Brugge, nog steeds een van de grote centrumsteden van België en een toeristische topbestemming in Europa, was in de middeleeuwen een van de belangrijkste steden van West-Europa. Het huidige toeristische succes heeft de stad overigens te danken aan de al dan niet terechte reputatie van haar gaaf bewaarde middeleeuwse stadskern.

Heel lang is dan ook uitgekeken naar dit boek, dat de middeleeuwse geschiedenis van de stad academisch-wetenschappelijk benadert en recente inzichten sinds het eind van de vorige eeuw, gecombineerd met nieuw onderzoek, synthetiseert. In die zin is dit boek een kantelpunt in de historiografie van de stad. Voor het eerst wordt de middeleeuwse geschiedenis van Brugge behandeld vanuit een louter wetenschappelijke invalshoek, in de traditie van de Gentse historische school die gesticht werd door de beroemde Henri Pirenne (1862-1934). In deze traditie bestaat een sterke wetenschappelijke belangstelling voor de middeleeuwse stadsgeschiedenis. De oudere syntheses van de geschiedenis van de stad uit de vorige eeuw, zoals die van Adolphe Duclos (1910), Jan Albert Van Houtte (1982), Marc Ryckaert (1991), en Marc Ryckaert en André Vandewalle (et al., 1999), behandelden de volledige geschiedenis van Brugge. Zij danken hun bestaan aan de toenmalige citymarketing, waarbij de geschiedenis van de stad moest dienen om Brugge met zijn roemrijke verleden onder de aandacht te brengen van bezoekers en bewoners. Typerend is dan ook dat de publicaties uit 1982, 1991 en 1999 een woord vooraf kregen van de toenmalige burgemeesters, terwijl het hier te bespreken boek een ‘Foreword’ kreeg van de Gentse hoogleraar Marc Boone, eminent specialist op het gebied van de middeleeuwse stadsgeschiedenis en ‘Doktorvater’ van Jan Dumolyn, een van de editors. Boones tekst is zeer functioneel als inleiding op het boek: Boone geeft een kritisch overzicht van de historiografie van Brugge sinds Duclos (1910) en situeert de ambities van het boek in de geschiedschrijving inzake Europese stadsgeschiedenis.

De voorbereiding voor dit boek startte al in 2008. De Belg Jan Dumolyn en de Brit Andrew Brown deden een beroep op twintig auteurs, vooral historici, maar ook archeologen, kunsthistorici, een musicologe en een neerlandicus. Met uitzondering van de Amerikaan James Murray en de Nederlander Johan Oosterman zijn de aangezochte auteurs allemaal Vlamingen, meestal zelfs met ‘Brugse wortels’. Eén auteur, de archeoloog Yann Hollevoet (1962-2012), overleed vooraleer het project voltooid was. Het boek is aan hem opgedragen. De tien hoofdstukken zijn meestal van de hand van minstens vijf auteurs. De redacteurs hebben zich niet beperkt tot de supervisie en de eindredactie: Jan Dumolyn schreef nog mee aan negen hoofdstukken en Andrew Brown aan drie hoofdstukken. De redacteurs zorgden voor een uitvoerige inleiding en een nawoord die de Brugse geschiedenis situeren in een ruime Europese context, met een duidelijke verwijzing naar de nieuwe bevindingen die in het boek voor het eerst zijn samengebracht. Zo worden nieuwe bevolkingscijfers van Brugge uit de periode 850-1550 vergeleken met die van andere Europese steden. Volgens Brown en Dumolyn was Brugge als commercieel en kosmopolitisch centrum tot aan het eind van de vijftiende eeuw alleen vergelijkbaar met de Europese steden van de mediterrane wereld.

Het eerste hoofdstuk, met de vroegste geschiedenis vanaf de prehistorische tijd, eindigt in de elfde eeuw. Brugge is dan al geëvolueerd tot een belangrijke stedelijke nederzetting aan de rand van de Vlaamse kuststreek, een evolutie die begon in de negende eeuw. Dit hoofdstuk verwerkt de jongste archeologische en geografische bevindingen samen met nieuwe interpretaties van bekende geschreven bronnen tot een consistent historisch overzicht. Nieuw in dit verband is onder meer de duidelijke drieledige oorsprong van de stad: een grafelijke versterking, een commerciële nederzetting bij een haventje aan een getijdengeul met contacten via de Noordzee tot in Engeland en Scandinavië, en een lokale nederzetting met een agrarische markt en handel over land.

Daarna komen in drie hoofdstukken alle aspecten van de stedelijke ontwikkeling in de twaalfde en de dertiende eeuw aan bod. Voor het eerste kwart van de twaalfde eeuw beschikken de historici over de schitterende momentopname (1127/1128) in het dagboek van Galbert van Brugge, kanunnik van de lokale Sint-Donaaskerk. Onder meer op basis van deze bron schetsen de auteurs een beeld van een vroege stedelijke samenleving. Maar ze zijn er ook in geslaagd de gegevens van het dagboek van Galbert over de stedelijke samenleving te situeren in een stedelijke gemeenschap met eigen belangen en commerciële contacten ver buiten de eigen regio, en elites die zowel binnen als buiten de feodale context geworteld waren. Een halve eeuw later werd de verhouding tussen Brugge en de graaf van Vlaanderen voor meer dan honderd jaar bepaald door de Grote Keure van Filips van de Elzas, die aan de meeste Vlaamse steden werd opgelegd. Gaandeweg konden de elites van de stad in de dertiende eeuw hun economische macht ook politiek verzilveren. De auteurs benadrukken dat Brugge al in de dertiende eeuw zijn eerste hoogtepunt beleefde, met een bevolking van ongeveer 60.000 inwoners (een nieuw cijfer), waar textielproductie hand in hand ging met internationale handel. Op het einde van de dertiende eeuw was het territorium van de stad gegroeid tot een gebied van 430 hectare, een oppervlakte die zou volstaan tot in de negentiende eeuw.

De geschiedenis vanaf circa 1300 tot 1500 komt aan bod in de drie volgende hoofdstukken. Meer dan in de eerdere, hierboven vermelde synthesewerken besteden de auteurs aandacht aan de opeenvolging van crises en bloeiperiodes. Het bevolkingsaantal zou nooit meer dat van de dertiende eeuw evenaren: op het einde van de Bourgondische bloeiperiode, omstreeks 1477, telde Brugge iets meer dan 40.000 inwoners. In de late middeleeuwen groeide Brugge uit tot toonaangevend centrum van de internationale handel in Noordwest-Europa. De stad ontwikkelde zich tot een knooppunt voor creatieve initiatieven, zowel op economisch als op artistiek gebied, maar was zeer kwetsbaar voor politieke en conjuncturele wisselvalligheden.

Brugge was in de middeleeuwen geen bisschopsstad. Er waren in tegenstelling tot Gent geen grote abdijen in het stadsgebied gevestigd. Toch hadden verscheidene kerkelijke instellingen er een grote invloed: in de eerste plaats het Sint-Donaaskapittel, dat nauw verweven was met de grafelijke administratie op de Burg, maar ook de geestelijkheid van de parochiekerken en enkele kloosters, onder andere van de al vroeg actieve bedelorden. Opmerkelijk is ook de invloed van het stadsbestuur op het religieuze leven. Zo was de devotie tot de reliek van het Heilig Bloed al sinds de dertiende eeuw door het stadsbestuur ingeschakeld in de stedelijke identiteitsvorming. Het achtste hoofdstuk, ‘Religious Practices, c.1200-1500’, geschreven door Brown en Hendrik Callewier, biedt een verrassende en consistente inkijk op drie eeuwen kerkelijke en religieuze praktijk, met aandacht voor zowel seculiere als reguliere geestelijken en lekenspiritualiteit, inzonderheid afwijkende opvattingen.

Het ligt voor de hand dat een kosmopolitische stad als Brugge ook een zeer gevarieerde culturele activiteit heeft gekend. Literatuur in verschillende talen, beeldende kunst, muziek en klank van de twaalfde tot de zestiende eeuw, hebben hun sporen nagelaten in de stad, maar ook in musea en bibliotheken over de hele wereld. Het negende hoofdstuk ‘Texts, Images and Sounds in the Urban Environment, c.1100–c.1500’ biedt daarvan een geslaagd synthetisch overzicht. Opmerkelijk is hier bijvoorbeeld dat de recente inzichten in verband met het zogenaamde ‘Gruuthusehandschrift’ in het boek volledig zijn verwerkt en gesitueerd in de Brugse samenleving van het begin van de vijftiende eeuw.

Het laatste hoofdstuk ‘Bruges in the Sixteenth Century: A “Return to Normalcy”’, kan verrassend overkomen. Men kan immers opwerpen dat de middeleeuwse geschiedenis van Brugge ophield rond 1500. De rol van Brugge in de internationale economie was sinds het einde van de vijftiende eeuw door Antwerpen en, na 1585, door Amsterdam overgenomen. Ook op politiek gebied was de rol van Brugge in de Nederlanden zo goed als uitgespeeld. Toch kan Brugge na 1500 niet worden begrepen dan als een ‘nabloei’ van de middeleeuwse grandeur.

Al bij al biedt Medieval Bruges een geschiedenis van de stad tot omstreeks 1600. Tal van nieuwe inzichten en wetenschappelijke discussies die sinds de jaren negentig van de vorige eeuw door lokale onderzoekers en academische wetenschappers verspreid werden gepubliceerd, zijn hier kritisch doorgelicht en samengebracht. Maar vooral opmerkelijk is dat het boek niet alleen gebaseerd is op eerder gepubliceerde studies, maar ook op eigen onderzoek van uitgegeven en onuitgegeven bronnen, vooral archiefdocumenten. De bibliografie achterin het boek vermeldt dan ook niet alleen een uitvoerige lijst publicaties en gedrukte bronnen (503-527), maar ook een indrukwekkende reeks niet-gepubliceerde archiefdocumenten en handschriften, bewaard in dertien archiefdepots en bibliotheken.

Deze recensent heeft zich de hersens gepijnigd om toch een kritische noot aan het eind van deze bespreking te kunnen formuleren. Misschien kan worden aangestipt dat de relatie met het omliggende platteland, het Brugse Vrije, iets te veel op de achtergrond is gebleven. En het nogal dure boek is ook iets te spaarzaam geïllustreerd. Maar dit zal zeker worden goedgemaakt in de geplande Nederlandse vertaling, waardoor ook dit boek ingeschakeld zal worden in de Brugse citymarketing!