Onderzoek naar Surinaamse familiegeschiedenissen is de afgelopen decennia gemakkelijker geworden met het beschikbaar worden van online toegankelijke archieven. Door het digitale immigratieregister ‘Suriname: Contractarbeiders uit India (Hindostanen)’ te raadplegen, kunnen Hindostanen bijvoorbeeld uitzoeken op welk schip en met wie hun voorouders tussen 1873 en 1916 in Suriname arriveerden.1 Ook geeft dit register informatie over de plantage(s) waarop ze hun contracten moesten uitdienen en welke straffen ze mogelijk kregen. Zulke navorsingen leveren interessante persoonlijke details op, die wel altijd in de juiste context geplaatst moeten worden. Het immigratieregister was immers in de eerste plaats een instrument van de Nederlandse koloniale overheid om Hindostaanse immigranten te monitoren. De roep van historici om egodocumenten en oral history die het perspectief van Hindostaanse actoren weergeven, klinkt dan ook al jaren. Interviews afnemen met de eerste generatie is niet meer mogelijk, maar historici zijn de laatste dertig jaar wel begonnen met het vastleggen van de verhalen van de tweede en derde generatie.2 Egodocumenten liggen vaak bij mensen thuis en zijn nog nauwelijks beschikbaar voor onderzoek.3 Het bijzondere aan de familiegeschiedenis Uit de klei van Saramacca is dat de auteur heeft kunnen putten uit een grote collectie van ongeveer 600 persoonlijke brieven uit de nalatenschap van zijn ouders en dat deze documenten ook regelmatig zijn opgenomen in de tekst.

K.R. Sing is een pseudoniem van de Hindostaanse econoom Stanley Raghoebarsing, de voormalig minister van Planning en Ontwikkelingszaken (2000-2005) en minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij (2005-2010) namens de Vooruitstrevende Hervormings Partij (VHP) in Suriname. Hij schreef deze familiegeschiedenis na aansporing van zijn dochter Sadhana, die vond dat de verhalen over haar áji en ájá (paternale oma en opa) opgeschreven moesten worden. Onderwijzeres Trees Raghoebarsing-Oedjaghir (1932-1982) en kleermaker Nandoe Raghoebarsing (1924-2002) staan centraal in het boek. In chronologische volgorde lezen we over hun jeugd, het ontstaan van hun relatie, de ontwikkeling van het kleermakersbedrijf en het opgroeien en uitvliegen van hun vijf kinderen, waarvan de auteur er dus één was. Het boek beslaat een groot deel van de twintigste eeuw, met een nadruk op de periode van 1950 tot 1982. Dit waren jaren waarin grote politieke veranderingen plaatsvonden in Suriname, van toenemend zelfbestuur tot de onafhankelijkheid in 1975 en de militaire coup van 1980. In de brieven tussen de familieleden en beschrijvingen van de auteur komen de spanningen, twijfels en dilemma’s van het gezin rondom deze gebeurtenissen aan de orde, zoals de vraag van eventuele emigratie naar Nederland en de angst voor rassenrellen.

In grote lijnen vertelt de auteur een bekend en in Hindostaanse kringen geaccepteerd narratief van het overwinnen van armoede en door noeste arbeid en onderwijs opwerken tot de positie van een gerespecteerde welvarende burger – een verhaallijn die ook terug te vinden is in andere Hindostaanse familiegeschiedenissen en biografieën.4 Trees en Nandoe waren beiden afkomstig uit gezinnen die grotendeels van de landbouw leefden, verloren allebei op jonge leeftijd hun vader (en Trees later ook haar moeder), kwamen beiden naar Paramaribo om een vak te leren en werden al jong financieel zelfstandig. Het is opmerkelijk dat ook Trees in haar eigen onderhoud kon voorzien. Zij paste niet in het standaardplaatje van het Hindostaanse meisje dat op jonge leeftijd moest trouwen, ging inwonen bij haar schoonfamilie en haar leven binnenshuis of in elk geval onder toezicht doorbracht.

Wat dit boek waardevol maakt zijn de momenten waarop we in meer detail lezen over de denkbeelden, discussies en beslissingen van de twee hoofdpersonen. Een briefwisseling tussen Trees en Nandoe uit de jaren voor hun huwelijk geeft een zeer interessante inkijk in de ontwikkeling van hun relatie en in hoe ze zich tot de heersende normen verhielden. Trees woonde en werkte op dat moment in het district Nickerie, ver van Paramaribo. Ze nam haar eigen beslissingen, knipte haar haren korter, sprak mannen direct aan en zwom in badpak. De broers van Trees waren niet blij met zulk gedrag, dat gevoelig lag in de Hindostaanse gemeenschap. In de brieven verweert Trees zich tegen de kritiek van haar broers en soms ook van Nandoe. Zo schrijft ze in een van de brieven aan Nandoe: ‘Als Sing [koosnaam voor Nandoe, MF] mij in zijn huis gaat nemen als slavin of als een hond, die niets te zeggen heeft, dan zal ik verplicht zijn om vaarwel te zeggen’ (64). Trees laat zich in haar brieven van een zelfbewuste en assertieve kant zien die gelijkenissen vertoont met Hindostaanse vrouwen van de eerste generatie, die soms ook actief handelingsruimte opeisten.

Historici zullen dit boek met interesse lezen vanwege de manier waarop dit stadse gezin de sociale, culturele en religieuze grenzen navigeert. Trees was bijvoorbeeld katholiek en Nandoe hindoe, maar geen van beiden dwong de ander om zich te bekeren. Katholieke en hindoe feestdagen werden door hen even enthousiast gevierd. Nieuwe Amerikaanse en Indiase cultuurproducten vonden aftrek bij het gezin Raghoebarsing, maar een niet-Hindostaanse vriendin werd niet gewaardeerd. Ouders en kinderen hielden er andere ideeën op na over de rol van etniciteit in de politiek. Voor zoon Stanley was het vanzelfsprekend dat politieke partijen multi-etnisch moesten zijn, terwijl zijn ouders juist de voorkeur gaven aan een partij die specifiek de belangen van Hindostanen verdedigde. Als lezer is het belangrijk je te realiseren dat hier een VHP-partijlid en oud-minister aan het woord is. De idealen die in het narratief op de voorgrond staan, zoals eenheid in verscheidenheid en waardering voor westerse en Hindostaanse culturele tradities, sluiten naadloos aan bij zijn eigen politieke identiteit. Maar Uit de klei van Saramacca is zeker geen politiek pamflet. Raghoebarsing heeft ook aandacht voor minder rooskleurige aspecten van het gezinsleven, zoals het snelle einde van het eerste huwelijk van Nandoe en de ruzies en spanningen in huis. Ook het alcoholisme van Nandoe wordt meermaals besproken.

Naar buiten treden met pijnlijke persoonlijke ervaringen en beschrijvingen van gedrag en beslissingen die buiten de gangbare sociale, culturele en religieuze norm vallen is ongebruikelijk in de Hindostaanse gemeenschap. Degenen die hun levensverhaal of familiegeschiedenis opschrijven zijn vaak de meer welgestelden, zij die hebben kunnen opklimmen uit armoede en die de middelen en positie hebben om een boek te kunnen maken. Uit de klei van Saramacca laat de meerwaarde van persoonlijke perspectieven op de geschiedenis zien. Het boek smaakt dan ook vooral naar meer: meer van dit soort publicaties, om onze blik op de twintigste-eeuwse geschiedenis van Suriname te verplaatsen van de grote politieke, sociale en economische gebeurtenissen naar de belevingswereld van individuele historische actoren.