Het gebeurt wel vaker dat verdienstelijke historische studies maar langzaam hun weg vinden naar een uitgever, maar het voorliggende boek van Christian de Borchgrave deed daar wel erg lang over. Het is de gedeeltelijke uitgave van het proefschrift dat hij in 1996 succesvol verdedigde aan de Gentse universiteit. Het eerste deel van dat werk, over de wijze waarop de Vlaamse clerus in het interbellum omging met het thema ‘genot’, verscheen in 1998 bij Van Halewyck onder de titel God of genot. Vlaanderen 1918-1940. Een Kerk in strijd met de moderne zinnelijkheid. Nu kan het brede publiek ook kennis maken met het tweede deel van zijn analyse.

En dat mag beslist gelukkig worden genoemd. Het boek biedt immers een bevattelijke synthese die helder gestructureerd en vlot geschreven is. Zoals blijkt uit de ondertitel staat de omgang van de katholieken met het ‘moderne materialisme’ centraal. Onder die noemer plaatst de Borchgrave wel zeer uiteenlopende thema’s. Na een analyse van het vertoog van de Vlaamse katholieke clerus over ‘armoede en rijkdom’ volgen hoofdstukken over haar visie op de christelijke arbeidersbeweging, het corporatisme en de Katholieke Actie. De Borchgrave analyseerde een grote variëteit aan bronnen, in het bijzonder een ruime collectie preken van seculiere en reguliere priesters, met specifieke aandacht voor het bisdom Gent, een vertrouwd terrein van de auteur en zijn promotor Jan Art. Om de achtergronden van zijn publieke vertoog te duiden, nam De Borchgrave ook een negental door clerici bemande en gelezen tijdschriften door, waaronder het apologetische Pastor Bonus, de Gids op Maatschappelijk Gebied, de Godsdienstige week van het bisdom Gent en het Dominicaanse Kultuurleven. De auteur heeft beslist een grote inspanning geleverd om zijn meer dan twintig jaar oude manuscript te actualiseren. Zijn bibliografie bevat heel wat recentere literatuur en hij herwerkte ook zijn besluit, onder meer met de toevoeging van een lange uitleiding die hem tot de postseculiere Vlaamse samenleving van vandaag brengt. Toch oogt zijn uitvoerige notenapparaat soms wat verouderd, de informatie over archieven in het bijzonder. Sommige aangehaalde bestanden, zoals de papieren van de Belgische redemptoristen, zijn ondertussen elders raadpleegbaar.

Niettemin kunnen De Borchgrave’s analyse en de daaruit verworven inzichten beslist relevant worden genoemd, zelfs drieëntwintig jaar na onderzoek. Onze kennis van het ‘denken en doen’ van de parochieclerus en van de vele reguliere geestelijken in Vlaanderen tijdens de voorbije eeuwen is immers vaag gebleven. Voor het interbellum ontbreekt zelfs een goed statistisch overzicht van het kerkelijk personeelsbestand. Kwalitatief onderzoek over de manier waarop er in de toen nog zeer invloedrijke Kerk werd nagedacht over sociaal-politieke kwesties en in het bijzonder naar wat de kerkelijke actoren op het terrein daarover verkondigden, blijft al te zeldzaam. We weten ook weinig over de wijze waarop pastoors, onderpastoors en de verschillende religieuze instituten hun ‘gelovige kudde’ aanstuurden en de gedachtewereld van de katholieke Vlaming vorm probeerden te geven. De auteur reikt over dit alles scherpe inzichten aan. De focus van De Borchgrave op het interbellum maakt zijn onderzoek nog interessanter. Tijdens die uitermate woelige decennia werd de doorbraak van de moderniteit ook op het Vlaamse platteland tastbaar, met als gevolg niet louter nieuwe politieke en sociale spanningsvelden, maar bovenal toenemende secularisering. Hoe ging de Katholieke Kerk daarmee om?

De auteur lijkt zelf wat geschrokken van zijn bevindingen. Eind jaren 1930, na ettelijke sociale encyclieken en de stelselmatige opmars van een op ‘volksverheffing’ gericht katholiek middenveld, met het Algemeen Christelijk Werknemersverbond en zijn vele takken als meest emancipatorische component, bleef de kerkelijke boodschap over sociale verhoudingen uitermate behoudsgezind. Aan de hand van vaak lange citaten maakt De Borchgrave duidelijk dat uit de geanalyseerde preken en allerlei ander klerikaal vertoog nauwelijks sociale verontwaardiging weerklinkt, laat staan een oproep tot structurele veranderingen. De gelovige moest berusten in zijn lot en een vroom, sober en nederig leven leiden: zijn beloning wachtte in het hiernamaals. De Vlaamse pastoors en paters in de tussenoorlogse periode huldigden een traditionalistisch, anti-modernistisch maatschappij- en mensbeeld. Ze liepen in hun preken niet warm voor de christelijke arbeidersbeweging. Sommigen waren deze ronduit vijandig gezind en slechts een enkeling loofde de inspanningen van het katholieke sociale middenveld. Natuurlijk onderschreef het merendeel van de priesters wel de mobilisatie van de leken door de Katholieke Actie en haar oproep tot een herkersteningsoffensief onder leiding van de kerkelijke hiërarchie. Het intransigentisme van de Vlaamse clerus bleek merkwaardig persistent, zo concludeert de auteur. De Borchgrave verbindt die ‘onveranderbaarheid’ met het tijdsklimaat (de economische crisis van de jaren 1930), de nauwe banden van het kerkinstituut met de gevestigde orde (in bijzonder het patronaat), en de katholieke apostolische traditie met haar muurvaste geloofs- en heilsleer. Op de keper beschouwd is dat conservatisme dus helemaal niet zo opzienbarend.

De door De Borchgrave verzamelde en geanalyseerde preken illustreren eens te meer hoe lang het heeft geduurd vooraleer de Katholieke Kerk een meer structurele visie op armoede en sociale uitsluiting heeft ontwikkeld. De christelijke caritas bleef voor haar de centrale motor van alle sociaal engagement. Want zoals Pius XI het in Quadragesimo anno verwoordde, enkel zij was ‘spontaan, oprecht en universeel’. Daarom stuurde de caritas, zoals Thomas van Aquino dat in de dertiende eeuw had neergeschreven, alle vormen van rechtvaardigheid aan: de algemene (wettelijke) rechtvaardigheid in relatie tot het bonum commune, de distributieve rechtvaardigheid waarmee de Staat sociale plichten en voordelen (her)verdeelde en ten slotte de ‘commutatieve’ (onderlinge) rechtvaardigheid tussen gezinnen en individuen. In zijn encycliek Caritate Christi Compulsi (23 mei 1932) zou diezelfde Pius, nu als respons op de miserie van crisis en werkloosheid, nogmaals herhalen hoe liefdadigheid een uitstekend middel bleef om vergiffenis voor eigen zonden te verkrijgen en de goddelijke barmhartigheid af te smeken. Het negentiende-eeuwse devies van de Vincentianen, ‘Dieu comme but et les pauvres comme moyen’ (‘God als het doel en de armen als het middel’), stuurde ook in het interbellum het caritatief handelen van het merendeel van de katholieken aan. Pas naarmate de katholieke sociale leer rond de Tweede Wereldoorlog de corporatistische premissen van Quadragesimo anno achter zich liet en gaandeweg door de personalistische filosofie werd bijgestuurd, kwamen in het katholiek vertoog over armoede begrippen als ‘menselijke (gelijk)waardigheid’ of ‘respectvolle interpersoonlijke solidariteit’ nadrukkelijker op de voorgrond. Of om het opnieuw in neoscholastieke termen te verwoorden: pas toen helde de balans caritas-justitia langzaam over richting rechtvaardigheid.