Vechten voor de vrede is een uitloper van de herdenkingen van 75 jaar bevrijding in België. De stad Antwerpen en haar burgemeester Bart De Wever hebben in 2019 sterk ingezet op deze herdenkingen. Het Antwerpse schepencollege gaf het Vredescentrum van de Provincie en Stad Antwerpen de opdracht voor een boek en een tentoonstelling. Voor het boekproject trok het Vredescentrum de ervaren historicus Frank Seberechts aan. Hij moest op relatief korte termijn een boek voltooien, want er gold een harde deadline: het bevrijdingsweekend van 7 en 8 september 2019. Seberechts, een van de meest veelzijdige Tweede Wereldoorlog-specialisten in Vlaanderen, was de geknipte man voor deze opdracht: hij promoveerde in 2001 op de politieke en institutionele geschiedenis van de Antwerpse haven in de periode 1930-1950 en heeft tevens jarenlange ervaring in het produceren van monografieën. In 2019 publiceerde hij zelfs nog Drang naar het Oosten, een ander veelgelezen boek over de Vlaamse Oostfrontstrijders tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het voorwoord komt van Bart De Wever, de Vlaams-nationalistische burgemeester van Antwerpen en partijvoorzitter van de N-VA. Deze ex-historicus maakte de laatste jaren een strategische bocht ten aanzien van de erfenis van de Tweede Wereldoorlog. In 2015 noemde hij als burgemeester immers de Vlaams-nationale collaboratie openlijk ‘een vreselijke fout, op alle vlakken’. In het voorjaar van 2019 haastte hij zich om het ‘Delwaidedok’ te herdopen tot ‘Bevrijdingsdok’, nadat het boek van Herman Van Goethem over de Jodenvervolging in Antwerpen de doodsteek had gegeven aan de reputatie van oorlogsburgemeester Leo Delwaide. Met zijn ongeïnspireerde voorwoord – dat geschreven lijkt door een jonge kabinetsmedewerker met een lichte interesse in geschiedenis – bewijst De Wever het boek geen dienst. Maar ook de inleiding van Seberechts zelf doet weinig meer dan droog de kernthema’s aankondigen. Het is jammer dat het boek zo moeizaam op gang komt. Ook is het vreemd dat de maatschappelijke context waarin het boek tot stand kwam of de doelstellingen van de opdracht niet worden uitgeklaard – het Vredescentrum wordt nota bene nergens vermeld.

Het eerste van de negen hoofdstukken over Antwerpen tijdens de bezetting is misschien wel het zwakst. Het hoofdstuk werkt niet als inleidende bezettingssynthese omdat het te veel met één been in de rest van het boek staat. Het leeuwendeel van het hoofdstuk gaat al over de bevrijdingsvoorbereidingen door het verzet, terwijl het dagelijks leven tijdens de bezetting snel wordt afgehaspeld. Dat de Jodenvervolging een belangrijke plek krijgt in dit eerste hoofdstuk (en ook later als thema terugkeert) reflecteert wellicht ook de actuele politieke prioriteit die aan dit thema in Antwerpen wordt gegeven. Na dit eerste hoofdstuk volgt Vechten voor de vrede een chronologisch verloop: verschillende hoofdstukken beschrijven de moeizame bevrijding, het herstel van het naoorlogse lokale bestuur in relatie tot de geallieerden, de afrekening met de collaborateurs, het trage herstel na de bevrijding met alle tekorten (voedsel, energie, huisvesting) en logistieke problemen, de periode van de V-bommen op Antwerpen en de terugkeer van de politieke gevangenen uit Duitse kampen. De rode draad van het boek is de bevrijding van de haven van Antwerpen. Deze was cruciaal voor de bevoorrading van de geallieerden, die vanaf augustus 1944 begon te sputteren door de lange aanvoerlijnen. Nadat de stad werd veroverd, stokte de opmars van de geallieerden echter een maand. Daarna volgde nog ongeveer anderhalve maand een moeizame strijd voor de bevrijding van de gemeenten ten noorden van Antwerpen, de Scheldemonding en het zuiden van Nederland. Pas op 28 november 1944 kon een eerste geallieerd bevoorradingskonvooi aanmeren in de Antwerpse haven.

Grofweg de eerste helft van het boek beschrijft hoofdzakelijk deze militaire gebeurtenissen. Daarna verschuift de blik naar het maatschappelijk herstel in de bevrijde stad, die wel onder vuur blijft liggen. De focus ligt hierbij toch vooral op een (lokale) elite van de bevrijders, het bestuur en het verzet. Deze nogal beschrijvende aanpak met een nadruk op beleidsmaatregelen compenseert Seberechts door zijn betoog te doorspekken met persoonlijke verhalen en anekdotes die vaak worden opgeluisterd met citaten uit brieven en dagboeken. Die permanente afwisseling tussen enerzijds een feitelijk relaas van militaire en bestuurlijke gebeurtenissen en anderzijds korte persoonlijke verhalen is vooral in de eerste helft van het boek soms kunstmatig en voor de kritische lezer af en toe desoriënterend. Niettemin pakt Seberechts de compositie van het boek wel slim aan. Hij put uit een ruime voorraad van concrete verhalen en voorbeelden. In minder vaardige handen had zoiets een impressionistische lappendeken opgeleverd, maar Seberechts slaagt erin om een consistent verhaal te schrijven voor de ‘gewone lezer’. Zijn stijl is altijd direct, helder en droog; zonder franjes, jargon of pathos. Persoonlijk vind ik dat een verademing. Met name mag gezegd worden dat hij het verzet in Antwerpen op objectieve wijze behandelt. Dat verzet staat in het herdenkingsjaar 2019 in Vlaanderen plots in de publieke aandacht, wat verrassend genoemd mag worden gezien het feit dat het verzet eigenlijk na 1945 uit het collectieve geheugen verdween. Seberechts trapt niet in de val van een romantisch en heroïserend verhaal. Hij blijft altijd objectief, bijvoorbeeld in zijn evenwichtige behandeling van de nog altijd delicate vraag welke verzetsgroep nu precies welke verdienste mag claimen bij de bevrijding van de stad en haar haven.

Het laatste hoofdstuk, gewijd aan de moeizame maatschappelijke heropstart, is het sterkst en meest interessant. Seberechts behandelt in vogelvlucht de huisvesting, de energie- en nutsvoorzieningen, veiligheid en openbare orde, economie en tewerkstelling, vrije tijd en de eerste herdenkingen. Bovendien maakt hij de directe nasleep van de oorlog op een stedelijke samenleving concreet en slaagt hij er goed in om een beeld te schetsen van de enorme materiële uitdagingen na de bevrijding. Deze publicatie doet mij opnieuw beseffen dat er in België en Vlaanderen behoefte blijft aan goede boeken over de sociale geschiedenis van de bezetting, inclusief de naoorlogse periode. Ook mag worden gezegd dat dit boek mooi is uitgegeven. Het mocht wat extra kosten: uitgeverij Polis zorgde voor een harde kaft, een fotodruk van hoge kwaliteit, een extra verzorgde lay-out en stevig papier. Het boek gebruikt ook veel (kleuren)illustraties van foto’s, documenten en kaarten.

Vanuit academisch standpunt is het gemakkelijk kritiek te geven op dit boek. Er is geen sturende vraagstelling, er zijn geen vernieuwende stellingen of conclusies en er is weinig dialoog met ander onderzoek. Maar vanuit het standpunt dat hier snel een breed publieksboek moest liggen over iets heterogeens als ‘de bevrijding van Antwerpen’, slaagt Seberechts met glans. Weinigen hadden die oefening succesvol kunnen volbrengen. Vechten voor de vrede is een interessant en leesbaar boek geworden dat als case-studie zeker ook relevant is voor een bovenlokaal leespubliek.