De Hongerwinter (1944-1945) is wellicht de bekendste episode uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Nederland en leeft sterk voort in de collectieve herinnering. Dit grote en langdurige voedseltekort in het verstedelijkte westen van Nederland ontstond na het vastlopen van het geallieerde bevrijdingsoffensief vanuit het zuiden in de herfst van 1944 en heerste tot de capitulatie van Nazi-Duitsland. Over de Hongerwinter is al het een en ander bekend uit publicaties van Gerard Trienekens, Hein Klemann en Ralf Futselaar, maar een grondige studie die het fenomeen in al zijn complexiteit analyseert bestond nog niet.

Dit boek van Ingrid de Zwarte vult die lacune. Het is het resultaat van een proefschrift dat de auteur in 2018 aan de UvA verdedigde, maar is niet uitgegeven als klassieke ‘handelseditie’. Het boek is expliciet bedoeld als een publieksboek, waarmee de auteur haar wetenschappelijke bevindingen naar een publiek van niet-specialisten wil vertalen. Die vertaalslag is gelukt: zonder aan wetenschappelijke rigueur in te boeten wordt op een bevattelijke manier uitgelegd welke de oorzaken waren van de Hongerwinter, welke effecten de Hongerwinter had op bevolking en samenleving en hoe de gezagsdragers en de bevolking met de honger en de gevolgen ervan omgingen. Bijzondere aandacht gaat uit naar de reacties van individuen en sociale groepen op de grote voedselschaarste en hun strategieën om aan de ellendige situatie het hoofd te bieden. Het boek is geïllustreerd met bijzonder treffende foto’s die adequaat in de tekst zijn ingepast.

De Hongerwinter heeft een bijzondere en heel geslaagde structuur. De auteur start de hoofdstukken met een anekdote die vervolgens de aanleiding vormt voor de grondige uitwerking van een bepaald onderdeel van de problematiek van de Hongerwinter. De Zwarte maakt duidelijk dat een combinatie van verschillende factoren verklaart waarom de Hongerwinter dergelijke scherpe vormen kon aannemen. Naast het verbreken van de normale goederenstroom binnen de Nederlandse landbouweconomie door de opdeling in een bevrijd en niet-bevrijd deel van het grondgebied, speelden militair-strategische overwegingen zowel voor de Duitsers als voor de geallieerden een rol. Zo hielden de Britten bijvoorbeeld zo lang mogelijk vast aan de goederenblokkade omdat ze meenden dat dat de beste garantie was om snel de overwinning te behalen op Nazi-Duitsland en dat bleef de eerste prioriteit. Transportproblemen, in grote mate veroorzaakt door de spoorwegstaking van 1944 en verergerd door de strenge winter, hadden eveneens een grote impact op de voedseltekorten.

Het onderzoek van De Zwarte legt bovendien het grote belang van de factoren politiek en bestuur bloot. Bestuurders dienden goede structuren voor voedselrantsoenering en bedeling op te zetten. Ook moesten zij pragmatisch zijn om tijdig de omslag naar decentralisatie te kunnen maken en niet te allen prijze een gecentraliseerd systeem willen handhaven. Onderhandelingen van Nederlandse bestuurders die het vertrouwen van de Duitsers genoten, zoals Max Hirschfeld, met de bezetter konden het een en ander mogelijk maken. De Zwarte toont aan dat de Duitsers in Nederland soms tot concessies bereid waren. Zo legden zij in enkele gevallen orders uit Berlijn naast zich neer om redenen van ordehandhaving of om met een nederlaag van Nazi-Duitsland in het vooruitzicht op enige clementie te kunnen rekenen bij een te verwachten berechting. De auteur bekijkt de opstelling van deze Duitse machthebbers met gepaste kritische distantie. Het belang van de factor politiek blijkt ook uit de onderhandelingen van de Nederlandse regering in Londen, die steunde op haar ‘vertrouwensmannen’ in bezet gebied, met de geallieerden om de blokkade te versoepelen of om noodhulp toe te laten. Die onderhandelingen resulteerden uiteindelijk in geallieerde voedseldroppings, die, zo toont de auteur aan, in tegenstelling tot wat nog vaak wordt gedacht niet van doorslaggevend belang zijn geweest om de nood te lenigen.

Het verhaal achter deze voedseldroppings reveleert een van de origineelste aspecten van dit boek: de inbedding van de Hongerwinter in een internationale context. Zoals uit de minutieuze reconstructie op basis van buitenlandse archieven (het aanwenden daarvan is een andere verdienste van dit boek) blijkt, werd over noodhulp tot op het allerhoogste niveau tussen de geallieerden onderhandeld. Zij moesten immers vermijden dat de Sovjet-Unie zou denken dat hulp aan het hongerende West-Nederland paste in een strategie van de Westerse geallieerden om samen met de Duitsers tegen hen op te trekken. Daarnaast vergelijkt De Zwarte de Hongerwinter met andere hongersnoden, zoals de Griekse, het beleg van Leningrad en het getto van Warschau, en brengt zij deze in verband met de voor een groot deel door raciale motieven geïnspireerde nationaalsocialistische voedsel- en hongerpolitiek.

Deze internationale inkadering gaat niet ten koste van de focus op Nederland. Integendeel, de effecten van de Hongerwinter op de Nederlandse bevolking en de maatschappelijke reactie hierop worden op verschillende niveaus met oog voor differentiatie onderzocht. Eerder wees ik al op buitenlandse archieven, maar ook Nederlandse archieven, zowel nationale als vooral ook lokale, heeft De Zwarte doorploegd. De bronnen worden kritisch gebruikt en steeds wordt geprobeerd er het maximum uit te halen om groepen die onder de radar blijven toch een stem te geven. Zo gaat veel aandacht uit naar kinderen, wat in dergelijke studies niet uitzonderlijk is, maar ook naar ouderen en zelfs naar inwoners met een koloniale achtergrond voor wie in gaarkeukens aangepaste voeding werd bereid. Er is tevens systematisch aandacht voor het genderperspectief. Vrouwen speelden in vele initiatieven niet alleen een traditioneel uitvoerende, maar ook een leidende rol, wat mede wordt verklaard door de relatief grote afwezigheid van mannen als gevolg van de razzia’s. De Zwarte heeft ook oog voor de verschillen tussen steden – tekorten waren in bepaalde steden iets minder nijpend – die waar mogelijk worden verklaard, bijvoorbeeld vanuit de band tussen stad en platteland of vanuit de strategieën van de bevolking en het bestuur om met de tekorten om te gaan.

Het zou ons te ver leiden in te gaan op de vele nieuwe inzichten die het boek biedt. Bijzonder is wel de aandacht voor het politieke in deze overwegend sociale geschiedenis. Dit blijft niet beperkt tot het bestuurlijke of tot de rol van de elites: De Zwarte legt veel nadruk op de rol die zelforganisatie heeft gespeeld in de strijd tegen de honger. Vooral de kerken, die zich federeerden in een overkoepelend Interkerkelijk Bureau voor Noodvoedselvoorziening (IKB), dat deels in ‘onderaanneming’ van de overheid werkte, ontwikkelden zich tot de spil van de alternatieve voedselbedeling. De kerken gaven niet zelden prioriteit aan de ‘eigen kring’ en bestendigden zo de verzuiling, die overigens ook vaak functioneerde volgens de logica van onderaanneming. Sociaaldemocraten wier organisaties door de Nazi-bezetting werden opgeheven, stonden er daardoor meestal slechter voor. Het verzet speelde eveneens een rol in deze alternatieve voedselbevoorradingscircuits.

Er is één punt dat in de analyse wat ontbreekt of wat weinig uit de verf komt: wat waren de maatschappelijke effecten, in de zin van socio-politieke verhoudingen tussen de sociale groepen (of ‘klassen’, een term die in dit boek vaak wordt gebruikt) van deze Hongerwinter op korte en middellange termijn? Tijdens de bezetting werd ook België (vooral de Waalse industriegebieden) geconfronteerd met grote voedseltekorten, zij het dat ze zich minder scherp en minder acuut stelden. De Brusselse historicus-socioloog Guillaume Jacquemyns heeft de effecten ervan in de jaren 1940 op een meesterlijke wijze geanalyseerd en gewezen op de diepgaande effecten ervan op de maatschappelijke verhoudingen en de verwachtingen ten aanzien van de naoorlogse samenleving. Die randbemerking doet nauwelijks iets af aan de kwaliteiten van dit mooie boek, een ware aanwinst voor de Nederlandse en Europese bezettingshistoriografie.