Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is het onder historici gangbaar geworden om de koloniale geneeskunde te bekijken als een tool of empire. Westerse medische technologie, kennis en ideologie werden in het tijdperk van het imperialisme ingezet door artsen die opgeleid werden in de metropolen van de koloniale rijken, met als doel om het gezag in de kolonies te versterken. De afgelopen jaren komt er meer aandacht in de historiografie voor de geneeskundigen uit de kolonies zelf. Wat Nederlands-Indië betreft, bestudeerde Liesbeth Hesselink in haar Healers on the Colonial Market (2011) de koloniale geneeskunde vanuit het perspectief van de inheemse gezondheidszorg en de dokters djawa, de Javaanse dokters die vanaf 1851 werden opgeleid in een door de koloniale regering ingestelde medische training in Batavia. Hans Pols, een Nederlandse historicus werkzaam aan de Universiteit van Sydney, onderzoekt in zijn in 2018 verschenen Nurturing Indonesia de Indonesische artsen onder het koloniaal bewind en hun verdere wederwaardigheden onder de Japanse bezetting, tijdens de revolutie en in het postkoloniale Indonesië.

Pols compliceert het beeld van de koloniale geneeskunde als tool of empire en laat zien hoe inheemse artsen de geneeskunde plaatsten in de context van hun nationalistische aspiraties. In zijn chronologisch opgezette onderzoek schetst de auteur de verschillende fasen die opeenvolgende generaties van Indonesische artsen vanaf ongeveer 1900 doorliepen, van het tijdperk van de ethische politiek tot het huidige tijdperk van global health (gezondheidsbeleid in een globale context) dat gedomineerd wordt door de World Health Organization en andere VN-organisaties. Hij laat zien hoe de verwachtingen van deze generaties over de rol van de geneeskunde in het scheppen van een modern Indonesië veranderden, en hoe ze uiteindelijk tegen hun beperkingen botsten. Fundamenteel voor het begrijpen van de inheemse artsen onder het kolonialisme is hun dubbelzinnige positie in de koloniale samenleving. Geschoold en gesocialiseerd in het denken van de westerse geneeskunde, hadden ze tegelijkertijd een minderwaardige positie ten opzichte van witte artsen en werden ze gediscrimineerd door de koloniale overheersers. Pols toont aan dat naast de politieke idealen van modernisme en nationalisme het verhaal van de inheemse artsen onder het kolonialisme er ook een is van een poging tot emancipatie.

De dokters djawa waren geen volwaardige artsen, maar slechts opgeleid als assistent-artsen en vaccinateurs. Om hun doktersgraad te halen, moesten de Javanen naar Nederland, iets dat een twintigtal vóór de Tweede Wereldoorlog deed. Zij waren doordrongen van een modernistisch idealisme: zoals zovelen van hun westerse tijdgenoten geloofden de dokters djawa dat de wetenschappelijke geneeskunde een essentiële rol had in de modernisering van de maatschappij. De voorbeeldfiguur die Pols opvoert voor deze groep, Abdul Rivai, was geheel doordrongen van de Nederlandse cultuur. Rivai en andere Indonesische studenten in Nederland verhollandsten tot op zekere hoogte, werden verliefd op Nederlandse vrouwen, en raakten ervan overtuigd dat de modernisering van Nederlands-Indië betekende dat de Indonesiër Nederlander moest worden. In feite probeerden ze een nieuwe intellectuele aristocratie te scheppen die de oude op tradities en erfrecht gebaseerde Javaanse aristocratie moest vervangen. De in 1900 opgerichte Vereeniging van Inlandsche Geneeskundigen streefde gelijkwaardigheid met de Nederlanders na.

Dit streven was echter tot mislukken gedoemd. Het meer conservatieve en reactionaire deel van de Nederlandse koloniale regering en van de Nederlandse kolonialen beschouwden ook de inheemse artsen als minderwaardig – ongeacht het feit dat zij zich als Nederlander gedroegen en soms met een Nederlandse vrouw getrouwd waren. Na een korte reformistische periode aan het einde van de Eerste Wereldoorlog domineerde in de jaren twintig en dertig het koloniale conservatisme en was de ethische politiek een zachte dood gestorven. Dit conservatisme uitte zich onder meer in psychologische theorieën over de aangeboren inferioriteit van de inheemse mensen en in beperkte carrièrekansen voor de Indonesische artsen. Die kansen verbeterden niet toen in 1927 medische graden behaald aan de Geneeskundige Hogeschool van Batavia equivalent werden aan die in Nederland. Aangezien studenten moesten betalen voor een opleiding aan de Geneeskundige Hogeschool (op een klein aantal beursstudenten na) raakten Indonesiërs in de minderheid: de meeste artsen die na 1927 in Nederlands-Indië werden opgeleid, waren Nederlanders, Indo-Europeanen of Indo-Chinezen. Bovendien nam de koloniale gezondheidsdienst, de belangrijkste werkgever voor inheemse artsen, tijdens de jaren van de depressie steeds minder van hen in dienst.

Al vóór de Eerste Wereldoorlog waren er ook inheemse artsen zoals Tjipto Mangoenkoesoemo (die grote invloed op de jonge Soekarno zou hebben) die een nationalistische koers gingen varen. Zij stonden mede onder invloed van Ernest Douwes Dekker die rond 1910 als eerste intellectueel actie ging voeren voor een onafhankelijk Indonesië. Een interessante zijlijn in Pols’ studie is dat zowel Indonesische nationalisten als Nederlandse koloniale conservatieven de universalistische pretenties van de westerse wetenschap afwezen en de lokale gemeenschap (de adat) verheerlijkten boven individualisme. Tegelijkertijd combineerden nationalistische artsen als Abdul Rasjid hun geloof in de adat met de openbare gezondheidsperspectieven zoals gesteund door de Rockefeller Foundation. Na de Japanse verovering van Nederlands-Indië leek hun medisch nationalisme zijn kans te krijgen. Met de bevoorrechting van Nederlandse boven Indonesische artsen was het toen uiteraard afgelopen. Soekarno benadrukte dat artsen niet individuele patiënten moesten behandelen, maar de gehele natie. Een kleine elite van artsen werkte met de Japanners samen uit een mengeling van idealisme en opportunisme. Maar voor een groep medische studenten was het autoritaire Japanse bewind een teleurstelling en zij kwamen hiertegen in verzet. Na de onafhankelijkheidsverklaring van 1945 en de daaropvolgende revolutie kregen artsen eindelijk de mogelijkheid om hun nationalistische ideeën in praktijk te brengen. Veel van hen deden dat echter niet als artsen, maar als militairen, ambtenaren of journalisten.

Het medisch nationalisme van de artsen kreeg na 1949, toen Nederland de onafhankelijkheid van Indonesië had erkend, nieuwe teleurstellingen te verwerken. Gezondheidszorg was geen prioriteit in het nieuwe Indonesië, ondanks de ambities van gezondheidsminister Johannes Leimena en andere politici en artsen De gezondheidszorg bleef afhankelijk van buitenlandse expertise en financiëring zoals geboden door de World Health Organization, UNICEF en de Verenigde Staten. Pols’ relaas bevestigt de analyse van Vivek Neelakantan in diens Science, Public Health and Nation-Building in Soekarno-Era Indonesia (2017), die concludeert dat een land dat nauwelijks in staat was zichzelf te voeden en waar afgestudeerde artsen na verplichte tewerkstelling op het platteland liever een lucratieve eigen praktijk in de steden gingen beginnen, niet in staat was een moderne gezondheidszorg uit te bouwen. De artsen depolitiseerden. Afhankelijkheid van het buitenland bleef bestaan, ook onder de dictatuur van Soeharto en na diens val in het moderne tijdperk van global health, waarin privatisering de voorkeur heeft gekregen boven openbare gezondheidszorg in de lokale gemeenschappen.

De ambitie van Indonesische geneeskundigen om hun land te moderniseren, kon uiteindelijk slechts heel mondjesmaat gerealiseerd worden. Wat konden en deden Indonesische artsen onder het kolonialisme en daarna in de praktijk nu eigenlijk? Was de moderne gezondheidszorg niet goeddeels irrelevant voor het grootste deel van de bevolking? Helaas vallen deze vraagstukken, en de vraag of de praktijk van de Indonesische artsen een eigen cultuur kende die verschilde van hun Europese collega’s, buiten het bestek van Pols’ onderzoek. Desalniettemin biedt zijn boek de lezer een mooie studie van de opkomst en het verval van de nationale Indonesische arts.