De jaren 1420 en 1430 behoren zonder twijfel tot de meer bewogen decennia in de rijke geschiedenis van de Nederlanden. In 1429 en 1430 lijfden de Bourgondische hertogen, die al sinds de veertiende eeuw over Vlaanderen en Artesië regeerden, Namen, Brabant en Limburg in. Na jaren van oorlogsvoering en interne twisten werden daar in 1432 ook Holland, Zeeland, Friesland en Henegouwen aan toegevoegd. Ondertussen woedde de Honderdjarige Oorlog, het internationale conflict waarin hertog Filips de Goede in 1420 de kant van de Engelsen had gekozen. In 1435 maakte Filips echter een radicale ommekeer door zijn alliantie met Engeland in te ruilen voor een pact met de Fransen. Zijn volte face veroorzaakte veel onrust in het Engelsgezinde Vlaanderen, wat samen met enkele andere factoren tot een bloedige opstand leidde in Brugge, een van de belangrijkste Vlaamse steden.

Veel minder bekend is dat de Noordelijke Nederlanden tijdens de jaren 1420 en 1430 ook nog eens af te rekenen hadden met een grootschalig maritiem conflict. Hoofdrolspelers in deze vijandelijkheden waren de Hollandse steden enerzijds en Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, gekend als de Wendische steden, anderzijds. Verenigd in de Duitse Hanze, het verbond van Noord-Europese handeldrijvende steden, hadden beide partijen tot het einde van de veertiende eeuw nauw met elkaar samengewerkt. Tijdens de eerste decennia van de vijftiende eeuw raakten de relaties evenwel danig verzuurd, voornamelijk door een gebrek aan Hollandse solidariteit met de strijd van de Wendische steden tegen internationale piraten en de Deense koning, die erop gebrand was de Hanzeatische privilegies in te perken. De spanningen escaleerden in 1427, met wederzijdse kapingen en represailles tot gevolg. De confrontaties brachten bijzonder veel schade toe, zowel aan de twee betrokken partijen als aan derden zoals de Pruisische steden, en dreigden de internationale handel in de Noordzee tot stilstand te brengen. Interne verdeeldheid langs beide zijden en een dubbelzinnige houding van Amsterdam, waar vele schippers en handelaars hun voordeel meenden te doen met de kaapvaart, deden verschillende pogingen om tot een bestand te komen mislukken. Het conflict nam nog in intensiteit toe in 1438, toen de grafelijke raad van Filips de Goede een kaperoorlog afkondigde en daarmee de Hollanders een feitelijke vrijbrief verleende om Wendische zeevaarders te treffen. Pas in 1441 kwam het, mede door de inspanningen van de Deense koning, tot een vredesverdrag. De betaling van de schadevergoedingen die in deze overeenkomst werden voorzien zorgde in verschillende Hollandse steden nog voor wrevel. In Amsterdam, dat tot de hoogste sommen was veroordeeld, leidde de kwestie zelfs tot een factiestrijd en een regimewissel in het stadsbestuur.

Over deze vijandelijkheden tussen de Hollandse en Wendische steden heeft Ad van der Zee De Wendische Oorlog. Holland, Amsterdam en de Hanze in de vijftiende eeuw geschreven. Het boek is gebaseerd op een doctoraatsproefschrift, afgeleverd aan de Universiteit van Amsterdam in 1990. Dat proefschrift heeft Van der Zee een opfrisbeurt gegeven en aangevuld met inzichten uit meer recente publicaties. Het eigenlijke verloop van het Hollands-Wendische conflict komt pas in het laatste deel van de studie, na 139 pagina’s, aan bod. Eerdere hoofdstukken belichten de verschillende hoofdrolspelers in het conflict, de voornaamste handelsroutes en -goederen in laatmiddeleeuws Noordwest-Europa, de scheepsbouw van de vijftiende eeuw en de Divisiekroniek, de belangrijkste bron voor onze kennis van de spanningen tussen de Wendische en Hollandse steden. Van der Zee’s perspectief is bijzonder breed, soms te breed. Zo gaat hij in het hoofdstuk over de zes Wendische steden terug tot de vijfde en zesde eeuw, toen Slavische stammen het gebied tussen de Elbe en de Oder bevolkten. In het hoofdstuk over de Divisiekroniek lijkt de relevantie van een vier pagina’s lang intermezzo over een graanaankoop door Filips de Goede in Amsterdam beperkt. Een meer gesynthetiseerde aanpak was ook welkom geweest bij de bespreking van de laatmiddeleeuwse scheepsbouw, duidelijk een passie van de auteur, waaraan drie aparte hoofdstukken worden gewijd.

Van der Zee geeft nergens expliciet aan op welke manier zijn boek bijdraagt aan de bestaande historiografie. Op pagina 53 zet hij zich wel af tegen de finalistische visie van onder meer de negentiende-eeuwse historicus Jan ter Gouw, die het Wendische conflict beschouwde als een belangrijke stap op de lange weg van Amsterdam richting economische en politieke dominantie. In het vijftiende hoofdstuk betwist de auteur de conclusie van Hanzehistoricus Dieter Seifert dat de vijandelijkheden tussen de Hollandse en Wendische steden eerder als een twist of vete dan als een oorlog bestempeld moeten worden. Van der Zee wijst erop dat de Wendische stadsbesturen wel degelijk een grand strategy of een hoger doel hadden, met name het verkrijgen van een schadevergoeding voor de door de Hollanders aangerichte schade op zee, wat in zijn ogen het gebruik van de term ‘oorlog’ wettigt. Een bredere, overkoepelende probleemstelling, waaraan het volledige boek kan opgehangen worden, ontbreekt echter. Bijgevolg blijven de meeste hoofdstukken vrij beschrijvend van aard.

Halfweg het eerste hoofdstuk stelt Van der Zee dat het zijn bedoeling was om De Wendische Oorlog op een toegankelijke manier onder de aandacht te brengen. Daarin is hij met verve geslaagd. De auteur heeft een erg levendige schrijfstijl, wat zijn boek bijzonder vlot leesbaar maakt. Historiografische discussies, zoals het debat over het gebruik van de term ‘oorlog’, worden op een zeer laagdrempelige manier uiteengezet en het aantal voetnoten is relatief beperkt gehouden. Van der Zee besteedt ook veel aandacht aan de latere herinnering van het vijftiende-eeuwse conflict in zowel Holland als de Hanzesteden en reikt zo ook lezers met een sterke interesse in de meer recente geschiedenis vele herkenningspunten aan. Dit alles maakt dat zijn boek vooral een meerwaarde heeft voor het bredere publiek, eerder dan voor de professionele historicus. Daar waar die laatste misschien wat op zijn of haar honger blijft zitten, krijgt de geïnteresseerde leek met De Wendische Oorlog een boeiende en geanimeerde analyse van de politieke, militaire en economische ontwikkelingen in het Holland van de vijftiende eeuw voorgeschoteld.