In 1669 verscheen De conversione Indorum et gentilium in druk bij de Amsterdamse drukker Johannes van Waesbergen (1588-1664). Het was een uitvoerig academisch werk van de hand van Johannes Hoornbeeck (1617-1666), een gereformeerde theoloog en hoogleraar uit de Nederlandse Republiek. Naast zijn invloed op de Nadere Reformatie, staat Hoornbeeck ook bekend als polemisch schrijver van een aantal theologische traktaten waarin hij de controverse niet schuwde. De conversione, het sluitstuk van zijn oeuvre, verscheen postuum.

Dit Latijnse missietraktaat bestaat uit twee boekdelen met respectievelijk negen en vijftien hoofdstukken. Met het eerste boekdeel had Hoornbeeck als doel om op basis van klassieke en eigentijdse auteurs een kritisch overzicht te bieden van alle heidense religies en de missiegeschiedenis. Hoornbeeck reflecteerde vervolgens in de eerste elf hoofdstukken van zijn tweede boekdeel over een theoretische ondergrond aan de hand van vroegchristelijke, middeleeuwse en vroegmoderne literatuur over bekering en missies, met de gereformeerde grondstellingen als belangrijkste uitgangspunt en in de traditie van de natuurlijke theologie. In de laatste vier hoofdstukken beoogde hij tot slot aan te tonen waarom, waar en op welke manieren evangelisatie succesvol kon zijn, en wilde hij zijn lezers informeren over de vele verplichtingen die missies met zich mee droegen. Daarom kan het gedrukte boek in zijn geheel eerder beschouwd worden als een contemporaine academische voorstudie naar de theorie en praktijk van protestantse missies dan een praktisch handleiding voor nieuwe missionarissen.

De 31 verschillende thesisbladen die 23 studenten van Hoornbeeck schreven en in de jaren 1660 lieten publiceren in Leiden ter gelegenheid van hun disputatio, vormden de basis van het Latijnse missietraktaat. In de daaropvolgende jaren herwerkte Hoornbeeck deze éénbladdrukken tot een geheel: hij paste de indeling en de opmaak van de thesisbladen aan, veranderde een aantal woorden en voegde hoofdstukken toe. Bij zijn dood had hij enkel het eerste boekdeel van het traktaat voltooid. Matthias Nethenus (1618-1686), Utrechtse collega-hoogleraar theologie, rondde het tweede boekdeel af. Uiteindelijk verscheen de druk postuum in 1669 in Amsterdam op aansturen van David Stuart (1627-1669), collega van Hoornbeeck in Leiden, die de inhoud voorzag van een levensbeschrijving en een voorwoord. Nethenus was daarnaast verantwoordelijk voor de redactie en voegde aan het einde van de tekst een memorandum toe. Hoewel De conversione geen herdruk kende, oefende het traktaat een grote invloed uit op vroegmoderne denkers. Toch bleef de tekst tot op heden onvertaald. Net om die reden bundelden Ineke Loots, onderzoeker in het Neolatijn, en Joke Spaans, specialiste in de vroegmoderne religieuze cultuur, hun expertise. Loots ontfermde zich over de Engelse vertaling en voorzag de tekst van het merendeel van de annotaties, terwijl Spaans de uitgebreide inleiding op zich nam en duiding gaf bij de theologische aspecten van De conversione.

Deze inleiding biedt de lezer gedegen inzichten in de eigentijdse wereld van Johannes Hoornbeeck. Spaans heeft hierbij voldoende oog voor de context waarin De conversione geplaatst moet worden. Vooreerst brengt zij de rol van bijbelgeschiedenis en comparatieve religie in de vroegmoderne etnografie bondig in kaart en bespreekt ze helder hoe De conversione in deze etnografische traditie past aan de hand van een kritische reflectie op de inhoudsindeling. Hierna komen de theoretische achtergrond van Hoornbeecks visie op missiewerk, de invloed van eigentijdse collega’s en denkers en de relevante theologische debatten uitvoerig aan bod. Een voorlaatste paragraaf beschrijft het leven, de academische carrière en het geleerdennetwerk van Hoornbeeck, en brengt zijn oeuvre gedetailleerd ter sprake. Het inleidende gedeelte wordt afgesloten met een welkome toelichting bij de ontstaansgeschiedenis van de bron en een verantwoording over de vertaling. De inleiding getuigt van een grondige kennis van het bronnenmateriaal. Zo leert ze ons dat er twee versies bestaan van de editie uit 1669 die lichtjes verschillen in inhoud. Loots en Spaans baseerden hun vertaling op de tweede en volledigere versie waarin het vijftiende hoofdstuk van het tweede boekdeel, het voorwoord door David Stuart, een bericht tot de lezer en een lijst van de studenten en hun disputationes door Hoornbeeck zelf, en het korte memorandum van Nethenus te vinden zijn. Wel maakten ze de keuze de oorspronkelijke paratextuele delen uit deze versie niet op te nemen in hun vertaling, terwijl een vertaling van deze tekstdelen juist substantieel had kunnen bijdragen aan de interpretatie van de inhoud.

De vertaling zelf volgt grotendeels de structuur van de oorspronkelijke bron en is eveneens opgesplitst in twee boekdelen met respectievelijk negen en vijftien hoofdstukken. Elk hoofdstuk opent met een beknopte samenvatting en is voorzien van een verklarend notenapparaat. De toevoeging van de originele paginanummers in de marge vergemakkelijkt daarbij de vergelijking met de oorspronkelijke passages. Met hetzelfde doel brachten Loots en Spaans Romeinse cijfers aan in de hoofdtekst om te signaleren met welke disputatio de desbetreffende tekst overeenkomt. Diezelfde Romeinse cijfers zijn immers ook terug te vinden aan het einde van het tweede boekdeel in een lijst met alle thesisstudenten van wiens werk Hoornbeeck gebruikmaakte. Verder identificeert het leeuwendeel van de voetnoten Hoornbeecks vermeldingen naar klassieke en vroegmoderne teksten en voorziet, waar mogelijk, een referentie naar specifieke edities. De overige verklarende voetnoten bieden de lezer de gelegenheid zich te informeren over bepaalde thema’s door te verwijzen naar secundaire literatuur. Het voetnotenapparaat is echter niet altijd even consequent en er ontbreken af en toe voetnoten bij citaten of bij verwijzingen naar studies. Voorts sieren verscheidene afbeeldingen de uitgave, die weliswaar tot de verbeelding spreken, maar de vraag blijft of zij altijd even ter zake doen. De gravure uit Itinerario (1596) van Jan Huyghen van Linschoten (1563-1611) op pagina 51 heeft bijvoorbeeld betrekking op het tekstdeel dat zes pagina’s eerder Linschotens reisverslag naar Azië behandelt. Dit zijn slechts twee kleinere puntjes van kritiek. Een erg uitvoerige bibliografie en een gebruiksvriendelijk register met de in het boek behandelde personen, plaatsnamen en onderwerpen sluiten de publicatie af.

Met Johannes Hoornbeeck (1617-1666), On the Conversion of Indians and Heathens beogen Loots en Spaans een geannoteerde bronnenuitgave en een nodige Engelse vertaling aan te reiken aan onderzoekers die aan de slag willen gaan met een invloedrijk zeventiende-eeuws Latijns missietraktaat. Ze zijn zonder twijfel in hun opzet geslaagd, en de meerwaarde van deze uitgave behoeft weinig betoog. De extensieve inleidende tekst plaatst de bron treffend in zijn context. Bovendien krijgt de lezer een vlot leesbare tekst voorgeschoteld, die het lijvige traktaat toegankelijker maakt voor onderzoekers. Volgens Loots en Spaans draagt hun geannoteerde vertaling bij tot een beter begrip van de uitwisselingen tussen de Nederlandse Republiek en de culturen en religies van Azië, Afrika, Noord- en Zuid-Amerika, maar kan het ook dienen om de oorsprong van de comparatieve theologie te bestuderen. Het lijdt bovendien geen twijfel dat deze uitgave het onderzoek naar vroegmoderne beeldvorming over niet-Europese culturen en het protestantse gedachtegoed over missiewerk zal bevorderen.