De aandacht voor de geschiedenis van steden in de laatmiddeleeuwse Nederlanden gaat doorgaans uit naar de grote steden, zoals Brugge, Gent, Leiden en Utrecht. Steden met een lager economisch gewicht of van minder politiek belang krijgen lang niet de aandacht die ze verdienen. Dat euvel verhelpt de Franse mediëvist Cécile Becchia in Les bourgeois et le prince. Dijonnais et Lillois auprès du pouvoir bourguignon (1419-1477), dat een herwerkte versie is van het proefschrift dat ze in 2015 aan de Université Paris-Sorbonne verdedigde. Het is een typisch Franse verhandeling: omvangrijk, op uitvoerig bronnenmateriaal gebaseerd, goed geschreven en stevig in de Franstalige historiografie ingebed. Een degelijk historisch onderzoek dus, dat nog lang als standaardwerk voor de geschiedenis van Dijon en Rijsel zal gehanteerd worden door historici met een interesse in de stadsgeschiedenis van de Nederlanden. Beide steden maken nu nochtans deel uit van Frankrijk, maar dat gold in de onderzochte periode enkel in ‘theoretisch’ opzicht: terwijl ze beiden tot het middeleeuwse koninkrijk Frankrijk behoorden, werden ze in de onderzochte periode door de Bourgondische hertogen bestuurd, en die lieten zich amper door de Franse koning beïnvloeden – hoewel het hun leenheer was. Dijon behoorde tot het hertogdom Bourgondië, en Rijsel tot het graafschap Vlaanderen. De steden waren twee kroonjuwelen van de Bourgondische hertogen Filips de Goede en Karel de Stoute, die van 1419 tot 1477 over grote delen van de Nederlanden regeerden. Nadien verschilde de geschiedenis van beide steden danig: terwijl Dijon en Bourgondië door de Franse koning veroverd werden, bleven Rijsel en Vlaanderen onder Habsburgse heerschappij – tot de verovering van het zuiden van Vlaanderen door Louis XIV in de zeventiende eeuw.

Het werk focust op de boeiende politieke geschiedenis van beide steden, niet zozeer vanuit institutioneel oogpunt, maar met een doorgedreven studie van de personen en families die er het bewind voerden. In Rijsel zijn dat onder andere de families Frémault, Tenremonde en Gommer, terwijl de macht in Dijon door telgen uit de geslachten Mariot, Eschenon en Baudot gemonopoliseerd werd. Wel is het zo dat deze stedelijke elites snel van samenstelling wisselden. Weinig van de families die Dijon bestuurden, waren nog rond 1500 in de stedelijke politiek actief. Zoals ook in studies van andere steden in het Bourgondische landencomplex al is vastgesteld1, werden heersende elites relatief snel vervangen en waren zij aan allerlei economische en sociale veranderingen onderhevig. Het is jammer dat Becchia haar resultaten te weinig met die van studies over hoofdzakelijk Nederlandstalige steden heeft vergeleken, want het had haar werk meer slagkracht kunnen geven. Maar voor wel meer Franstalig onderzoek naar de Nederlanden geldt dat Nederlandstalige studies nauwelijks worden geraadpleegd – zoals Nederlandstalige onderzoekers helaas steeds minder Franstalig werk lezen. Dit nieuwe boek heeft in ieder geval het voordeel dat het een behapbare brok vergelijkingsmateriaal biedt aan de laatstgenoemde groep mediëvisten.

De meest interessante gegevens spit Becchia uit de financiële archieven die voor beide steden genereus bewaard bleven. Zowel de stedelijke families als de hertogelijke vertegenwoordigers van Dijon en Rijsel hadden verregaande financiële netwerken uitgebouwd. De centrale financiële instelling van het graafschap Vlaanderen, de Rekenkamer te Rijsel, ging namelijk vaak te leen bij de elites in de stad om noden te lenigen, wat een opmerkelijke afhankelijkheidsrelatie tussen beide partijen creëerde. Ook bij de elite in Dijon leenden zowel lokale ontvangers als de hertog geld, met als gevolg dat het lokale bestuursapparaat sterk op deze onderlinge relatie tussen elite, staatsambtenaren en het hof leunde. Dat bleef een constante op het moment dat Dijon aan de Franse kroon werd toegevoegd in 1477, een opstand (de ‘meutemaque’) van een factie van de stadsbewoners ten spijt. Meer nog, de lokale elite verstevigde er zijn greep op het politieke apparaat dankzij de Franse steun, wat kan verklaren waarom er na die ene strubbeling op lange termijn geen protest meer was tegen de Franse annexatie.

Een lacune in het onderzoek van Becchia is de relatie van de elite met de gewone stedeling. Ze onderzoekt namelijk de onderlinge netwerken van de stedelijke toplaag, en merkt op dat hun macht amper gecontesteerd werd in deze ‘kalme’ steden. Terwijl bijvoorbeeld in het nabijgelegen Dowaai, Ieper en Doornik regelmatig sociale conflicten plaatsvonden, kende Rijsel minder politiek geweld. Becchia kan de relatieve kalmte in Dijon en Rijsel echter niet verklaren en had hiervoor het recente werk van Patrick Lantschner in rekening moeten brengen. Weliswaar dateert Becchia’s proefschrift uit 2015, maar het in datzelfde jaar gepubliceerde boek van Lantschner (The logic of political conflict in medieval cities) had in deze handelseditie eigenlijk niet mogen ontbreken. Lantscher toonde in zijn boek aan dat Rijsel veel minder uitgebouwde gilden en wijkbesturen had dan bijvoorbeeld Doornik, waardoor mobilisatie van ambachtslieden er moeilijker was. Bovendien vonden rekesten van inwoners bij de Rijselse elite sneller gehoor dan in de naburige steden. Evenmin citeert Becchia het Engelstalige werk van James Farr over de ambachten in vroegmodern Dijon (Hands of honor, 1988), dat nochtans nuttige gegevens bevat over de relatie tussen de elite en de middengroepen in de stad. Vorsers naar de politieke stadsgeschiedenis van de Nederlanden zullen het dus niet louter bij de consultatie van Becchia’s werk kunnen houden als ze nog dieper willen graven naar de geschiedenis van Dijon en Rijsel, maar ze hebben er wel alvast een heel degelijk onderzoek bij om vergelijkingsmateriaal te vinden.