De fascinatie voor high profile processen tegen beroemdheden is van alle tijden, dat blijkt maar weer uit het nieuwe boek van historicus en jurist Wilfried Uitterhoeve. Geen proces was immers geruchtmakender dan de vervolging van Johan van Oldenbarnevelt, de legendarische staatsman die in 1619 door zijn voormalig bondgenoten terecht werd gesteld. Nu het vierhonderd jaar geleden is dat de raadpensionaris ter dood werd gebracht is het hoog tijd om deze beroemde zaak opnieuw onder de aandacht te brengen. De doelstelling van Uitterhoeve is dan ook simpel: het proces stap voor stap nalopen en hervertellen. Het is niet de bedoeling om een nieuw licht te laten schijnen op het proces – de schrijver neemt op geen moment deel aan enig historiografisch debat – of om te komen tot bredere casusoverstijgende conclusies. De ondergang van Van Oldenbarnevelt eist onze volledige aandacht op.

Dit uitgangspunt stelt de schrijver in staat om ondanks de beperkte ruimte – slechts 208 rijk geïllustreerde pagina’s – diep in het proces te duiken. Uitterhoeve ontkomt er niet aan om eerst de complexe geschiedenis van de onderhandelingen over het Twaalfjarig Bestand en de theologische strijd tussen Arminianen en Gomaristen beknopt samen te vatten. Hierdoor komt het boek wat stroef op gang. Maar al snel wordt de lezer meegenomen in de boeiende reeks gebeurtenissen die direct tot de executie leidde. We volgen stap voor stap hoe de spanningen in de jonge Republiek oplopen. Een periode die bedoeld was voor consolidatie mondt uit in hoogoplopende spanningen, soldaten op straat, en een ternauwernood voorkomen confrontatie tussen de troepen van de stadhouder en de waardgelders die door de steden werden ingehuurd. Centraal in het verhaal staan Van Oldenbarnevelt en zijn voormalige protegé Maurits van Oranje. Hierdoor wordt een conflict dat voor een groot deel gestoeld is op een voor veel lezers nogal obscuur theologisch geschil invoelbaar.

Vanaf ongeveer het midden van het boek schakelt Uitterhoeve om van macro naar microgeschiedenis. Hier lezen we over de arrestatie, het proces en de executie van Van Oldenbarnevelt. Het verhaal is doorspekt met lange citaten uit primair bronmateriaal, die ondanks het archaïsche taalgebruik de zaak echt tot leven brengen. We lezen bijvoorbeeld in ooggetuigenverslagen van zijn arrestatie over de verbazing van Van Oldenbarnevelt: ‘lang zal het niet duren [...] ik heb hiertoe niemand reden gegeven’ (84). Het tegendeel bleek het geval en we maken van dichtbij mee hoe zijn situatie snel verslechterde. De laatste brieven aan zijn vrouw en kinderen geven een intiem inkijkje in Van Oldenbarnevelts emotionele wereld. Bovendien prikkelen de bijna honderd afbeeldingen de verbeelding. We zien de locaties voor ons waar het drama zich voltrok en ontmoeten de uitgebreide cast aan personages die er een rol in vertolkte.

Dit boek is bij uitstek geschikt voor een breed lezerspubliek. Het is rijk aan details, maar heeft toch een heldere focus. De schrijver heeft noch geprobeerd om het conflict tussen Van Oldenbarnevelt en Maurits van alle mogelijke kanten te belichten, noch om elke wending van het proces uitgebreid uit de doeken te doen. Dit komt de leesbaarheid ten goede. En passant maakt de lezer kennis met verschillende zeventiende-eeuwse rechtsvormen, met de politieke verhoudingen binnen de jonge Republiek en met de vele staatslieden, filosofen, theologen en andere prominenten die bij het proces betrokken raakten.

Een relevant thema dat impliciet aan bod komt is de heldenstatus van Van Oldenbarnevelt. Zoals blijkt uit het interessante hoofdstukje over de naweeën van de executie, werd Van Oldenbarnevelt al snel als martelaar geframed. Pogingen van zijn tegenstanders om de herinneringscultuur rond de executie te beheersen ten spijt, werd de landsadvocaat vrijwel direct op een voetstuk geplaatst als symbool voor alles wat anti-Oranje was. Tussen de regels door lijkt ook de schrijver veel sympathie op te kunnen brengen voor de oude staatsman. Daar is natuurlijk wel iets voor te zeggen. We leren een bejaarde man kennen, fysiek niet meer in beste staat, die zich kranig verweert tegen een barrage van politiek gemotiveerde beschuldigingen en zelf voortdurend streeft naar verdraagzaamheid en consensus.

Toch schetst dit boek een genuanceerder beeld van Van Oldenbarnevelt. Juist door zo nadrukkelijk te leunen op de primaire bronnen wordt het duidelijk dat we hier niet te maken hebben een voorvechter van tolerantie in de moderne zin van het woord. We horen in zijn eigen woorden, vaak opgetekend door anderen, hoe de landsadvocaat zichzelf en zijn rol in de politiek van de Republiek zag. In zijn verdediging verzette hij zich tegen onverdraagzaamheid en ‘scherpslijperij’ binnen zijn eigen confessie, maar over de positie van bijvoorbeeld andere protestante groeperingen en katholieken wordt amper gerept. De uitgebreide behandeling van het proces laat ook zien hoezeer er een poging werd gedaan door de rechters om tot een legitieme veroordeling te komen. Hoewel de rechters volgens Uitterhoeve ‘uit zijn op een afrekening’, is er hier geen sprake van een gerechtelijke moord. De kracht van dit fraaie boek zit niet zozeer in de analyse, die voornamelijk naar voren komt in een reeks korte ‘nabeschouwingen’ op het einde, maar in de wijze waarop het de zaak Oldenbarnevelt tot leven brengt.