Curaçao is een interessante casestudy met betrekking tot de religieuze verhoudingen tussen protestanten, katholieken en joden in vroegmodern Centraal-Amerika. Het eiland werd in 1499 door de Spanjaarden ingenomen en vervolgens werd de inheemse bevolking gekerstend. Curaçao maakte voortaan deel uit van het bisdom Coro in Venezuela. Nadat de West-Indische Compagnie (WIC) het eiland in 1634 veroverde, werd de vrijwel voltallige bevolking, die weliswaar slechts bestond uit enkele Spaanse families en een vierhonderdtal oorspronkelijke bewoners, omwille van haar ‘paapse’ geloof naar Venezuela overgebracht. Curaçao werd op die manier gereformeerd. Met de erkenning van de Republiek door Spanje in 1648 liet Den Haag echter na formeel een einde te maken aan de kerkelijke jurisdictie van het bisdom Coro over het eiland, vermoedelijk omdat ze ervan uitging dat het katholicisme toch geen rol van betekenis meer zou spelen. Toen de WIC in 1662 echter het recht verwierf om vanuit Curaçao de Spaanse gebieden van Afrikaanse slaven te voorzien op voorwaarde dat zij hen eerst tot het katholicisme bekeerde, en daarvoor opnieuw katholieke priesters op het eiland toeliet, nam de groep katholieken sterk toe. De Hollandse plantagehouders en de joodse kooplieden vonden het immers niet opportuun om hun slaven protestants te laten worden, maar zagen wel het nut in van een katholieke opvoeding die hen de principes van gehoorzaamheid bijbracht. Christine Schunck spreekt in dit verband van ‘intolerante tolerantie’: racistische intolerantie tegenover de slavenbevolking lag aan de basis van religieuze tolerantie.

In Intolerante tolerantie gaat Schunck op zoek naar de totstandkoming van deze bijzondere situatie en wil ze de evolutie van de katholieke missionering op Curaçao schetsen. Het eerste hoofdstuk behandelt de Spaanse evangelisatie tot 1634 en de daaropvolgende missionering door priesters op doorreis tot ongeveer 1700. Hoofdstuk 2 is gewijd aan de activiteiten van de jezuïetenorde tussen ongeveer 1700 en 1740 en het derde hoofdstuk gaat dieper in op de missionering door de Congregatio de Propaganda Fide vanaf 1715. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de machtsstrijd tussen deze congregatie, die onder Rome ressorteerde, en de bisschop van Coro (nadien Caracas), via dewelke de Spaanse koning – als gevolg van het patronaatsrecht – toch enige invloed kon uitoefenen in Curaçao. In het laatste hoofdstuk schetst Schunck de houding van de WIC tegenover het katholicisme.

Het uitgangspunt van dit boek is weliswaar interessant en de onderzoeksvraag is vernieuwend, maar de studie zelf is van veel mindere kwaliteit. De centrale problematiek – het ontstaan van deze intolerante tolerantie – wordt al snel naar de achtergrond verwezen en maakt plaats voor een klassiek, positivistisch overzicht van het katholicisme op Curaçao dat soms zelfs verwordt tot een compilatie in kroniekstijl van allerlei gegevens over katholieke priesters en hun gelovigen op het eiland. Bovendien mist het boek focus. Vrijwel het hele eerste hoofdstuk behandelt de Spaanse aanwezigheid op het vasteland, maar over het Spaanse bestuur op Curaçao komt de lezer weinig te weten. Alvorens de activiteiten van de jezuïeten op Curaçao te vernemen, moet de lezer 23 bladzijden doorworstelen over de oprichting van de orde in Spanje en haar aandeel in de missionering van Nieuw-Granada. De houding van de WIC tegenover het katholicisme in Midden-Amerika komt pas in het laatste hoofdstuk ter sprake, bijna als een aanhangsel, terwijl het toch het kader vormde waarbinnen de ontwikkeling van het katholicisme op Curaçao tot stand kwam. Ook loopt Schuncks vergelijking tussen de positie van het katholicisme op Curaçao en op het Venezolaanse vasteland mank. Waarom vergelijkt de auteur de activiteiten van jezuïeten op Curaçao niet met katholieke missioneringscampagnes in andere gebieden waar de Spanjaarden het evenmin voor het zeggen hadden, zoals China en Japan?

Het gebrek aan focus uit zich ook in de verteltrant. Vermoedelijk omdat het bronnenmateriaal schaars is, wil Schunck alles wat ze heeft gevonden in het boek vermelden; althans, dat is de indruk die de tekst geeft. Het resultaat is een anekdotisch betoog. Ze brengt als het ware verslag uit van haar bronnen en maakt weinig onderscheid tussen essentie en detail. Vele niet ter zake doende weetjes doorkruisen haar betoog, terwijl andere paragrafen aaneenschakelingen zijn van korte biografietjes van de priesters die op Curaçao werkzaam waren. Een treffend voorbeeld is het fragment waarin Schunck de activiteiten van de augustijn Agustín Caycedo bespreekt. Plots duikt een alinea op over een inventaris van een nalatenschap die hij als getuige ondertekende, en waarin de aandacht uitgaat naar de aanwezigheid van herenkleding, een wollen matras en een gouden kruis tussen de bezittingen (146). De relevantie van dit fragment ontgaat me volledig en helaas staan er veel soortgelijke passages in het boek.

Intolerante tolerantie is bovendien gebaseerd op een sterk verouderde literatuurlijst. Van de 286 titels die in de bibliografie opgesomd worden, werden er slechts 43 (15 percent) na 2000 gepubliceerd, ondanks het toenemende aantal recente studies over Latijns-Amerika. De moderne Spaanstalige historiografie, zoals de publicaties van Miguel Molina, Juan Marchena, Guillermo Céspedes del Castillo of Juan Carlos Caravaglia, is volledig afwezig. Het resultaat is een beeld van Spaans-Amerika zoals het in de historiografie van de jaren 1980 bestond, maar dat ondertussen achterhaald is. Ook voor het centrale thema van het boek, religieuze tolerantie, heeft dat gevolgen. Schunck contrasteert voortdurend de situatie op Curaçao met die op het vasteland, dat gebukt ging onder de tirannie van de inquisitie, waarvan ze de impact systematisch overschat. Ze gaat er bijvoorbeeld verkeerdelijk vanuit dat iedereen die in Spaans-Amerika woonde onder de bevoegdheid van de inquisitie viel, terwijl dat niet het geval was voor de inheemse bevolking. Ze neemt aan dat elk proces voor de inquisitie eindigde met de brandstapel (152), terwijl autodafe’s in Spaans-Amerika juist zeldzaam waren. In de praktijk hadden de tribunalen van Mexico, Lima en Cartagena de Indias nauwelijks invloed buiten de stad waar ze gevestigd waren, viseerden ze vooral Spanjaarden en creolen die een slecht voorbeeld voor de inheemse bevolking waren, en werden in het bijzonder de protestanten met rust gelaten, althans voor zover ze zelf geen provocerende acties ondernamen.1 Is het een toeval dat in de bibliografie slechts één werk terug te vinden is over de Spaanse inquisitie, namelijk dat van Henry Kamen, die in zijn boek niet eens aandacht besteedt aan de inquisitie in Spaans-Amerika?2

Voor het overige wordt de studie ontsierd door talrijke onjuistheden, waaronder: de Spaanse inquisitie vervolgde joden en islamieten (29, alleen christenen vielen onder haar bevoegdheid), Columbus ontdekte dat de wereld rond was (35, de Romeinen wisten dat al), het Verdrag van Tordesillas zorgde ervoor dat Brazilië Portugees werd (37, Brazilië werd pas in 1500 ontdekt), de Nederlanden waren onderdanen van de Katholieke Koningen (37, integendeel, Filips de Schone en zijn zoon Karel werden koning van Castilië), de uitbouw van Spaans-Amerika leidde tot de ontvolking van Spanje (71, voor 1600 emigreerden nauwelijks 250.000 Spanjaarden naar Amerika), excommunicatie en apostasie worden als synoniemen beschouwd (101), en de controverse van Valladolid ging over de vraag of indianen mensen waren (130, de centrale vraag was of ze als natuurlijke slaven in aristotelische zin moesten worden beschouwd). Erger is het ronduit racistische taalgebruik. Er is regelmatig sprake van ‘negers’, ‘vrije negers’, ‘negerslaven’ en ‘bosnegers’. Het is alweer een aanduiding van het gedateerde karakter van deze studie.

Schuncks boek heeft zeker verdiensten: het is het eerste boek dat de behandelde thematiek zo uitgebreid in kaart brengt. Spijtig genoeg gebeurt dit op een verouderde wijze, zodat het vooral een goed vertrekpunt is voor latere analyses.