In De publieke man, het proefschrift van letterkundige Alex Rutten, wordt het verhaal verteld van een mislukking. Rutten onderzocht de carrière van Dr. P.H. Ritter jr. (1882-1962), een productieve, maar inmiddels grotendeels vergeten schrijver, journalist en criticus. Het proefschrift richt zich via Ritter niet alleen op het fenomeen ‘literaire loopbaan’, maar ook op het literaire bedrijf waarin die loopbaan vorm kreeg, en op de instituties, netwerken en relaties die daarin een rol speelden. Rutten vat – en dat is verfrissend – literatuur breed op. Hij stelt dat ontwikkelingen in de (verspreiding van) literatuur niet los kunnen worden gezien van ontwikkelingen bij de krant, de radio, de film en volksverheffende organisaties als de volksuniversiteit. Ritter wendde al deze media en organisaties aan om het Nederlandse volk warm te maken voor wat hij zag als goede boeken en waardevolle kennis.

De publieke man laat heel mooi de tijdsgebondenheid zien van de ongeschreven regels waar schrijvers zich aan te houden hebben. Ritter werd anno 1930 aangevallen en afgerekend op een manier van werken waar jonge kunstenaars anno 2020 juist om worden geprezen. Wees ondernemend, krijgen zij vandaag de dag te horen, diversifieer je publiek, denk in doelgroepen, manage je productiviteit, creëer een gezonde financieringsmix, manipuleer je selling power, en denk aan je branding. Rutten laat zien dat een auteur als Ritter dit allemaal al in de praktijk bracht en hoe duur dit hem kwam te staan.

De loopbaan die in dit proefschrift centraal staat verliep grillig. Terugkijkend in 1938 stelde Ritter somber vast dat hij was ‘weggejaagd als hoofdredacteur, ongewaardeerd als romanschrijver, geridiculiseerd door de jongere generatie critici, genegeerd door literatuurhistorici, en (…) moegezworven als volksverlichter’ (236). Op dat moment had hij er als allround cultuurbemiddelaar al ruim twintig jaar noeste arbeid op zitten. In het interbellum publiceerde hij het ene boek na het andere, sprak hij elke zondag voor de avro over literatuur, recenseerde hij wekelijks boeken voor het Utrechtsch Dagblad, leidde hij talloze films in, en reisde hij het land door om goedbezochte lezingen en colleges te geven. Dit alles om via kennisverspreiding ‘den generalen, gemiddelden mensch’ (61) te verheffen, zoals hij dat zelf graag uitdrukte. Ritter bereikte er tienduizenden lezers en toehoorders mee.

Rutten weet zijn lezers op heldere en trefzekere wijze te overtuigen van het belang om de lotgevallen van een inmiddels marginaal geworden figuur als Ritter te bestuderen. Aan de hand van zijn loopbaan problematiseert hij nauwgezet de klassieke tweedeling tussen ‘hoge’ kunst en ‘lage’ of populaire cultuur, tussen de ‘ware’ literator en de pulpschrijver, en tussen de ‘echte’ lezer en de lectuur consumerende massa. Het proefschrift is vlot geschreven en strak gestructureerd, maar doet hier en daar – juist omdat de auteur het zo belangrijk vindt de lezer op goed gestructureerde wijze van argument naar argument te loodsen – ook wat schools aan. Het inleidende hoofdstuk is sterk, vanwege het scherpe, uitstekend opgezette theoretische gedeelte. Het is jammer dat Rutten in de casushoofdstukken die volgen de theoretische bril weer heeft afgezet en niet meer verwijst naar de ideeën van cultuur- en literatuursociologen Pierre Bourdieu, Bernard Lahire en Ruth Amossy die hij in zijn inleiding zo helder uiteenzet.

In dit proefschrift hanteert Rutten het perspectief van de Middlebrow Studies, een recent ook in Nederland opgebloeide benadering waarin bestaande culturele hiërarchieën kritisch worden bekeken en waarin veel ruimte is voor bestudering van de ‘middlebrow-cultuur’, het domein tussen hoge en lage cultuur in. Daarmee sluit zijn werk goed aan bij dat van onder meer Erica van Boven (Schrijverstypen. De moderne auteur tussen individu en collectief, 2016). Het belang van radiokritiek als vorm van cultuurbemiddeling in het interbellum kwam recent ook al aan de orde in Jeroen Dera’s sterke proefschrift Sprekend kritiek. Literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie (2017). Ruttens oog voor de institutionele context van literatuurproductie verbindt zijn werk met dat van Geert Buelens, die in zijn overzichtswerk De jaren zestig: een cultuurgeschiedenis (2018) de literatuur al even breed bestuderen als in De publieke man gebeurt.

Rutten toont Ritter als voorbeeld van een cultureel multimens, actief op vele terreinen, en als een alomtegenwoordige en in de ogen van zijn collega’s ‘raadselachtige, haast onmenselijk bedrijvige figuur’ (8), maar hij laat ook haarscherp zien hoe die bedrijvigheid en bekendheid Ritter maar weinig waardering en erkenning van collega-auteurs opleverden. De publieke man maakt duidelijk hoe onbestendig en onzeker het verloop van een literaire loopbaan kon zijn. Literatoren als Ritter werden in hun carrière voortgestuwd én zagen zich de pas afgesneden worden door factoren waar zij zelf geen grip op hadden, zoals de onstuimige groei van het publiek, de expanderende cultuurmarkt, en de in het interbellum sterk veranderende culturele hiërarchieën. Ritter deed zijn best om mee te liften op die veranderingen en ervan te profiteren. Sociale ontwikkelingen, zoals de bloei van de volksuniversiteit, en technologische vernieuwingen in radio, film en krantenbedrijf speelden een ondernemend schrijverschap als dat van Ritter in de kaart.

Een van de interessantste aspecten van Ritters cultureel ondernemerschap (een term die overigens niet valt in dit proefschrift) is hoe omstreden het in zijn tijd was. Als zelfbenoemd ‘commissionair in letterkundige en aanverwante zaken’ was hij als schrijver in de ogen van collega-auteurs te weinig autonoom en te veel ‘te koop’ (9, 10). Zijn veelzijdigheid, zijn productiviteit, de diversiteit van zijn podia, en zijn bereidheid om zijn culturele waar aan een groot publiek te slijten, werden met argwaan bekeken. De genres waarin hij veelal schreef – de recensie, het krantenstuk, de causerie – stonden lager in aanzien dan ‘echte’ literaire genres als de roman en het gedicht. Daarom, en vanwege zijn commerciële houding, zagen critici hem eerder als broodschrijver dan als serieus te nemen kunstenaar. Dat wrong, want Ritter hoopte juist op symbolisch gewin en erkenning. Geen wonder dat hij de neiging had zijn schrijverschap als mislukt te beschouwen en zich ‘ongewaardeerd, (…) geridiculiseerd (…) en genegeerd’ (236) te voelen.