken de bewoners van Phuc Yen zich in deze turbulente maanden dus netjes aan de avondklok te houden. Maar was dit wel het geval? Toen Huot in mei 1954 de teleurgestelde petitionarissen op geduldige en opgewekte toon op het hart drukte om ’s avonds voor half tien thuis te zijn, vertelde hij er niet bij dat het aan de randen van deze nederzetting al wemelde van de Vietminh-strijders. De strikte spertijd in het centrum was nodig om troepen vrij te maken om in de onrustige buitengebieden van Phúc Yên extra te patrouilleren. Anders gezegd, de stad was helemaal geen uitzonderingsgeval van Franse controle, maar een microkosmos van de oorlog. De interne conflicten – tussen het rijke stadscentrum en de arme buitengebieden, tussen geëngageerden en neutralen, tussen communisten en niet-communisten – waren maar al te duidelijk voor de Franse commandanten in het veld.46 Net als in Indonesië was ook hier was het voor plaatselijke Vietnamezen niet langer mogelijk strikt neutraal te blijven.

Wat leren deze voorbeelden ons over hoe burgers bij dekolonisatieconflicten betrokken raakten? Twee factoren blijken hierin bepalend. Ten eerste was in zowel Indochina als Indonesië, net als in bijvoorbeeld Algerije, sprake van asymmetrische conflicten waarbij de duidelijke militaire overmacht en andere technologische voordelen aan de kant van de koloniale bezetter in die mate door de antikoloniale machten werden bestreden dat een Europese nederlaag niet kon worden voorkomen. In Indonesië was de situatie echter complexer. De asymmetrie was, gezien de enorme omvang van het territorium waarin de Republikeinse strijders ageerden, alsook hun welhaast onuitputtelijke reservoir aan potentiële troepen, minder zichtbaar en werkte dus niet consequent in het voordeel van één partij, in dit geval de Nederlanders. Ten tweede blijkt uit alle drie casussen dat al het gewelddadige koloniale machtsvertoon en de ingrijpende programma’s ter verkrijging van controle over bepaalde ‘verdachte’ gemeenschappen blijkbaar weinig tot niets uitrichtte om te voorkomen dat het koloniale bestuur gaandeweg zijn zeggenschap verloor. Wat deze methoden wel gemeen hadden, was dat zij, samen met het targeten van burgers door revolutionairen en andersoortige geweldswerkers, ervoor zorgden dat plattelandsgemeenschappen geen ruimte meer hadden – mentaal, maar ook fysiek, omdat burgers bijvoorbeeld in verdachte ‘New Villages’ woonden – zich als non-combattant te presenteren.

Conclusie

Deze bijdrage laat verbanden zien tussen de ervaringen van onveiligheid – de microdynamiek van dekolonisatiegeweld – en de bekendere verhalen over conflicten tussen koloniale strijdkrachten en hun tegenstanders, oftewel de macrogeschiedenissen van dekolonisatie. Het argument is dat de vormen van geweld die rebellen en verzetsbestrijders aanwendden afhankelijk waren van de mogelijkheden die ze ter beschikking hadden. Hierbij kon het gaan om ruimtelijke mogelijkheden, in de zin van geografische omstandigheden, de afgelegenheid van gebieden en de logistiek van communicatie en bevoorrading. Het kon ook gaan om technologische mogelijkheden: welke wapens en andere geweldsinstrumenten waren er beschikbaar? Maar meestal, stellen wij, ging het om politieke mogelijkheden: pogingen om interne grenzen op te leggen, en daarmee de vrijheid van beweging, vereniging en dus van organisatie te beperken. Om deze stellingen te testen hebben we een aantal casestudy’s in relatie tot drie thema’s geanalyseerd: lokaal ongenoegen en de mate van asymmetrie, geweldswerkers en paramilitairen, en ten slotte problemen van burgerstatus en ‘targeting’.

Onze bevindingen bevestigen dat een aantal aannames heroverwogen moet worden. Neem bijvoorbeeld de aanname, vaak gevat in meer algemene macrohistorische analyses, dat koloniale conflicten zeer asymmetrisch waren en dat de grotere sterkte van koloniale troepen de revolutionairen dwong om zich op de controle van plaatselijke bevolkingen te richten om toch te kunnen overleven. Volgens ons is dit een reductie van wat werkelijk gaande was. Er bestond, zo toont het eerste deel van deze bijdrage aan, een enorme variatie in vormen en niveaus van geweld tussen gebieden die in politieke zin – zo beweerden plaatselijke Britse, Franse of Nederlandse vertegenwoordigers – veiliggesteld waren. De afbakeningen tussen hen die vóór dan wel tégen een strijdende partij waren, stonden lang niet zo vast als door de strijdende partijen werd aangenomen. Vaak waren dergelijke grenzen fluïde en altijd onderhevig aan plaatselijke omstandigheden en ontwikkelingen.

In het tweede deel hebben wij gewezen op de verschillen tussen ‘geweldswerkers’ en ‘geweldsondernemers’ – oftewel tussen zij die als vaak ongetrainde paramilitairen slechts nominaal aan geweld meededen en zij die het regisseerden en sterker voor eigen belangen gebruikten. De handelingen van lokale handhavers werpen licht op interne grensgebieden, plaatsen waar het staatstoezicht grillig was en dit toezicht slechts één van een aantal exogene factoren was die bepaalden hoe mensen reageerden wanneer zij werden getroffen door dekolonisatiegeweld. In deze context kunnen de paramilitaire eenheden die als geweldswerkers werden opgeroepen, zoals ondernemingswachten in Indonesië en politiemachten op het Algerijnse platteland, worden beschouwd als ‘slachtoffers’ van het koloniale systeem, voor zover ze werden gedwongen het te steunen.

In het laatste deel spraken we over burgers die werden blootgesteld aan geweld. Hier hebben we betoogd dat ondanks de vergaande militarisering van de samenleving waarop de Europese civiele en militaire autoriteiten zich toelegden, zoals het implementeren van de staat van oorlog en beleg, avondklokken, collectieve straffen en sancties gericht tegen de bevolking en andere facetten van wat ‘lawfare’ wordt genoemd, onveiligheid voor de lokale bevolking bleef bestaan. Burgers hadden nog steeds te maken met geweld of de dreiging daarvan, omdat ze de regels overtraden of juist omdat ze deze naleefden. De meeste mensen pasten zich zo goed mogelijk aan en probeerden wat extra veiligheid voor zichzelf te creëren door meerdere identiteiten aan te nemen en zodoende revolutionairen en koloniale troepen te gehoorzamen. Door te wijzen op de overeenkomsten en variaties die de interne grensgebieden kenmerkten in verschillende gebieden die zich vrijvochten van koloniale overheersing, laten wij zien waarom we de microdynamiek in het oog moeten houden als we echt willen begrijpen wie geweld gebruikte, wie er het slachtoffer van werd, en waarom.