Als oud-medewerker van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie heeft Gerrold van der Stroom onder meer naamsbekendheid verworven als mede-uitgever van de dagboeken van Anne Frank en met publicaties als De vele gezichten van Anne Frank. Visies op een fenomeen (2003) en Wie verraadde Anne Frank? (2003), samen met de historicus David Barnouw. Een totaal andere historische figuur waarop Van der Stroom zich toelegt in zijn onderzoek is de dichter Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647), wat in 2017 resulteerde in P.C. Hooft en de ongeziene, eerste ‘fontein’ van Amsterdam (2017). Gemeenschappelijk aan de twee laatstgenoemde boeken en het hier te recenseren werk is dat Van der Stroom telkens vertrekt van heel concrete onderzoeksvragen, wat in dit geval de aard van het boek in grote mate bepaalt. In plaats van een historisch verhaal te vertellen met ruime aandacht voor de context, wordt vanaf het begin de indruk gewekt van een feitelijk, bijna politioneel onderzoeksrapport met de germanist en toenmalig rector van de Groningse universiteit Johannes Marie Neele Kapteyn op de beklaagdenbank en zijn verantwoordelijkheid in de zaak-Polak als aanklacht. In november 1940 werd de joodse rechtsfilosoof Leo Polak ‘op last van de bezetter “ontheven” van de “waarneming” van zijn functie’ (10) aan de universiteit van Groningen. Enkele maanden later, in februari 1941, werd hij door de Duitse Sicherheitsdienst (SD) gearresteerd en op 9 december 1941 stierf hij in het concentratiekamp Sachsenhausen.

Van der Stroom veronderstelt dat de lezer vertrouwd is met ‘de beruchte Groningse zaak-Polak uit 1941’ (7) en legt in de inleiding van het boek drie vragen over de zaak voor die in evenveel delen worden beantwoord. Ten eerste wil Van der Stroom duidelijkheid scheppen over de kwestie of de betrokkenheid van Kapteyn in de arrestatie van Polak al dan niet kan, mag of zelfs moet worden bestempeld als ‘verraad’. Ten tweede vraagt hij zich af of het Duitse voorstel in het voorjaar van 1941 om een uitgave van Kapteyns wetenschappelijk werk over prehistorische runen te subsidiëren een manier was om Kapteyn te bedanken voor zijn rol in de zaak-Polak. Van de beoogde subsidie kwam uiteindelijk niets terecht, maar Kapteyn haalde wel zijn slag thuis door zijn eigen kandidaat, de Duitser Ludwig Erich Schmitt, te laten benoemen als zijn opvolger. ‘Wat had deze Schmitt [...] in bezettingstijd in Groningen te zoeken en vooral waarom was hij er al zo snel weer verdwenen?’, vraagt Van der Stroom zich in het derde deel af. Al zijn deze drie thema’s nauw met elkaar verbonden, toch worden ze enigszins afzonderlijk gepresenteerd. Zo voelt het bijzonder vreemd aan dat op pagina 59 Polak blijkbaar nog moet worden voorgesteld als ‘de Groningse rechtsfilosoof’.

Op de antwoorden die Van der Stroom uitwerkt, valt niets af te dingen. Hij slaagt erin een ongelofelijk indrukwekkende en overtuigende bewijsvoering op te bouwen, ten eerste door de drie kwesties telkens vanuit verschillende invalshoeken te benaderen, en ten tweede door de combinatie en het tegenover elkaar afwegen van zeer divers bronnenmateriaal, geproduceerd door allerhande betrokken instanties – zoals onder meer de Groningse senaat en het college van curatoren, de Politieke Opsporingsdienst, de Politieke Recherche Afdeling, de SD, de onderzoeks- en onderwijsgemeenschap Ahnenerbe, het Haagse Reichskommissariat en het Berlijnse Reichserziehungsministerium. Van der Strooms vertrouwdheid met de bevoegdheden van en de hiërarchische verhoudingen tussen deze instanties stelt hem bovendien in staat bijkomende argumenten aan te voeren.

Ook Polaks dagboeken vormen een belangrijk element in het betoog en voegen tevens een persoonlijke en emotionele dimensie toe. Deze dagboeken zijn beschikbaar sinds 2011 en al door meerdere onderzoekers geconsulteerd, en toch toont Van der Stroom aan waarom het desondanks loont om bekend primair en secundair bronnenmateriaal opnieuw te consulteren en te interpreteren. Voortdurend confronteert hij zijn eigen inzichten met de bestaande opvattingen uit de omvangrijke literatuur hierover. Zo gaat hij onder meer in discussie met Klaas van Berkel en Gjalt Zondergeld over de vraag in hoeverre Polak ‘niet “ten dele” had bijgedragen aan zijn eigen arrestatie [...] door zijn uitdagende opstelling tegenover de Duitsers’ (35).

Van der Stroom spreekt deze suggestie met klem tegen door te wijzen op de cruciale rol die Kapteyn speelde in de arrestatie van Polak. Dit blijkt uit het gegeven dat de rector niet slechts één, zoals altijd werd aangenomen, maar wel twee protestbrieven van Polak aan het adres van en tegen diens ontslag aan de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte doorspeelde aan de Duitse bezetter. Vooral het zinnetje over het aan Polak aangedane ‘onrecht des vijands’ uit diens tweede brief van begin februari 1941, schoot de SD in het verkeerde keelgat en gaf aanleiding tot Polaks arrestatie. De voor de hand liggende bedenking dat Polak als notoir anti-Duits hoogleraar sowieso een arrestatie boven het hoofd hing, weerlegt Van der Stroom door te wijzen op het feit dat Polak op dat moment niet ‘had kunnen of zelfs had moeten weten dat hij [...] levensgevaar liep’ (36). Trouwens, dit argument ontslaat Kapteyn niet van zijn verantwoordelijkheid. Voor Van der Stroom is het besluit duidelijk: Kapteyn heeft wel degelijk zijn Joodse collega verraden. Ahnenerbe en de SD hebben Kapteyn hiervoor uitdrukkelijk willen bedanken en belonen door een van zijn toekomstige publicaties over prehistorische runen te subsidiëren. De reden waarom dit plan uiteindelijk niet is gerealiseerd – namelijk omwille van de soms ‘weitfliegende Phantasie’ (49) in Kapteyns runenonderzoek – had Van der Stroom beter mogen toelichten.

In de plaats van een beloning in de vorm van een nieuwe publicatie, werd Kapteyn te vriend gehouden via de benoeming van diens eigen favoriet, de germanist Schmitt, als zijn opvolger in zijn positie van hoogleraar, en dit ondanks de beoordeling door de centrale Berlijnse instanties van Schmitt als ‘een nationaal-socialistisch lichtgewicht’ (74-75). Bij zijn aanstelling karakteriseerden zij Schmitt als een weliswaar Duitsgezinde hoogleraar, maar een politiek onbetrouwbare partner. Schmitt zelf was ook allerminst vragende partij voor een verhuis van Leipzig naar Groningen, wat hij voortdurend duidelijk maakte door lange periodes uit Groningen weg te blijven en door zich op de weinige momenten dat hij er was irritant arrogant te gedragen. Al snel ging Schmitt hierin zo ver dat zijn ontslag onafwendbaar was. Toch duurde het nog tot in 1943 voor het zover kwam, om gezichtsverlies voor Duitsland te vermijden en als gevolg van een machtsspelletje waarbij verschillende betrokkenen hun verantwoordelijkheid voor het Groningse echec van zich af wilden schuiven. Van de vaak gehoorde bewering dat Schmitt tijdens zijn verblijf in Groningen spionage- of inlichtingenwerk moest verrichten voor de Duitse bezetter blijft weinig overeind na Van der Strooms nauwgezette analyse. De auteur toont aan dat Schmitt reeds vanaf 1938 in conflict lag met verschillende Duitse onderwijs- en politieke instanties omwille van zijn moeilijkheden met de nationaalsocialistische ideologie. Vandaar ligt het allerminst voor de hand dat de Partei hem zou hebben ingezet als ‘spion’ in een bezet buurland.

Het geheel leest spannend. De lezer wordt echt meegezogen in de vraagstelling en de bewijsvoering. Zeer boeiend is ook hoe meermaals wordt gewezen op het belang van een adequate woordkeuze. Werd Polaks brief door de SD van Kapteyn ‘afgenomen’ of ‘in beslag genomen’, of heeft hij deze al dan niet ‘onder protest’ ‘afgegeven’, ‘moeten tonen’, of ‘laten zien’, of werd de brief door Kapteyn ‘uitgeleverd’, ‘bezorgd’, ‘openbaar gemaakt’, aan de SD ‘doorgegeven’, ‘doorgespeeld’ of ‘ter hand gesteld’, of ‘kwam’ de brief gewoon ‘in handen’ van de SD (18)?

Jammer genoeg onderbreken de vele tussentitels het verhaal wel enigszins en ook de talrijke voetnoten met relevante randinformatie zorgen ervoor dat het lezen niet altijd even vlot verloopt. Een namenregister en een lijst met afkortingen waren bovendien absoluut welkom geweest. Bovenal had het verhaal wat meer diepgang mogen krijgen. De auteur beperkt zich te zeer tot zijn eigen casestudie – die op zichzelf wel vanuit alle mogelijke gezichtspunten wordt benaderd. Zo blijft de lezer in het ongewisse over de vraag of Polak terecht beweerde dat hij de enige in het land was die zo vijandig werd bejegend (11) en ook de discussie met betrekking tot politieke benoemingen wordt op geen enkele manier opengetrokken. Dit is echter ook duidelijk niet de ambitie van Van der Stroom, aangezien hij vertrekt van zeer concrete vragen die op een boeiende en overtuigende wijze worden beantwoord.