De humani corporis fabrica (Over de anatomie van het menselijk lichaam, uitgegeven 1543 en 1555) van de vroegmoderne arts Andreas Vesalius was wereldberoemd in zijn tijd en werd grif verkocht. Dat is een van de redenen waarom het boek een uiterst geschikt onderzoeksobject is voor boekwetenschappers. In de traditie van onder meer Owen Gingerichs studie naar Nicolaus Copernicus’ De revolutionibus en het onderzoek van Eric Rasmussen en Anthony West naar William Shakespeares First Folio, biedt het hier besproken werk een overzicht van de materiële vormen (alle exemplaren, hun eigenaren en eventuele aantekeningen) van de Fabrica-edities. Dit past uitstekend in de material turn die zich in de internationale historiografie en literatuurwetenschap voordeed in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, waarbij objecten en de materiële vormen van objecten een op zichzelf staand studieobject werden. Alle bekende exemplaren – in het boek overigens ten onrechte ‘editions’ genoemd – zijn door wetenschapsfilosoof en -historicus Dániel Margócsy, ideeënhistoricus Mark Somos en Stephen Joffe, historicus van de chirurgie, getraceerd en beschreven in een grote catalogus.

Aan de catalogus gaat een aantal essays vooraf. In het eerste hoofdstuk krijgt de lezer een historische achtergrond van Vesalius’ anatomische werk voorgeschoteld en wordt de methode voor het samenstellen van de catalogus uit de doeken gedaan. De auteurs volgen voor zover mogelijk elk exemplaar dat de persen verliet tot zijn huidige locatie. Hoe waren ze gebonden, gelezen, geannoteerd en hoe gingen ze van eigenaar naar eigenaar (8)? Margóscy, Somos en Joffe voeren deze exercitie uit om te onderzoeken of er standaard lezereacties zijn op de Fabrica-edities (11). Al zijn er grote verschillen in deze reacties, toch zijn er, aldus de samenstellers, algemene tendensen zichtbaar. Die zijn echter, schrijven ze, niet herleidbaar tot onderlinge contacten tussen de lezers, maar veeleer toe te schrijven aan een algemene culturele, politieke (en intellectuele, JB) Zeitgeist (12). Ze zijn zich daarbij niet goed bewust van de problemen rond de term Zeitgeist, hoe die te bepalen is en de mogelijke cirkelredeneringen daaromtrent. Immers, de ‘tijdgeest’ die de cultuur van een bepaalde periode zou bepalen, wordt op zichzelf weer ontdekt door de culturele uitingen van deze periode te analyseren.

Het tweede hoofdstuk, ‘A Valuable Book’, biedt een meer economische analyse: de auteurs gaan na hoe duur het drukwerk van de tekst zelf was, hoeveel er voor het kostbare ‘afzetten’ (het met de hand inkleuren van de afbeeldingen) en het soms prijzige bindwerk betaald werd. Dat er zoveel geld werd besteed aan Vesalius’ Fabrica zegt iets over de status van het werk. Hoofdstuk 3, ‘Provenance’, gaat in op de provenances van het boek door de jaren heen (de ‘vindplaatsen’, ofwel welke persoon of instelling een exemplaar van het boek heeft gekocht en bezeten), in de eeuwen 1550-1650 (‘The Physician’s Book’), 1650-1750 (‘The Jesuit Century’), 1750-1850 (‘The Years of Change’), 1850-1950 (‘Vesalius in America’) en vanaf 1959 (‘The Global Fabrica’).

Veel lezers lieten sporen na in hun exemplaar door middel van aantekeningen. In hoofdstuk 4, ‘Reading and Annotating the Fabrica: The Sporadic Reader’, bespreken de samenstellers de aard en frequentie van deze aantekeningen. Zo verwezen lezers in hun aantekeningen naar andere boeken. Ook waren verschillende boeken – de Fabrica was er met zijn seksuele beschrijvingen één van – soms maar beperkt toegankelijk, juist vanwege de mogelijk aanstootgevende inhoud, en mochten alleen bepaalde lezers het boek in handen hebben. Dit wordt beschreven in hoofdstuk 5, ‘Controlling Reading’.

Uit deze inleidende essays blijkt eens te meer hoe invloedrijk Vesalius’ boek is geweest bij professionele lezers, zoals artsen, maar ook bij geïnteresseerde leken, die gezamenlijk een ‘interpretatieve gemeenschap’ vormden (132), hoewel ze vaak op zichzelf stonden en nauwelijks contact hadden met elkaar. Toch zijn er, zoals gezegd, tendensen te onderscheiden: de oorspronkelijke lezers van de Fabrica waren leden van hoogopgeleide christelijke elites, zowel protestanten als katholieken. Ze hadden het geld om een dure uitgave te kopen, lieten het mooi binden en soms inkleuren, en verwezen in hun annotaties vaak naar de Griekse arts Galenus; ze beschouwden het werk dus als een verlengstuk van de antieke geneeskunde. Het valt op dat velen van hen maar een paar hoofdstukken lazen, althans, daarvan blijk gaven door er aantekeningen op te maken. Vooral de hoofdstukken over voortplanting mochten op belangstelling rekenen.

De catalogus (‘Census’ of ‘Editions’) geeft van elk exemplaar dat zich in een bibliotheek bevindt een uitgebreide uiteenzetting van de huidige vindplaats, de fysieke omschrijving, bindwerk, provenance, en een beschrijving van de annotaties. In Nederland bezitten nu diverse bibliotheken exemplaren van de editie 1543 of van de editie 1555. Zoals te verwachten valt, waren de oorspronkelijke eigenaren van deze exemplaren vooral artsen, al hadden ook enkele kunstenaars en beroepsverenigingen de Fabrica in bezit. De annotaties in de wereldwijd aanwezige exemplaren (zowel die van 1543 als die van 1555) zijn vaak van technische aard en betreffen onder meer correcties op wat Vesalius had geschreven of laten tekenen. Het valt op dat exemplaren die van het ene land in het andere terechtkwamen, de ‘reizende exemplaren’, vrij zeldzaam zijn.

Een uitgave als deze is van groot belang voor onze kennis van de daadwerkelijke circulatie van teksten. Maar dit type naslagwerk wordt nog toegankelijker en een nog beter onderzoeksinstrument als het ook op het internet wordt aangeboden. De lezer kan een digitale uitgave immers eenvoudig doorzoeken en gemakkelijk gebruiken voor data-analyses, waarmee onderzoekers onvermoede verbanden kunnen ontwaren die de ‘gewone lezer’ niet ziet. Dat is een pium votum van deze lezer. Margócsy, Somos en Joffe hebben niettemin een herculische arbeid verricht en iets groots tot stand gebracht. Rest me nog te melden dat Brill het boek prachtig heeft uitgegeven, met alle illustraties in kleur.