In de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw bewogen zich in de toenmalige Nederlandse Hervormde Kerk zogeheten ‘ethische’ theologen. Aan twee van hen, Daniël Chantepie de la Saussaye (1818-1874) en Jan Hendrik Gerretsen (1867-1923), heeft de historicus Paul Gerretsen een proefschrift gewijd, waarvan de handelseditie in 2014 is verschenen. De auteur heeft naar eigen zeggen een boek met een ‘sterk biografische inslag’ geschreven, waarin hij zich ‘niet alleen richt op theologisch werk van La Saussaye en Gerretsen, maar ook […] hun belevingswereld zo dicht mogelijk wil benaderen’ (28). In een dubbelstudie van twee ethische theologen is La Saussaye volgens de auteur een voor de hand liggende protagonist: hij was immers de ‘geestelijke vader van de ethische theologie’ (25). De auteur verantwoordt de minder vanzelfsprekende keuze voor Gerretsen door erop te wijzen dat laatstgenoemde als veelzijdig theoloog uit beeld is geraakt en in diverse controverses verwikkeld was die bij uitnemendheid ‘inzicht bieden in de wijze waarop het ethische beginsel […] in de dagelijkse praktijk kon uitwerken’ (26). De familieband tussen beide Gerretsens – de auteur is een kleinzoon van de ethische theoloog – zal die keuze hebben versterkt.

Ethische theologen zijn in de historiografie nogal stiefmoederlijk behandeld. Dat is ongetwijfeld mede het gevolg van de ongrijpbaarheid en daardoor voor velen, zoals niet-geestverwanten van La Saussaye al in de negentiende eeuw schamperden, ‘onbegrijpelijkheid’ van de ethische theologie, die de auteur in de titel van zijn boek (Vrijzinnig noch rechtzinnig) tot uitdrukking brengt en waaraan Jan Hendrik Gerretsen treffend uiting gaf in zijn uitspraak: ‘Wij hebben noodig de diepte van de orthodoxie en de breedte van het modernisme’ (259).

Deze uitspraak geeft aan welke positie de ethische theologie in de Hervormde Kerk innam: zij stond in het centrum, geflankeerd door vrijzinnige theologie of modernisme aan de ene kant en rechtzinnige theologie of orthodoxie aan de andere kant. Zoals de auteur duidelijk maakt, bevonden ethischen zich in die middenpositie à contrecoeur; hun theologie was bedoeld om boven recht- en vrijzinnigheid uit te stijgen. Rechtzinnige hervormden grondden het geloof op Schriftgezag: zij lazen de tekst van de Bijbel als een historisch betrouwbaar feitenrelaas en beschouwden drie vroegmoderne belijdenisgeschriften, de zogeheten ‘Drie Formulieren van Enigheid’, als ‘handleiding’ voor de enige juiste uitleg van de Bijbel. Vrijzinnigen of modernen, die zich omstreeks 1850 begonnen te manifesteren, meenden daarentegen dat geloofsopvattingen beredeneerd moesten zijn op basis van Schriftkritiek: zij onderwierpen de Bijbel aan methoden en theorieën uit het brede scala aan geestes- en natuurwetenschappen en kwamen er op grond daarvan toe Bijbelteksten allegorisch te interpreteren. Ethischen draaiden de volgorde die recht- en vrijzinnigen hanteerden om: geloof ging huns inziens aan een juist verstaan van de Bijbel vooraf. Waar de historische betrouwbaarheid van de Bijbel door rechtzinnigen a priori voor waar werd aangenomen en door vrijzinnigen a posteriori werd verworpen, was zij voor ethischen min of meer irrelevant. Hun beginsel van theologiebeoefening luidde dat de waarheid ‘ethisch’ is, wat min of meer wil zeggen dat de werkelijke betekenis van de Bijbel zich ontvouwt in existentiële ervaringen.

In vier case studies laat de auteur zien hoe La Saussaye en Gerretsen dit ‘ethische beginsel’ hebben onderbouwd en uitgedragen en welke ontvangst hun theologische arbeid in kerk en academie ten deel is gevallen. Na een inleiding (genummerd als hoofdstuk I), waarin de auteur het ‘dialectische’ of ‘paradoxale’ karakter van de ethische theologie benadrukt – simpel gezegd: ethischen meenden dat God en mens, leer en leven en hoofd en hart volstrekt tegengesteld aan elkaar zijn, maar niettemin pas in relatie tot elkaar betekenis krijgen – beschrijft de auteur in hoofdstuk II het brede onbegrip waarop La Saussaye stuitte. Desondanks leverden allerlei (kerk)politieke intriges La Saussaye in 1872, twee jaar vóór zijn dood, een benoeming tot theologiehoogleraar in Groningen op. Theologie was voor hem een ‘empirische’ wetenschap, zij het niet in de zin waarin die term normaliter werd opgevat: meer nog dan uit zintuiglijke observaties bestond ‘empirie’ voor hem uit bovenzinnelijke ervaringen. Zoals de auteur in hoofdstuk III laat zien, vervlocht La Saussaye zijn ‘empirische’ theologiebegrip met een ‘speculatieve’ kentheorie: hij probeerde op grond van niet-zintuiglijke ‘waarneming’, zoals intuïtie en verbeeldingskracht, een steeds sterker godsbewustzijn te ontwikkelen en zo tot waarheidsvinding te komen.

In het als kort ‘intermezzo’ aangeduide hoofdstuk IV beschrijft de auteur dat La Saussaye en Gerretsen de persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus in het inwendige van de mens als vertrekpunt van hun theologie namen. Het daaropvolgende hoofdstuk V biedt een reconstructie van de controverse die Gerretsen en een collega-predikant met hun vrijmoedige uitspraken ten gunste van Schriftkritiek in 1906 en 1907 in de Haagse hervormde gemeente teweegbrachten. Deze casus illustreert dat het front waarop ethischen strijd moesten leveren, was verschoven: terwijl La Saussaye in het bijzonder onder vuur lag van vrijzinnigen, trof Gerretsen orthodoxe hervormden als zijn voornaamste tegenstrevers. Sinds de dagen van La Saussaye had de ethische theologie in de Hervormde Kerk steeds meer weerklank gevonden en daardoor eveneens steeds meer weerstand opgeroepen bij ‘confessionele’ verdedigers van de Drie Formulieren van Enigheid. De ethische theologie was inmiddels dominant geworden aan de theologiefaculteiten van de rijksuniversiteiten en viel in 1909, met de aanstelling van Gerretsen tot hofpredikant, zelfs koninklijke ‘erkenning’ te beurt.

Een jaar eerder (en ook al in 1896) was Gerretsen in de running geweest voor een professoraat in Utrecht, maar werd hij door een politiek slimmigheidje van rechtzinnigen buitenspel gezet. Dit voorval gebruikt de auteur in hoofdstuk VI als ingang voor een bespreking van Gerretsens bezinning op orthodoxe dogma’s over de heilsleer. Kort gezegd meende Gerretsen dat de waarheid van die dogma’s in het innerlijk van de mens besloten ligt, omdat besef van zonde en behoefte aan verlossing (door Christus) zijns inziens inherent zijn aan de condition humaine.

De auteur heeft in de vier case studies de ‘Sitz im Leben’ (23) van La Saussaye en Gerretsen willen uittekenen. Wat hij op grond daarvan wil betogen, blijft onduidelijk, temeer daar de chronologische lijn in de casussen over La Saussaye respectievelijk Gerretsen niet altijd even gemakkelijk te volgen is en een thematische lijn die als rode draad door de vier casussen loopt, zich moeilijk laat ontdekken. Eveneens debet daaraan is de heterogeniteit van de hoofdstukken, die, zoals de auteur toegeeft, voortvloeit uit ‘een zekere asymmetrie’ (28) in het bronnenmateriaal: een persoonlijk archief met briefwisselingen is in het geval van Gerretsen wèl voorhanden, maar in het geval La Saussaye níet. Het gevolg daarvan is dat de hoofdstukken over laatstgenoemde sterker op theologische exposés berusten en minder biografisch zijn dan die over Gerretsen.

In slothoofdstuk VII concludeert de auteur dat La Saussaye en Gerretsen zich in hun denken en doen lieten leiden door de overtuiging dat hun ‘ethisch beginsel’ een ‘reveil’ in de theologie inluidde en duidde op een ‘paradigm shift’, waardoor de inhoud van het geloof niet langer afhing van de historische (on)betrouwbaarheid van de Bijbel, maar juist de inhoud van de Bijbel haar betrouwbaarheid ontleende aan menselijke geloofservaringen (243-256). Wie die paradigm shift niet doorzag, kon de ethische theologie onmogelijk op waarde schatten. Dat zou volgens de auteur moeten verklaren waarom ethische theologen zoveel onbegrip en felle weerstand aan vrijzinnige en orthodoxe kant oogstten. Daardoor groeiden zij onbedoeld uit tot vertegenwoordigers van een aparte richting in kerk en theologie. Een synthese van de ontwikkelingsgang van deze richting, waartoe een aan de allereerste en een latere ethische theoloog gewijde studie toch in de eerste plaats uitnodigt, biedt de auteur niet, terwijl hij in het slothoofdstuk nota bene zelf belangrijke uitgangspunten voor een dergelijke synthese aandraagt. Hij ziet namelijk parallellen in het denken van La Saussaye en de Duitse ‘christen-theosoof’ Franz von Baader (1765-1841) enerzijds en van Gerretsen en de Franse ‘vitalistische’ filosoof Henri Bergson (1859-1941) anderzijds (252-254). Hoewel hij dit als één van zijn belangrijkste bevindingen presenteert, brengt hij Baader vreemd genoeg nauwelijks en Bergson in het geheel niet vóór het slothoofdstuk ter sprake.

De auteur peilt de diepte van de door hem opgemerkte parallellie onvoldoende. Wat Gerretsen en Bergson in zijn optiek gemeen hadden, was ‘dat zij zich eerder lieten leiden door de problemen die hun tijd stelde dan door vragen van systematiek’ en dat voor hen beiden ‘de factor tijd een creatieve rol speelde’ (262). Gaat de geestverwantschap tussen hen niet veel verder? Is zij niet veeleer gelegen in de psychologiserende wijze waarop Bergson de werkelijkheid probeerde te doorgronden en Gerretsen in zijn studie over de heilsleer in de gedachtewereld van de apostel Paulus probeerde door te dringen? Laat zich hier, in weerwil van de continuïteit in het denken van beiden waarop de auteur in zijn boek de nadruk legt, geen wezenlijk onderscheid opmerken tussen Gerretsen en La Saussaye, die ‘speculatieve’ theologie bedreef in de trant van Baader? En hoe dient dat onderscheid te worden getaxeerd wanneer in overweging wordt genomen dat Herman Bavinck (1854-1921) in het vroeg-twintigste-eeuwse neocalvinisme aandacht heeft gevraagd voor een meer psychologische benadering van geloofsvraagstukken, ten koste van speculatief denken à la Abraham Kuyper (1837-1920), die nota bene net als La Saussaye de invloed van Baader heeft ondergaan?1 De auteur durft zich niet aan dergelijke beschouwingen te wagen, omdat hij dicht bij zijn bronnen blijft. Dat wreekt zich niet alleen in het slothoofdstuk, maar bijvoorbeeld ook in hoofdstuk IV, waarin Gerretsen het etiket ‘theologische avantgardist’ (193) opgeplakt krijgt. Om die typering hard te maken, had de auteur de theologie van Gerretsen aan een vergelijking met die van (ethische) tijdgenoten moeten onderwerpen.

Het is jammer dat Gerretsens denkbeelden over liturgie als ‘tijdoverstijgend’ verschijnsel waarin het zinnelijke en bovenzinnelijke samenkomen, onbesproken blijven, omdat juist daarin raaklijnen met opvattingen van Bergson over tijd als duur en de dialectische verhouding tussen lichaam en geest naar voren komen. Doordat de auteur haar niet verder uitwerkt, komt de op zichzelf hoogst originele ontdekking van een geestverwantschap tussen Gerretsen en Bergson – op de congenialiteit tussen La Saussaye en Baader is daarentegen al vaker gewezen, onder anderen door La Saussaye zelf – als één van zijn hoofdconclusies uit de lucht vallen en blijft de lezer met de nodige vragen zitten. Dat laatste gevoel dringt zich onwillekeurig op in relatie tot zijn studie als geheel. Om in zijn eigen beeldspraak te blijven: de auteur is er prima in geslaagd een ‘tour d’horizon’ (17) te bieden van het denken en doen van La Saussaye en Gerretsen, maar de niet-ingevoerde lezer verliest door het nogal associatieve karakter van de gedachtegang van de auteur de horizon een beetje uit het oog. Samenvattingen aan het einde van alle hoofdstukken waren welkome richtingaanwijzers geweest.

Dat neemt niet weg dat de afzonderlijke case studies een waardevolle toevoeging bieden aan bestaande literatuur over de ethische theologie. De wortels van La Saussayes theologie in de Duitse speculatieve wijsbegeerte zijn niet eerder zo grondig blootgelegd. Eveneens nieuw, in het bijzonder ten opzichte van een oudere, op lange citaten berustende biografie van Gerretsen van de hand van Cris Antonides2, is dat de auteur het conflict over Schriftkritiek waarin Gerretsen aan het begin van de twintigste eeuw verzeild raakte, nauwgezet vanuit primaire bronnen heeft gereconstrueerd en vanuit het perspectief van de hoofdrolspeler zelf heeft belicht. En passant schetst hij een onthutsend beeld van het benoemingsbeleid van theologiehoogleraren in de decennia rond 1900: incompatibilité d’humeur, nepotisme en politiek gekonkel lijken vaker de doorslag te hebben gegeven dan academische verdiensten. Blijk gevend van een rijke woordenschat, weet de auteur op erudiete wijze het paradoxale en dialectische karakter van de ethische theologie treffend tot uitdrukking te brengen. Hij is overduidelijk goed ingevoerd in de materie waarover hij schrijft, wat hij accentueert in een omvangrijk, van uiteenlopende achtergrondinformatie voorzien notenapparaat. Vrijzinnig noch rechtzinnig is voer voor fijnproevers, maar Bourgondiërs onder de theologen, godsdienstfilosofen en historici van het christendom zullen zich dit boek goed laten smaken.