Van de Nederlandse krijgsmachtdelen steekt de zeemacht er met kop en schouders bovenuit wat betreft biografische studies van officieren. De zeehelden van de Gouden Eeuw vertegenwoordigen hiervan het leeuwendeel. Het laatste decennium van de vorige eeuw leverde echter drie goed gedocumenteerde biografieën over recentere zeeofficieren: Jan Hendrik van Kinsbergen (1735-1819), Joan Cornelis van der Hoop (1742-1825) en Gerhardus Fabius (1806-1888). Na bijna twintig jaar pakt Gerard Acda, uit liefde voor het biografisch genre, zoals hij zelf in zijn woord vooraf meldt, die draad weer op door Gustaaf Frederik Tydeman (1858-1939) tot onderwerp van studie te maken. Acda, zelf oud-marineofficier, heeft zijn sporen meer dan verdiend, zowel als auteur van historische studies over marine-opleidingen alsook als redactielid van de indrukwekkende reeks ‘Bijdragen tot de Nederlandse Marinegeschiedenis’ en ten slotte als lid van de Commissie voor Zeegeschiedenis. Met Tydeman als studieobject heeft Acda gekozen voor een biografie met als belangrijk thema de rol van defensie bij wetenschappelijke ontwikkelingen, in casu de hydrografie. Centraal in het boek staat de vraag hoe marineofficieren in de loop van de negentiende eeuw betrokken raakten bij civiel-wetenschappelijk oceanografisch onderzoek, in het bijzonder dat van de Amsterdamse hoogleraar zoölogie Max Weber (1852-1937). Acda geeft in zijn inleiding een nuttige status quaestionis van het thema marine en wetenschap (18-22), waarin hij de positionering van zijn studie op overtuigende wijze aangeeft. Die studie vormt, in de woorden van de auteur, ‘een op archief- en literatuurstudie gebaseerde kritisch opiniërende biografie binnen de context van de marine als organisatie, de beroepsgroep marineofficieren en de toepassing van wetenschap binnen de marine’ (23).

Tydeman stamde uit een familie van academici, zijn vader was arts. Zijn jeugd in Harlingen leidde tot de keuze voor een maritieme loopbaan. Van 1873 tot 1877 werd de adelborst Tydeman in Den Helder opgeleid tot marineofficier. Na zijn oudere broer, die voor de KMA in Breda had gekozen, was hij de tweede in de familie die officier werd. In 1878 en 1883 begon Gustaaf zijn werk als marineofficier in Nederlands-Indië. Hierbij kwam hij snel met hydrografie in aanraking. In 1880 kreeg het schip waarop hij was geplaatst opdracht hydrografisch onderzoek te doen in verband met de afbakening van de grens tussen het Nederlandse en Britse deel van Borneo. Tydeman voerde deze taak met plezier uit en vroeg meteen een plaatsing bij de hydrografische dienst aan, en met succes. In 1884 volgde zijn plaatsing op een hydrografisch opnemingsvaartuig, waarmee zijn loopbaan in dit vakgebied verder tot ontwikkeling kon komen. Zijn eerste Haagse walfunctie vervulde hij bij de in 1874 opgerichte afdeling Hydrografie van het Departement van Marine (1885), waar zeekaarten werden geactualiseerd. Tot zijn werk behoorden onder andere hydrografische taken in de Nederlandse kustwateren. Commando over een eigen opnameschip volgde logischerwijs op deze functie. Tydeman was in deze rol in 1889-1893 ook weer in Nederlands-Indië actief. Vervolgens werd hij benoemd als docent zeevaartkunde, sterrenkunde en stuurmanskunst aan zijn alma mater in Den Helder. Tezelfdertijd zette Tydeman zijn eerste schreden op het pad van het publiceren van artikelen.

In het vierde hoofdstuk onderbreekt Acda het verhaal over Tydemans loopbaan ten gunste van een thematische verdieping van de relatie tussen marine en wetenschap. Dit hoofdstuk vormt de kern van Acda’s studie. Acda geeft eerst een historisch overzicht van het onderzoek naar de zeebodem en kustwateren in algemene zin. Hierin kwamen economische en politieke belangen samen, maar Acda plaatst de maritieme wetenschappelijke activiteiten ook in de zich ontwikkelende bredere civiele wetenschappelijke belangstelling voor flora en fauna van koloniale gebieden. Op hydrografisch gebied werkte de Nederlandse marine vanaf het midden van de negentiende eeuw met de Nederlands-Indische regering samen om exacte zee- en kustkaarten van de archipel te produceren. Dit behelsde mede het systematisch verzamelen en beschikbaar stellen van allerlei relevante gegevens over stromingen en getijden. Vanaf 1883 had de marine enkele scheepjes die speciaal voor dit doel ontworpen waren in de archipel in de vaart. Het ging hierbij vooral om kennis over de beste vaarwegen en de afbakening van de grens met de Britse gebieden. Het militair nut hiervan bleek bijvoorbeeld bij de Nederlandse kustblokkade van Atjeh. Ook wijst Acda erop dat Nederland internationaal gezien niet kon achterblijven met het produceren van betrouwbare zeekaarten van zijn uitgestrekte bezittingen, ‘onze nationale eer was hierbij in het geding’ (137). Vergelijkbare hydrografische metingen werden door de marine ook langs de Nederlandse kust verricht, gericht op betrouwbare zeekaarten en speciale kaarten voor in oorlogstijd.

De Siboga-expeditie van 1899 was de eerst zeegaande Nederlandse wetenschappelijke onderneming, waarvoor de marine een schip met bemanning beschikbaar stelde (138). Acda plaatst deze onderneming in een brede context door aan te geven dat na 1870 oceanografisch onderzoek internationaal sterk tot ontwikkeling kwam, vooral door Britse en Scandinavische wetenschappers, en dat de marine parallel hieraan voortbouwde op de al bestaande samenwerking met wetenschappelijke instituten als het KNMI en het Aardrijkskundig Genootschap. Uiteindelijk zouden niet alleen deze instellingen, maar ook wetenschappers die streefden naar Nederlands poolonderzoek en naar meer dier-, zee- en plantkundig onderzoek in Nederlands-Indië bij de marine aankloppen. In deze coalitie speelde de eerdergenoemde Weber, die veel interesse had in de diepzee, een grote rol. Dit leidde in 1897 tot financiële en materiële steun van de Nederlands-Indische regering en de marine voor een expeditie onder Webers leiding. Tydeman werd in 1898 commandant van dubbelschroef flottieljevaartuig Hr. Ms. Siboga waaraan de expeditie haar naam ontleende. Naast Weber gingen drie zoölogen mee en een tekenaar. Bijzonder was dat Webers echtgenote, de vooraanstaande plantkundige en expert in algen Anna van Bosse (1852-1942), als eerste vrouwelijk bemanningslid op een marinevaartuig aan de expeditie deelnam.

De expeditie leverde een schat aan hydrografische en zoölogische gegevens over het leven in de wateren van de archipel op. Niet alleen verscheen er in 1900 in De Gids een verslag van, op velerlei wijzen kwam de expeditie, door Klaas van Berkel ‘misschien wel de belangrijkste’ in Nederlands-Indië genoemd (167), in de publiciteit. Tydeman hield er een levenslange vriendschap met Weber aan over en kreeg in 1903 een nevenfunctie bij het Rijksinstituut voor het Onderzoek der Zee. Zeven jaar later trad hij toe tot het bestuur van het Aardrijkskundig Genootschap. Tezelfdertijd verliep zijn marine carrière voorspoedig: commandant van grote schepen, van het KIM in Den Helder en van de marine in Amsterdam waren tot aan zijn pensioen als viceadmiraal in 1915 zijn belangrijkste functies. Hij bleef nadien nog lang onderzoek doen op wetenschappelijk, politiek, en marine gerelateerde terreinen en publiceerde veelvuldig.

Acda heeft meer gedaan dan alleen een biografisch overzicht geven van Tydeman en diens familie. Het boek geeft een fraaie inkijk in het leven van marineofficieren in de jaren 1880-1920, in Nederland en in Nederlands Oost-Indië. Acda’s grote kennis van de marineopleidingen blijkt hierbij duidelijk. Tydeman als casus voor maritiem-wetenschappelijke samenwerking komt bovendien goed uit de verf. Relevante factoren als het Nederlandse koloniale bestuur, de ontwikkeling van de wetenschapsbeoefening gerelateerd aan kolonie en marine en de ontwikkeling van het krijgsmachtdeel Koninklijke Marine passeren de revue, zij het meer beschrijvend dan analytisch. De vele namen, data en faits divers overschaduwen nogal eens een meer structurele analyse van ontwikkelingen. Desalniettemin heeft Acda een waardevolle bijdrage geleverd aan zowel de maritieme geschiedenis als de geschiedenis van de wetenschapsbeoefening, door te kiezen voor het perspectief van een veelzijdige en interessante marineofficier.