Een bepaald ongewone publicatie in het historisch-wetenschappelijk genre is 1942. Het jaar van de stilte van de Belgische rechtshistoricus en rector van de Universiteit Antwerpen Herman Van Goethem. In dit ambitieuze boek draait het allemaal om de stelling dat 1942 moet worden gezien als het jaar van de Grote Ommekeer. Vorm en inhoud moeten elkaar in dit boek versterken. Vanuit een geschiedwetenschappelijk perspectief zijn er echter bedenkingen te plaatsen bij de gekozen narratieve procedure.

In de eerste bezettingsjaren tekenden zich in België de kampen van de ‘witten’ en de ‘zwarten’ af, zo schrijft Van Goethem in zijn inleidende hoofdstuk. In het ‘witte’ kamp was het onrustig, want ‘velen [waren] nog grijs en wisten niet goed welke richting ze moesten opgaan’ (7-9). Sommigen van hen maakten zich derhalve nog wel eens schuldig aan collaboratie. Anderen hadden probleemloos kunnen ingrijpen, maar deden het niet, want ze wachtten af ‘als berustende defaitist of glimlachende welwillende’. Maar eind 1942, toen de oorlogskansen keerden, de geallieerde overwinning zich aandiende en de mogelijkheid tot een compromisvrede van de baan was, werd alles anders:

De berouwvolle daders en de schuldige getuigen traden nu toe tot de Ark, die plaats bood aan hen die zouden zegevieren en zouden overleven. Samen met de ‘oude witten’ gingen ze scheep en zetten koers richting een nieuwe toekomst, bezegeld door de geallieerde overwinning. De Universele Verklaring van de Rechten van Mens wapperde hoog aan de mast, terwijl de opvarenden hun nieuwe levenswijsheid deelden: ‘Zwijg over het verleden, blik vooruit!’ De Ark was dus ook een Verbond van Zwijgenden. (9)

Na deze tewaterlating van het Bijbelse vaartuig, die Van Goethem laat varen onder een anachronistische vlag, vraagt de auteur zich af hoe het toch kan dat deze omwenteling in het ‘witte’ kamp zo vergeten is.

Van Goethem, die zoals het bovenstaande citaat aantoont het theatrale niet schuwt, heeft gekozen voor de dagboekvorm, zoals hij het zelf noemt, om de lezer binnen te leiden in een periode waarin niemand weet wat de toekomst zal brengen. De focus ligt op Antwerpen omdat de Belgische havenstad in 1942 kan worden gezien als de microkosmos van bezet Europa. Met behulp van voornamelijk primaire bronnen, zoals proces-verbalen uit de politiearchieven en oorlogsdagboeken, probeert Van Goethem, die zichzelf expliciet onder de Alltag-historici schaart (14), te reconstrueren hoe de wereld er destijds uitzag. De datums boven ieder fragment moeten die suggestie versterken.

Van Goethem ambieert een geschiedenis van het dagelijks leven van de Joden in Antwerpen te schrijven. Dat levert niet alleen een indringend verhaal op over de vervolging in Antwerpen, maar zorgt door de gekozen vorm ook voor verwarring over de bronnen. Van Goethem jongleert vrijelijk met zijn onderzoeksmateriaal door in de verschillende dagboekfragmenten passages uit een of meerdere oorlogsdagboeken te combineren met informatie uit de politiearchieven, waarbij de datum van de bronverwijzing niet altijd overeenkomt met de datum van het dagboekfragment.1

De dagboekfragmenten worden afgewisseld met reflecties waarbij Van Goethem zichzelf onderdeel maakt van het historische verhaal, wat sterk doet denken aan de roman van Laurent Binet, HhhH. Himmlers hersens heten Heydrich. Aanvankelijk wilde ik me wel mee laten nemen door deze in een academische publicatie gedurfde openheid over het schrijfproces. Gaandeweg werd deze narratieve vorm echter ongemakkelijk. We zijn inmiddels een kleine zestig pagina’s op weg, wanneer Van Goethem schrijft: ‘Wanneer ik Sonia Blumenstein in 1942 een meisje van tien laat zijn, dan zijn er immers ook mijn gesprekken met Sonia in 2008. Als op 27 januari 1942 de achttienjarige Wilfried Depret wordt opgepakt, dan kan ik niet voorbijgaan aan de tranen van de oude Wilfried in de Pothoekstraat, zovele jaren later’ (59). Op dit punt aanbeland zegt Van Goethem te wanhopen over de dagboekvorm die bezit van hem neemt. Het geeft hem het gevoel medeplichtig te worden door de tegenwoordige tijd die hij hanteert als gevolg waarvan hij actor wordt in zijn eigen boek. Dit irriteert niet alleen omdat de grens tussen onderzoeksobject en onderzoeker vervaagt, maar ook omdat deze reflecties aanmatigend aandoen. Van Goethem mag dan een geëngageerd historicus zijn, betrokkenheid is nog geen argument om zichzelf te presenteren als een therapeut, die ‘troostend luistert en niet teveel wil woelen in diep verdriet’ (59).

In zijn boek wil Van Goethem een cesuur aanwijzen, een radicaal moment waarop alles anders wordt. En inderdaad wordt in het laatste kwartaal van 1942 in Antwerpen op het hoogste niveau besloten dat de stedelijke autoriteiten niet langer meewerken aan een aantal bezettingsmaatregelen, waaronder het aanhouden van werkonwilligen of medewerking aan razzia’s op Joden (282-284). Deze beleidswijzigingen hebben volgens Van Goethem directe invloed op de houding van gezagsdragers, wat hij, vrij plotsklaps, aan de hand van een paar slotfragmenten probeert te bewijzen. Op dit punt aangekomen (279 e.v.) ziet Van Goethem zich echter wel genoodzaakt om zijn toevlucht te nemen tot naoorlogse bronnen, waaronder een terugblik van hoofdcommissaris van politie Jozef de Potter – een van degenen die in november 1942 draait naar het ‘witte’ kamp – uit 1945.2 Dat mag natuurlijk, maar het is tevens een bewijs dat de geschiedschrijving van onderaf (dagboekfragmenten) zich moeilijk laat verenigen met een academisch betoog over een ontwikkeling die pas achteraf is vast te stellen. Dit is niet mijn enige bezwaar.

Van Goethem verwijst namelijk nauwelijks naar onderzoeken van collega’s die zich met het thema van de omwenteling van 1942 hebben beziggehouden – van een vergeten onderwerp, zoals Van Goethem claimt, is geen sprake.3 De lezer blijft daardoor in het ongewisse in welke mate voorgaande onderzoeken de conclusies van Van Goethem onderstrepen of juist verwerpen. Ook in dit opzicht ligt de verhalende aanpak dwars. De door Van Goethem gehanteerde vorm levert niet de bouwstenen om de Grote Ommekeer te bewijzen, maar misschien hoeft dat ook niet en is het hem van meet af aan om iets heel anders te doen. Misschien ligt de sleutel van 1942 op bladzijde 310, waar Van Goethem schrijft dat de regering-Pierlot, de Belgische regering in ballingschap in Londen, als gevolg van de internationale politiek een omslag doormaakte:

Indien de regering-Pierlot vroeger tegen de bestuurlijke collaboratie had gereageerd, dan zouden vele ambtenaren zich veel behoedzamer hebben gedragen en zich ook veel eerder schrap hebben gezet. De Jodenvervolgingen zouden dan minder vlot zijn verlopen, de arrestaties en razzia’s zouden minder succesvol zijn geweest en uiteindelijk zouden meer Joden de Holocaust hebben overleefd. (310)

Met deze conclusie brengt Van Goethem de geschiedenis terug tot een verraderlijke what if-vraag waarop het antwoord al vastligt: zonder medewerking van het lokale bestuur hadden meer Joden de vervolging overleefd. Van Goethem gaat hier voorbij aan een werkelijkheid vol ambivalenties en paradoxen, het sluipende proces van ontrechting van Joodse mensen en de glijdende schaal van medeplichtigheid van andere Belgische burgers. Bovendien gingen de vervolging en arrestatie van de Belgische Joden ook na het eind van 1942 gewoon door. Zouden de Antwerpse ambtenaren en de Duitse bezetter zich echt iets gelegen hebben laten liggen aan een weerspannige en protesterende regering in Londen? Misschien had Van Goethem toch beter een roman kunnen schrijven, zoals zijn uitgever meende dat hij moest doen.4 Hij ambieerde echter een highly ranked publication (cursivering van Van Goethem) die moest dienen als voer voor vakgenoten die bereid waren na te denken over de vraag wat geschiedschrijving is of zou moeten zijn. Daartoe heeft Van Goethem me zeker uitgedaagd. Helaas heeft hij me niet overtuigd.