Onthoofdingen in de hofstad maakt deel uit van Ronald Prud’homme van Reine’s drieluik over omstreden gewelddadige gebeurtenissen in de Nederlandse geschiedenis. De moord op de gebroeders De Witt en de zelfmoord van Jan Carel van Speijk vormen de andere delen van de trilogie. Het De Witt-boek en dit werk hebben verder met elkaar gemeen dat het republikeinse helden als hoofdpersonen heeft die slachtoffer werden van de Oranjes of hun aanhangers. Johan van Oldenbarnevelt is niet het enige onderwerp van het boek. Zijn carrière en ondergang vormen weliswaar de hoofdmoot van het werk, maar Prud’homme van Reine wijdt ook hoofdstukken aan de ondergang van zijn beide zoons Reinier en Willem, die een mislukte samenzwering begonnen om prins Maurits om het leven te brengen. Het boek wordt afgesloten met een hoofdstuk waarin het nachleben van Van Oldenbarnevelt – in de vorm van toneelstukken, historische werken en standbeelden – wordt belicht.

Evenals de eerdere werken van de auteur, is dit boek gericht op een breder publiek. Daarbij hoort dat de historiografische discussie tot een minimum wordt beperkt en er niet direct vanuit een onderzoeksvraag wordt gewerkt. Wat de historiografie betreft, noemt Prud’homme van Reine wel enige werken over Johan van Oldenbarnevelt – voornamelijk de biografie van Jan den Tex, en de recentere werken van Geert H. Janssen en Ben Knapen – maar bespreekt ze niet inhoudelijk. Het lijkt er dan ook niet op dat Prud’homme van Reine met deze auteurs in discussie wil. De biografie van Den Tex dient juist als basis voor het huidige werk, wat zeker de delen over Van Oldebarnevelt zelf een weinig vernieuwend karakter geeft. De keuze om niet vanuit een vraagstelling te werken, is enigszins te betreuren. Vragen worden wel gesteld, maar eigenlijk uitsluitend besproken in de inleiding en conclusie; in de hoofdstukken zelf spelen ze nauwelijks een rol.

De vragen die in de inleiding gesteld worden hebben ook niet de potentie om ons bestaande beeld van de familie Van Oldenbarnevelt danig omver te schoppen. Welke rol speelde Maurits precies in de dood van Van Oldebarnevelt? Is het terecht dat de samenzwering van zijn zonen in de vergetelheid is geraakt? Op welke manieren probeerde Van Oldebarnevelt zichzelf en zijn familie adellijke status aan te meten? En wie was verantwoordelijk voor het redden van Van Oldenbarnevelts reputatie na zijn dood? Van Oldebarnevelts pogingen om zich voor te doen als een edelman worden eigenlijk alleen in de inleiding behandeld. Prud’homme van Reine geeft aan dat Van Oldebarnevelt van vrij eenvoudige komaf was, maar dat hij zich op allerlei manieren gelijk probeerde te stellen aan de adel. Hij verzon voorouders, of koppelde zijn eigen niet-adellijke familielijn aan een adellijke familie met dezelfde naam, en hij zorgde ervoor dat zijn familie een adellijke levensstijl voerde.

De hoofdstukken volgend op de inleiding beschrijven Van Oldenbarnevelts carrière en het broeiende conflict met Maurits over de politieke en religieuze koers van de Republiek. Vervolgens komen het proces en de executie aan bod. Daarna keren we terug in de tijd, naar de opvoeding en carrières van de zonen van Van Oldenbarnevelt, die we daarna verder volgen na de dood van hun vader. Uitgerangeerd en verbitterd zetten ze een samenzwering op touw om Maurits om het leven te brengen. Te veel mensen werden bij het complot betrokken, waardoor het uitlekte en de samenzweerders een duister lot tegemoet gingen. Vervolgens wordt de rol van Jacob Westerbaen – de tweede echtgenoot van de weduwe van de oudste zoon Reinier – als hoeder van Van Oldenbarnevelts postume reputatie geschetst, en tot slot wordt de receptie van Van Oldenbarnvelts leven en dood in latere eeuwen besproken. De hoofdstukken leveren gezamenlijk een heel prettig relaas op, dat wel erg beschrijvend van aard is en de lezer voor weinig verrassingen stelt.

Het leukste deel van het boek gaat over de samenzwering die georganiseerd werd door Van Oldenbarnevelts zoon Willem, die steeds wordt gekarakteriseerd als een doldriest heethoofd. Hoewel de auteur zijn beschrijvende stijl niet verlaat, biedt dit hoofdstuk wel stof tot nadenken. Met veel smaak wordt opgediend hoe de ene na de andere samenzweerder, verkleed als visser of boer, binnen de kortste keren in de kraag werd gevat. Hoe was het toch mogelijk dat de samenzweerders in een maatschappij zonder videobewaking, gezichtsherkenning, biometrische paspoorten, of zelfs maar foto’s, er niet in slaagden ongezien het land te verlaten en juist stuk voor stuk tegen de lamp liepen? Natuurlijk speelt hier de geringe omvang van de meeste gemeenschappen een rol, waar buitenstaanders met hun vreemde accenten direct in het oog sprongen – vermomming of niet – en verdacht gedrag (zoals het betalen voor bier, maar vertrekken zonder het op te drinken) direct werd opgemerkt. Ook is het opvallend dat een stel matrozen die een rol zouden spelen in de samenzwering zonder precies te weten hoe of wat, maar zich begonnen te realiseren dat ze betrokken waren geraakt bij een gevaarlijke onderneming, na niet al te veel aandringen zó toegang kregen tot de stadhouder. Zulke korte lijntjes zijn nu ondenkbaar en maken goed duidelijk hoe kleinschalig de vroegmoderne maatschappij was.

In de conclusie worden alle draden aan elkaar geknoopt en de vragen uit de inleiding beantwoord. We lezen dat de rol van Maurits natuurlijk groot was en dat de samenzwering van de zonen toch belangrijker was dan historici vaak vermoeden. Hoewel, Prud’homme van Reines argument voor het belang van de samenzwering is dat deze aantoont dat de spanningen tussen remonstranten en contraremonstranten ook na 1619 nog zomaar tot gewapende conflicten hadden kunnen leiden. Er waren inderdaad remonstranten bij de samenzwering betrokken, maar de stelling wordt wel wat verzwakt door de haast waarmee het remonstrantse establishment zich distantieerde van de gebroeders Van Oldenbarnevelt én hun remonstrantse handlangers. Deze gevestigden remonstranten stelden alles in het werk om conflicten te vermijden en om hun kwetsbare positie niet verder te verzwakken.

De professionele lezer zal wel wat kunnen aanmerken op dit werk. Van een sterk kernbetoog dat het hele boek bijeenhoudt is geen sprake, het gepresenteerde materiaal was grotendeels al bekend en de kracht schuilt ook niet in een nieuwe visie op de staatsman Van Oldenbarnvelt en zijn tijd. Maar de niet-gespecialiseerde lezer zal minder klagen. Onthoofdingen in de hofstad is toegankelijk voor een breder publiek, en dat publiek wordt uitstekend bediend. Het is een prettig geschreven boek dat de ingewikkelde politieke verhoudingen in de jonge Republiek uitstekend inzichtelijk maakt en de procesgang rond Van Oldebarnevelt zeer helder schetst. Daarbij is het wel duidelijk waar de sympathie van de auteur ligt: het lot van de oude Van Oldenbarnevelt gaat van lieverlee ook de lezer aan en Maurits komt er niet al te sympathiek uit. In die zin is het boek een aanzet om in ons collectieve geheugen niet alleen de heldhaftige Oranje stadhouders te eren, maar ook ruim baan te geven aan onze republikeinse helden.