Een levensverhaal optekenen van iemand die op één bepaald gebied excelleert, vraagt al veel van een biograaf omdat die persoon steeds in zijn of haar eigen wereld gekend en geplaatst moet worden. Complexer wordt het wanneer iemand zich op meerdere terreinen heeft onderscheiden. Dit stelt een biograaf voor lastige keuzes: of zich beperken, of juist proberen dat veelzijdige leven in kaart te brengen. Een mooi voorbeeld van de eerste benadering is het boek over Willem Schermerhorn (1894-1977) van de hand van Herman Langeveld. Hij koos ervoor de politicus Schermerhorn centraal te stellen en de cartograaf Schermerhorn alleen te behandelen in zoverre dat zinvol was voor diens politieke loopbaan. Zelfstandig onderzoeker en filosoof Paul Overvoorde koos in zijn monografie over mr. dr. Jacob Cornelis Overvoorde (1865-1930) voor de tweede variant. Hij beschreef het leven van de feminist, jurist, archivaris, museumdirecteur en erfgoedbeschermer J.C. Overvoorde juist in al zijn facetten.

Dit veelzijdige leven behandelt de biograaf sterk thematisch. Over de jeugd van de in Rotterdam geboren hoofdpersoon komen we niet veel te weten, maar zijn rechtenstudie in Leiden en de daaropvolgende promoties komen wel uitgebreid aan bod. Eerst schreef Overvoorde het proefschrift De Ontwikkeling van den Rechtstoestand der Vrouw, volgens het Oud-Germaansche en Oud-Nederlandsche Recht. Voor de tweede promotie verdedigde hij dertig stellingen behorende bij dit rechtshistorisch onderzoek. Systematisch liet hij, voor het eerst in Nederland, zien hoe de ondergeschiktheid van vrouwen, in het bijzonder die van gehuwde vrouwen, al eeuwenlang was verankerd in het recht.

Zijn feministische dissertaties trokken de aandacht en vormden de opmaat tot verdere betrokkenheid bij de vrouwenbeweging. Als uitgesproken voorstander van het vrouwenkiesrecht werkte hij samen met Aletta Jacobs en adviseerde Annette Versluijs-Poelman, voorzitter van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, over juridische kwesties. Hij schreef over het feminisme in Nederland, vrouwenarbeid en het verbod op het onderzoek naar het vaderschap en het buitenechtelijke ouderschap. Over deze onderwerpen polemiseerde hij met Wilhelmina Drucker. De ‘beschaafde, gerespecteerde archivaris uit Dordrecht met zijn revolutionaire ideeën’ (174) was echter minder radicaal dan de voorvrouw van de Vrije Vrouwen Vereeniging. En dat liet zij hem weten ook! Overvoorde leek vooral op zijn plaats in het Comité tot Verbetering van den Maatschappelijken en den Rechtstoestand der Vrouw in Nederland (1894-1920). Dit gemengde Comité wilde de achterstelling van de gehuwde vrouw in de burgerlijke en sociale wetgeving langs constitutionele weg ongedaan maken. De hoogopgeleide dames en heren van het Comité zonden adressen aan de overheid tegen iedere maatregel of wet die de wettelijke en sociale ongelijkheid van de seksen handhaafde of versterkte. Zij leverden onder meer een belangrijke bijdrage aan het verkrijgen van het actief en passief kiesrecht voor vrouwen in de Kamers van Arbeid in 1897. In hoeverre dit feministisch engagement zijn latere loopbaan als archivaris – eerst in Dordrecht (1892-1901) en later in Leiden (1901-1930) – beïnvloedde, wordt niet goed duidelijk. Wel nam Overvoorde vrouwen aan op relatief hoge posities.

Als archivaris zette Overvoorde zich enorm in voor het toegankelijk maken van de archieven van Dordrecht en Leiden en voor de verwetenschappelijking en professionalisering van de archivistiek. In Leiden combineerde hij zijn functie met het directeurschap van Museum De Lakenhal. In die laatste hoedanigheid vormde Overvoorde de collectie Oude Leidsche meesters en bracht een omstreden nieuwbouw bij het museum tot stand. Daarenboven maakte hij zich ook sterk voor het behoud van erfgoed en monumenten. Hij richtte lokale verenigingen voor oudheidkunde en monumentenzorg op, was de gangmaker achter de oprichting van de Nederlandschen Oudheidkundigen Bond en maakte met zijn vrouw een wereldreis naar Nederlands erfgoed in onder meer Zuid-Afrika, Birma, Ceylon, Indonesië, Japan en Noord- en Zuid-Amerika. Het harde werken putte hem echter vaak uit, zorgde ervoor dat hij niet altijd even aangenaam was als leidinggevende en maakte hem letterlijk ziek. Maar iedere dag die hij niet kon werken, beschouwde deze workaholic als een verloren dag. Uitgeput stierf hij op 64-jarige leeftijd. Waarom deze strijder op vele fronten zo gedreven was, maakt de auteur helaas niet goed duidelijk.

De thematische levensbeschrijving bevat hoofdstukken over Overvoorde’s feminisme, de Dordtse en de Leidse jaren en een hoofdstuk waarin niet alleen zijn huwelijk, het leven thuis op De Pauwhof, de Eerste Wereldoorlog maar ook zijn levenseinde worden behandeld. Een van de sterke kanten van deze publicatie is dat Paul Overvoorde de betrokkenheid van mannen bij het feminisme zichtbaar maakt, een onderwerp dat in Nederland nog weinig is belicht. De biograaf heeft veel literatuur bestudeerd en archiefonderzoek verricht. Het eindresultaat van dit werk is een (te) wijdlopig boek, met (te) lange citaten en onnodige herhalingen. De biografie springt door de tijd, zelfs binnen een paragraaf, wat niet bevorderlijk is voor de leesbaarheid. Zo trouwde Overvoorde in hoofdstuk tien op 42-jarige leeftijd met zijn secretaresse Johanna Gordon terwijl hij in hoofdstuk negen al met haar op wereldreis was geweest. Met een strenge redactie had dit boek aan zeggingskracht kunnen winnen. J.C. Overvoorde leidde onmiskenbaar een interessant leven, maar in dit boek dreigt de man onder te sneeuwen in een grote hoeveelheid van feiten en gebeurtenissen.