De decennia die volgden op de Franse Revolutie hadden Europa politiek tot op het bot verdeeld. Terwijl de Franse troepen meer en meer werden teruggedrongen, begonnen de overige Europese machtshebbers tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) plannen te maken voor het post-Napoleontische tijdperk. De revolutionaire geest moest terug in de fles, maar de overwinnaars waren realistisch genoeg om te erkennen dat het ancien régime niet volledig kon worden hersteld. Als antwoord op het vraagstuk van de revolutie schoven zij de constitutionele monarchie naar voren. De constitutionele monarchie leek een aanvaardbaar compromis. Enerzijds werd het anarchisme uitgebannen door een hiërarchische ordening van de samenleving die niet onderhevig was aan de grilligheid van de democratie. Anderzijds werden verlicht-liberale grondrechten van de burgers vastgelegd in een grondwet. De constitutionele monarchie zou een einde maken aan de splijtzwam van de revolutie.1

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830, hierna VKN) was een van de constitutionele monarchieën waarvan de contouren op de Weense tekentafel werden geschetst. Het VKNbesloeg ruwweg de voormalige territoria van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in het noorden, de Oostenrijkse Nederlanden in het zuiden en enkele min of meer onafhankelijke gebieden zoals het Prinsbisdom Luik. Na vijftien jaar viel het VKNuiteen in de afzonderlijke staten Nederland en België. In de afgelopen twee decennia is het beeld van deze periode ingrijpend veranderd. Aanvankelijk stelden historici in de lijn van Herman Colenbrander en Henri Pirenne het uiteenvallen van het VKNvoor als een onvermijdelijk gevolg van de tegenstellingen tussen Noord en Zuid.2 Inmiddels zijn Nederlandse historici als Niek van Sas en Jeroen van Zanten het erover eens dat het VKNniet gedoemd was om te mislukken. Sterker nog, de Belgische afscheiding was niet onvermijdelijk geweest. Zelfs in de crisisjaren vanaf 1828 waren er weinig politici uit op een scheiding.3 Voor het Zuiden ontkrachtten onderzoekers als Els Witte de rol van nationale sentimenten door te benadrukken dat noch de liberale noch de katholieke Zuidelijke oppositie in 1830 uit was op onafhankelijkheid. Bovendien benadrukten onderzoekers die zich toelegden op zowel het Noorden als op het Zuiden dat het nationale gevoel vóór de revolutie niet aan de eis voor onafhankelijkheid werd gekoppeld.4

Toch worden de tegenstellingen tussen Noord en Zuid in de historiografie impliciet in stand gehouden. Zo zijn er maar weinig onderzoekers die zowel het Noorden als het Zuiden hebben bestudeerd. Dit heeft geleid tot een divergerende tendens in de historiografie. Historici die zich concentreren op het Noorden, stellen dat er in de beginjaren nauwelijks sprake was van politisering. Na de Bataafs-Franse periode zou het Noorden ‘afscheid’ genomen hebben van de revolutionaire geest. Eendracht was het nieuwe ideaal.5 Een levend grondwetsbesef zou in het Noorden niet bestaan hebben.6 Stefaan Marteel, die zich op het Zuiden toespitst, benadrukt daarentegen de cruciale rol die de grondwet in het politieke denken speelde. Onenigheid over de grondwet en de manier waarop deze tot stand kwam was aanvankelijk een voedingsbodem voor het ontstaan van een Zuidelijke oppositie, maar al gauw zette diezelfde oppositie de grondwet en het moderne constitutionalisme in ter ondersteuning van haar opvattingen over de staat.7 Een opvallende uitzondering op deze historiografische tendens is de historisch-juridische dissertatie van Peter van Velzen, waarin hij aantoont dat het VKNvanaf het prille begin verdeeld was over de ministeriële verantwoordelijkheid zonder dat er sprake was van een Noordelijk en een Zuidelijk kamp.8

In dit artikel willen wij aantonen dat de beginjaren van het VKN gekenmerkt worden door scherpe constitutionele debatten, terwijl de meeste historici juist het gedepolitiseerde karakter van de nieuwe staat hebben benadrukt. We doen dit aan de hand van een analyse van het politiek-maatschappelijke debat over het jachtrecht in de beginjaren van het VKN. Vanuit die invalshoek willen wij een van de centrale constitutionele discussies uit deze periode concretiseren, namelijk de verhouding tussen publieke macht en privaat eigendom. De bronnen die we gebruiken richten zich op dit openbare debat, eerder dan op discussies binnen de regering zelf. We maken gebruik van de gereconstrueerde Parlementaire Handelingen, samengesteld uit notulen, verslagen van de Staatscourant, oude kranten en nagelaten dossiers van ministers en Kamerleden. Dit materiaal vullen we aan met de bronnenverzameling van Colenbrander over het ontstaan van de Grondwet, de polemische geschriften van Théodore Dotrenge en Jean-Joseph Raepsaet over de grondwetsdiscussie en de verwijzingen naar het jachtdebat in de oppositiekranten (hoofdzakelijk de Zuidelijke liberale krant L’Observateur en het Noordelijke, overwegend liberale tijdschrift De Weegschaal).9 Voor de discussie in het Zuiden tijdens de periode 1814-1816 beroepen we ons op de archieven van de Geheime Raad en het Staatssecretarie voor België. Dit corpus wordt voor de periode 1816-1819 aangevuld met de petities en gedrukte stukken bewaard in het archief van de Eerste en Tweede Kamer van de Staten-Generaal, alsook met de verwijzingen naar het debat over jachtwetgeving in het archief van de Opperhoutvesterij, de dienst die toezicht hield op de uitoefening van jacht en visserij. Tot slot maken we gebruik van archieven en memoires van politici betrokken bij het debat over het jachtrecht. In wat volgt, zetten we allereerst uiteen waarom juist het jachtrecht zo’n interessant kwestie was in de vroege negentiende eeuw. Vervolgens presenteren wij onze casus in chronologische volgorde.

Jacht en revolutie

De jacht is meer dan alleen een manier om voedsel te vergaren. Als gevolg van een lang proces van uitsluiting en criminalisering van jagers uit de lagere standen was het recht om te jagen in de vroegmoderne tijd uitgegroeid tot een privilege van de elite.10 In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vaardigde iedere provincie haar eigen jachtwetten uit. Het aantal jachtgerechtigden bleef veelal beperkt tot (riddermatige) edelen, hoge ambtsbekleders (zoals stadsbestuurders, dijkgraven en hoge rechters) en (groot)grondbezitters.11 In de Zuidelijke Nederlanden was de jacht eveneens een voorrecht van de adel en andere groepen die we tot de elite mogen rekenen.12 Het jachtrecht was in de vroegmoderne tijd dus een typisch standsprivilege. Geboorte en geld bepaalden in grote mate wie gerechtigd was om te jagen.

De praktijk van de jacht bevestigde de hoge status van de jachtgerechtigde. De jacht was een zichtbaar privilege van de elite.13 Jachtgerechtigden beperkten zich niet tot de jacht op hun eigen bezittingen. Zij maakten ook gebruik van de mogelijkheid op andermans gronden te jagen. De jager liet daarmee zien dat zijn recht om te jagen belangrijker was dan de belangen van de grondgebruiker.14 In tijden waarin de macht van de elite ter discussie stond, werd ook het jachtrecht betwist. Zowel de Engelse Burgeroorlog als de Franse Revolutie werden voorafgegaan door een explosie van gewelddadige stroperijen.15 Verlichte denkers zagen de exclusieve jachtrechten van de elite als een vorm van onderdrukking van de boerenbevolking. Bovendien zou het in stand houden van uitgestrekte jachtgebieden irrationeel en economisch inefficiënt zijn.16

Portret van Jonkheer Gijsbert Carel Rutger Reinier van Brienen van Ramerus (1771-1821), met zijn vrouw en vier van hun kinderen, vervaardigd door Adriaan de Lelie in 1804. De keuze voor een jachtpartij als decor voor dit familieportret is tekenend voor het symbolische belang van de jacht tijdens de revolutietijd. © Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-1355, http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.12126.

De Franse Revolutie had grote gevolgen voor het jachtrecht in continentaal Europa. Kort na het uitbreken van de revolutie werd in Frankrijk een einde gemaakt aan de jacht als standsprivilege. Grondeigenaren hadden voortaan het recht om op hun eigen gronden te jagen.17 In de Zuidelijke Nederlanden werd na de Franse inlijving direct de revolutionaire jachtwetgeving ingevoerd. In de Bataafse Republiek bleef aanvankelijk de jacht een provinciale aangelegenheid. In een aantal provincies werden in de geest van de revolutie de vroegmoderne jachtprivileges afgeschaft en was iedere inwoner voortaan gerechtigd om te jagen. De Bataafse jachtwetten hadden echter een tijdelijk karakter. Op den duur nam grondeigendom een steeds belangrijker plaats in als criterium om te mogen jagen.18 Na de inlijving bij het Franse keizerrijk werd in het Noorden alsnog de Franse jachtwet ingevoerd.19

In de loop van de achttiende en negentiende eeuw werd het recht om te jagen verder geherdefinieerd. De gangbare perceptie dat het jachtrecht een privilege van specifieke sociale groepen was, werd steeds meer overschaduwd door de opvatting dat het recht om te jagen een afgeleide van grondeigendom zou moeten zijn. Deze verschuiving hangt samen met een bredere ontwikkeling. In de vroegmoderne tijd was de verstrengeling van publieke macht en privaat eigendom de gewoonste zaak van de wereld. Enerzijds bracht het bezit van bepaalde titels en onroerende goederen bestuurlijke rechten en gebruiksrechten met zich mee. Anderzijds waren publieke functies te koop of overerfbaar. Rafe Blaufarb, een Canadese historicus gespecialiseerd in de geschiedenis van Frankrijk tijdens het revolutionaire tijdvak, analyseert de veranderende Franse opvattingen over de verhouding tussen publieke macht en privaat eigendom in zijn studie The Great Demarcation. The French Revolution and the Invention of Modern Property (2016). Blaufarbs centrale stelling luidt dat de Franse Revolutie een einde maakte aan het tot dan toe gangbare eigendomssysteem. In plaats daarvan werd een radicaal onderscheid gemaakt tussen de publieke macht en privaat eigendom, hetgeen tevens de conceptuele basis van het ancien régime vernietigde.20

Alhoewel in landen als Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië verschillende studies zijn verschenen over de betekenis van de jacht en het jachtrecht, is er tot op heden weinig onderzoek gedaan naar de jacht in de Nederlanden in de overgangsperiode van vroegmoderne naar moderne tijd. De eerste Nederlandse studies belichten alleen juridische aspecten van de ontwikkeling van het jachtrecht.21 In de laatste decennia is meer aandacht uitgegaan naar de sociale, economische en ecologische context van de jacht. Enerzijds wordt de jacht bestudeerd als onderdeel van een elitaire levensstijl. Verschillende monografieën over de landed elite beschrijven de obsessie die vele edelen en aristocratische industriëlen hadden met de jacht.22 Anderzijds wordt de jacht geanalyseerd als een bron van inkomsten. In deze studies staat de beroepsmatige jacht centraal.23 Tot slot is onderzoek gedaan naar de invloed van de jacht op de wildstand in de voorbije eeuwen.24

In het vervolg van dit artikel analyseren wij de politiek-maatschappelijke debatten over het jachtrecht in de beginjaren van het VKNaan de hand van Blaufarbs these. Daarbij moet worden aangetekend dat Blaufarb terecht is bekritiseerd omdat hij pogingen om de scheiding van macht en eigendom constitutioneel te verankeren als een coherent programma heeft voorgesteld, terwijl de leidende juridische denkers juist onderling verdeeld waren en de uitkomsten niet altijd te voorzien waren.25 Die verdeeldheid speelde ook een belangrijke rol in de politiek-maatschappelijke debatten binnen het VKN die in dit artikel centraal staan. Niettemin biedt Blaufarbs these dat de Franse Revolutie leidde tot een modern concept van eigendom, toegepast op de debatten over het jachtrecht, mogelijkheden om een nieuw licht te laten schijnen op de politieke verhoudingen in het VKN.

Noord-Nederlandse jachtwetgeving onder een nieuw bewind (1813-1815)

Nadat de Franse troepen zich in 1813 uit Nederland hadden teruggetrokken, nam een driemanschap, bestaande uit Gijsbert Karel van Hogendorp, Frans Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum, tijdelijk het bestuur van de Noordelijke Nederlanden op zich. Zij nodigden Willem Frederik uit, de zoon van de laatste stadhouder, om als soeverein vorst (later koning) het land te leiden, hetgeen hij dankbaar aanvaardde. Willem Frederik trok veel macht naar zich toe. In de bestuurlijke indeling van het nieuwe Koninkrijk bouwde hij verder op de Bataafs-Franse erfenis, maar herstelde hij tevens facetten van het ancien régime. Kenmerkend is de creatie van een nieuw soort notabelenstand bestaande uit oude regenten en aristocraten, voormalige Bataafse bestuurders en nouveau riches.26

Een commissie boog zich over een nieuw te ontwerpen grondwet. Van Hogendorp, wiens schetsen de basis vormden voor de nieuwe Grondwet, fungeerde als voorzitter. Tijdens een zitting van de Grondwetscommissie stelde Apollonius J.C. Lampsins voor om in de Grondwet ook een bepaling over de jacht op te nemen. Lampsins argumenteerde profetisch dat dit vele moeilijkheden zou voorkomen die een stilzwijgen over het onderwerp zou veroorzaken tussen bezitters van het jachtrecht en grondeigenaren.27 Van Hogendorp was het daar echter niet mee eens. Hij meende dat die materie bij wet geregeld moest worden en niet in de Grondwet thuishoorde en dit standpunt vond algemeen bijval binnen de commissie.

Toch verwees de Grondwet van 1814 indirect naar bepaalde jachtrechten. Zo erkende de Grondwet het bestaan van heerlijkheden.28 Een heerlijkheid is een geheel van rechten en plichten met betrekking tot het bestuur van een bepaald plattelandsgebied. De heer van een heerlijkheid beschikte over bepaalde rechten, waaronder vaak het (exclusieve) recht om te jagen in de heerlijkheid. Alle heerlijke rechten werden in de Bataafs-Franse tijd afgeschaft. Maar enkele dagen voordat de Grondwet werd aangenomen, was een Staatsbesluit uitgevaardigd dat allerlei heerlijke rechten herstelde, waaronder heerlijke jachtrechten.29 Op die manier werd de verstrengeling tussen publieke macht en privaat eigendom, hét centrale kenmerk van het prerevolutionaire eigendomsconcept, opnieuw gedeeltelijk hersteld. Het besluit was in belangrijke mate geïnspireerd op een ontwerp van Arnold W.N. van Tets van Goudriaan, commissaris-generaal van het departement van de Monden van de Maas. Hij presenteerde zijn ontwerp als een manier om een einde te maken aan het machtsvacuüm dat was ontstaan op het platteland na het vertrek van de Franse troepen. In feite probeerde Van Tets van Goudriaan de tijd twintig jaar terug te draaien, door voor te stellen een systeem te herstellen dat in het geboortejaar van de Bataafse Republiek was afgedaan als strijdig met de gelijkheid van burgers. De kersverse vorst liet zich echter overtuigen, mede door de verzoekschriften die hij ontving van bezitters van voormalige heerlijkheden, ridderhofsteden en havezaten. De rekwestranten wensten hersteld te worden in hun vroegere rechten, waaronder de aan heerlijkheden verbonden jachtrechten.30

Op 11 juli 1814 werd een nieuwe jachtwet uitgevaardigd. Het was eenieder in de Noordelijke Nederlanden voortaan toegestaan om te jagen, mits hij in het bezit was van een jachtakte. In principe kreeg de jacht daardoor een minder standsgebonden karakter dan vóór de Franse tijd. Het jachtrecht was niet langer voorbehouden aan edelen, ambtsdragers en rijke burgers. De kosten van de jachtakten waren echter substantieel. Een akte die toestemming gaf om in één jachtdistrict de korte jacht – een vorm van jagen waarbij geen windhonden worden gebruikt – te mogen uitoefenen kostte al meer dan vijftien gulden. Bovendien werden fikse kortingen verleend aan groepen die ‘gekwalificeerd’ waren tot de jacht, te weten edelen, grote grondeigenaren en militaire officieren.31 In de praktijk bleef de jacht een elitaire hobby.

De jachtwet van 1814 omschrijft tamelijk precies waar wel en niet mocht worden gejaagd. Het jachtterrein bestond enerzijds uit publieke gronden, zoals ‘wildernissen’, bossen, duinen en heigronden, die de vorst niet voor zichzelf had opgeëist. Anderzijds mocht worden gejaagd op private grond, met uitzondering van ‘lusthoven’ met geschoffelde lanen die met behulp van sloten of hekken waren afgescheiden van de natuur. Grondeigenaren die niet wilden dat anderen op hun gronden jaagden, konden hun eigendommen laten registreren als privaat jachtgebied. Daartegenover stond dat zij hun grond moesten laten afpalen en jaarlijks een premie van enkele guldens dienden te betalen.32 De wet betekende niet het einde van de heerlijke jachtrechten. Na de uitvaardiging van de jachtwet werd het herstel van de heerlijke jachtrechten zelfs geëxpliciteerd per Soeverein Besluit. Dit maakt de Noordelijke jachtwetgeving van 1814 tot een complex amalgaam waarin elementen van zowel het prerevolutionaire als het moderne eigendomsconcept werden samengebracht, waardoor publieke macht en privaat eigendom bijgevolg nauw verstrengeld bleven. Er was enige tijd discussie over de vraag of het heerlijk jachtrecht over particuliere eigendommen zou kunnen worden afgekocht door grondeigenaren. Deze mogelijkheid werd echter niet in het besluit opgenomen. Grondeigenaren moesten tot 1852 wachten op een wettelijke vastlegging van het recht op het afkopen van heerlijke jachtrechten.33

Nadat in het Verdrag van Parijs (30 mei 1814) al was vooruitgelopen op een vereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, nam Willem Frederik het bestuur van het Generaal-gouvernement België op zich. Voorlopig bleef de Franse revolutionaire jachtwetgeving daar van kracht. In de Landen van Overmaas (het Generaal-gouvernement Neder- en Middenrijn, zie kaart), waar de jachtwetgeving tijdens de Franse periode vergelijkbaar was met die in de Zuidelijke Nederlanden, werden de jachtrechten bij besluit van gouverneur-generaal Johann August Sack naar Pruisisch voorbeeld verpacht door de gemeenten,34 een regeling die door de Overmase grondeigenaren als een aanval op hun eigendomsrechten werd beschouwd.

Willem Frederik werd ondertussen overstelpt met verzoekschriften uit het Zuiden. Zo pleitte Charles-Emmanuel d’Auxy de Neufvilles, voormalig Kamerheer van keizer Leopold II en oudgediende bij de gardes nobles, voor het herstel van de jacht als adellijk privilege. Willem Frederik liet de zaak onderzoeken door de Geheime Raad, maar die wist zich er geen raad mee.35 Enkele edellieden uit Vlaanderen, die verklaarden alle voormalige bezitters van heerlijke rechten te vertegenwoordigen, stelden dat ‘la manie révolutionnaire’ tot doel had hen te ruïneren en de adel van de kaart te vegen. Ze riepen Willem Frederik op een einde te maken aan de onderdrukkende revolutionaire wetgeving die niet thuishoorde in een staat die het eigendomsrecht, waarmee zij hun heerlijke rechten bedoelden, respecteert.36

Constitutionele discussies over het jachtrecht (1815-1818)

Het Congres van Wenen bepaalde definitief dat de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden werden samengevoegd tot het VKN. Willem Frederik benoemde zichzelf in 1815 tot koning Willem I der Nederlanden en tevens tot groothertog van Luxemburg. Als protestantse vader van de natie, was Willem I weinig geliefd onder katholieke onderdanen. Toch werd de koning in het overwegend katholieke Zuiden gesteund door een groot aantal aristocraten.37 Het nieuwe Koninkrijk vereiste een nieuwe grondwet. De Grondwetscommissie stelde voor de Staten-Generaal op te splitsen in twee kamers. Leden van de Eerste Kamer zouden worden benoemd door de koning. Leden van de Tweede Kamer zouden worden gekozen door de Provinciale Staten.

Instelling van de Staten-Generaal door koning Willem I te Brussel op 21 september 1815, mogelijk vervaardigd door Johann Nepomuk Gibèle, naar Denis-Sebastien Leroy (1825-1826). © Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1890-A-16184, http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.554521

De totstandkoming van de nieuwe Grondwet verliep niet zonder slag of stoot. Met name het Zuidelijke commissielid Théodore Dotrenge, uitgesproken voorstander van het modern eigendomsconcept, uitte veel kritiek. Dotrenge was een jurist die zich vooral in de beginjaren van het VKN oppositioneel opstelde. In reactie op de grondwetsartikelen over heerlijke rechten nam hij de vermenging van publieke macht en privaat bezit op de korrel. Het uitoefenen van publieke macht op basis van particulier bezit, dat nota bene van hand tot hand kon gaan zonder enige vorm van controle over de kwaliteiten van de bezitter om die macht uit te oefenen, was volgens Dotrenge ‘une conception essentiellement vicieuse par elle-même’.38 Hij merkte op dat de heerlijkheid als juridisch concept al decennia was afgeschaft. De term heerlijkheid zou alleen maar gevaarlijke en onwelkome herinneringen oproepen bij de meerderheid van de bevolking.39 Dotrenge ging ook specifiek in op het mogelijke herstel van allerlei rechten die aan de heerlijkheid waren verbonden, waaronder het jachtrecht. Heerlijke jachtrechten, zo stelde Dotrenge, waren niet zo onschuldig als ze werden gepresenteerd. Het waren niet meer dan beweerde rechten uit vervlogen tijden, die botsten met reële (bezits)rechten van anderen.40

Dortrenges kritische kanttekeningen verhinderden niet dat de Grondwetcommissie met een ontwerp kwam dat in grote lijnen was gebaseerd op de Grondwet van 1814. Op initiatief van Van Hogendorp, die opnieuw als voorzitter fungeerde, werd het ontwerp voorgelegd aan ruim 1500 notabelen uit het Zuiden. Het merendeel van hen stemde echter tegen het ontwerp. Door de tegenstemmen op basis van religieuze redenen niet ontvankelijk te verklaren en de thuisblijvers tot voorstanders te rekenen – een werkwijze die spottend ‘arithmétique hollandaise’ werd genoemd – werd de nieuwe Grondwet toch als aangenomen door het Zuiden beschouwd.41

Ondanks de nieuwe Grondwet was het VKNop vele vlakken diepgaand verdeeld. Dit gold bij uitstek ook op bestuurlijk vlak (zie kaart). De jacht werd in het Noorden gereguleerd door de jachtwet uit 1814 en het herstel van heerlijke rechten, wat tot onvrede leidde in de provincies waar grondbezit tijdens de achttiende eeuw het belangrijkste criterium geworden was bij het toekennen van jachtrechten. In het Zuiden bleef echter de Franse revolutionaire jachtwetgeving van kracht, ondanks de pogingen van conservatieve elites om de heerlijke jachtrechten te herstellen. De Landen van Overmaas behoorden weliswaar tot het Zuiden, maar hier gold tot 1822 nog de overgangsregeling van Sack die op kritiek kon rekenen bij zowel de verdedigers van het oude als het nieuwe eigendomsregime.

Aanduiding van de drie zuidelijke Maasprovincies. In het gebied gelegen op de Rechtermaasoever binnen de latere provincies Namen, Luik en Limburg hield de regeling-Sack kracht van wet. Met dank aan Hans Blomme, cartograaf UGent (Vakgroep Geschiedenis).

Het herstel van heerlijke rechten in Noordelijke Nederlanden zette in het Zuiden voormalige bezitters van heerlijke rechten aan tot actie. In 1816 eisten een twintigtal edellieden uit het Naamse de restauratie van heerlijkheden en enkele heerlijke rechten. Tot die heerlijke rechten rekenden zij expliciet het recht om te jagen. De rekwestranten, aanhangers van het prerevolutionaire eigendomsconcept, benadrukten dat het eerder om eervolle dan winstgevende prerogatieven ging.42 Toen minister van Binnenlandse Zaken Willem Frederik Röell bij Jean B.J. d’Omalius d’Halloy, gouverneur van Namen, navroeg wat de leden van de Naamse Ridderschap met de eis wilden bereiken, benadrukte d’Omalius dat de groep edelen al lange tijd onrust stookte met hun eis aangaande het herstel van heerlijke rechten. De gouverneur wilde absoluut vermijden dat het onderwerp opnieuw besproken zou worden binnen de Bestendige Deputatie, omdat dit het functioneren van de Provinciale Staten onmogelijk zou maken en het debat zich algauw zou verplaatsen naar de publieke ruimte. De edelen zouden niet inzien, zo betoogde d’Omalius, dat een persoon er politieke principes op na kon houden die strijdig waren met diens eigen belangen, verwijzend naar de vier heerlijkheden waarover de gouverneur zelf zou kunnen beschikken bij een herstel.43

In hetzelfde jaar richtten de broers Henri en Charles Poswick, eigenaren van Kasteel Baelen, een petitie aan de Tweede Kamer waarin ze eveneens het herstel van het heerlijke jachtrecht bepleitten. Henri was oudgediende bij de keizerlijke gardes nobles tijdens de Oostenrijkse periode. Tijdens de Franse periode had hij zich afzijdig gehouden van het Franse bestuur. Onder Willem I werd hij samen met zijn broer Charles lid van de Provinciale Staten van Luik.44 Hun eigendom lag in het voormalig hertogdom Limburg maar was tijdens de revolutietijd met de provincie Luik (Ourthe-departement) verenigd, waardoor de Franse wetgeving van kracht was. Die wetgeving ontnam hen het recht van uitsluitende jacht in de voormalige heerlijkheid Baelen-Ruyf. De gebroeders Poswick pleitten daarom voor een nieuwe wet naar Noordelijk voorbeeld, waarbij ze opnieuw exclusieve jachtrechten zouden krijgen.45 De commissie van verzoekschriften liet het aan de Tweede Kamer over om wetgevend initiatief te nemen. De Tweede Kamer nam evenwel geen stappen in die richting, ‘alhoewel het verzoek der requestranten in overeenstemming is met den algemeenen wensch, om de banden, die de Zuidelijke met de Noordelijke Provincien vereenigen, naauwer aan te halen, door de eene en andere dezelfde regten te doen genieten’.46

De pleidooien en verzoekschriften voor het herstel van heerlijke rechten werden kritisch gevolgd door de Zuidelijke pers. Een krant uit het Doornikse hield een pleidooi voor het moderne eigendomsconcept door te stellen dat de uitsluitende jacht op de grond van een eigenaar zonder diens toestemming onverenigbaar was met ‘les droits sacrés du propriétaire’.47L’Observateur kwalificeerde het streven naar herstelde heerlijke rechten als feodale pretenties die reeds jaren door de tijdgeest vernietigd waren.48 De stellingname van de redactie werd ondersteund door boze lezersbrieven. Opnieuw trad Dotrenge op de voorgrond als een criticaster van het heerlijk jachtrecht. In 1817 liet hij zijn bedenkingen over het gebruik van de term ‘heerlijkheid’ en zijn exposé over het heerlijke jachtrecht publiceren.49 Hierop volgde een scherpe reactie van de oerconservatieve Vlaamse politicus Jean-Joseph Raepsaet. Raepsaet betichtte Dotrenge, met wie hij het al vaker aan de stok had gehad, van stemmingmakerij. Het herstel van de heerlijke jachtrechten zou geen enkele schending van de eigendommen van de boeren inhouden omdat de jachtwetgeving in het voormalig graafschap Vlaanderen de jachtpraktijk heel doelmatig reguleerde.50

Ook in het Noorden was er verzet tegen de heerlijke jachtrechten. Begin 1818 ontving de Tweede Kamer bijvoorbeeld een petitie van A. ten Brinck, een Gelderse grondeigenaar uit de gemeente Terborg. De rekwestrant beklaagde zich over de belemmeringen in het uitoefenen van de jacht op zijn eigen gronden door de heer van de heerlijkheid Wisch. Laatstgenoemde eigende zich het recht toe om op Ten Brincks grond te jagen door een beroep te doen op het herstel van heerlijke jachtrechten.51 Ten Brinck beriep zich op een voorstel dat het Zuid-Nederlandse Tweede Kamerlid Reyphins eind 1817 tevergeefs aan de Kamer had voorgelegd over de afschaffing van wetten en bepalingen die strijdig waren met de Grondwet.52

Het wetsvoorstel van Willem I (1818)

Willem I vond de ambivalente jachtwetgeving in zijn Koninkrijk verre van wenselijk. In 1818 rondde hij een ontwerp af voor een algemene jachtwet. Hij schreef het ontwerp samen met zijn opperjagermeesters Lodewijk van Heeckeren tot de Cloese en Charles G.M. de Marnix. In grote lijnen kwam het ontwerp overeen met de Noordelijke jachtwet van 1814. Dat wil zeggen dat natuurgebieden die de koning niet voor zichzelf opeiste en grondeigendom dat niet als privaat jachtterrein was gereserveerd door de eigenaren, tezamen de publieke jachtgronden vormden. Grondeigenaren mochten hun land niet afpalen als privaat jachtterrein indien derden ‘uit hoofde van koop of anderen onereusen titel’ – een duidelijke verwijzing naar heerlijke jachtrechten – het recht hadden om hier te jagen.53 Van groot belang is echter dat de jacht werd gepresenteerd als een recht dat verbonden is aan de soevereiniteit. Het jachtrecht kreeg daardoor min of meer de status van een regaal.54

Het ontging de oppositie niet dat het wetsontwerp van Willem I wel erg veel leek op de Noordelijke jachtwet. Jan B.J.G. Plasschaert, die grondwetsnotabele voor het arrondissement Leuven was geweest en nu in de race was om zelf Tweede Kamerlid te worden, stuurde samen met enkele andere Brabantse grote grondeigenaren een petitie naar de Tweede Kamer. De rekwestranten zagen het ontwerp als een poging om de Noordelijke jachtwet uit te breiden naar het Zuiden en daarmee als een onwelkome stap terug in de tijd.55

Op 3 maart vergaderde de Tweede Kamer over het wetsontwerp. De koningsgezinde Gelderse jonkheer Jan E.N. van Lynden van Hoevelaken opende de discussie met een verdediging van het voorstel en van het recht op het jagen als een regaal recht. Van Lynden van Hoevelaken meende dat het wild deze zaken betrof die aan niemand toebehoren. Om die reden gaf hij de koning, en bij uitbreiding de regering, gelijk dat ze het recht om te jagen als een regaal recht beschouwden. Hij werd hierin gesteund door de conservatieve minister van Justitie Cornelis Felix van Maanen.56

Portret van Lodewijk Antoon Reyphins, 1828, door P. Gillo, naar De Langhe, 1828-1830. In zijn postuum uitgegeven memories klaagde dit Zuidelijke Tweede Kamerlid dat de liefhebbers van de jacht niet in staat waren ‘de parler de leur idole sans passion’. © Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-40.104, http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.116933.

De Zuid-Nederlandse, gematigd-oppositionele Tweede Kamerleden Jean-Baptiste Serruys, Jean-François Gendebien en de eerder genoemde Dotrenge uitten echter forse kritiek. Zij volgden de redenering dat het jachtrecht geen regaal recht kon zijn omdat het niet in de Grondwet van 1815 werd vermeld. Bovendien zou het recht om te jagen op andermans grond in strijd zijn met artikel 164 van de Grondwet, dat ‘het vreedzaam bezit en genot’ van eigendommen beschermde.57 In de discussie over het wetsontwerp van Willem I kwam het monarchale constitutionalisme dus lijnrecht tegenover het parlementaire constitutionalisme te staan. De verdedigers van het parlementair constitutionalisme schaarden zich resoluut achter het moderne eigendomsconcept, terwijl de koningsgezinden vanuit hun monarchaal constitutionalisme de verstrengeling tussen publieke macht en privaat eigendom in stand hielden door elementen van het prerevolutionaire eigendomsconcept te integreren in hun wetsvoorstel. Het debat eindigde in een eclatante nederlaag van het koningsgezinde kamp. Het voorstel werd verworpen met 25 stemmen voor en 50 tegen. De oppositie behaalde zijn eerste succes, maar de patstelling bleef bestaan. In het Noorden heerste sterke onenigheid, terwijl het Zuiden bijna unaniem tegen het ontwerp van de koning stemde.

De koningsgezinden gaven zich echter niet gewonnen. Bij Koninklijk Besluit van 8 augustus 1818 werd de overgangsregeling van gouverneur-generaal Sack in stand gehouden op de Rechtermaasoever. De drieledige structuur van het jachtrecht in het VKN werd bestendigd. De regering beschouwde het terugvallen op de Frans-revolutionaire wetgeving na het aflopen van de overgangsregeling in september 1817 immers als een uiterst onwenselijke terreinwinst voor de Frans-revolutionaire erfenis. Willem I maakte zijn reputatie van besluitenkoning waar. Precies in 1818 werd die reputatie nog versterkt door de invoering van de zogeheten ‘Blanketwet’ die de koning in staat stelde veel zaken bij algemene maatregel van bestuur, dus zonder inmenging van het parlement, te regelen.58 Deze ontwikkeling, net op een moment dat de oppositie in de Tweede Kamer aan kracht won, zorgde ervoor dat de discussie over de jachtwetgeving steeds grotere proporties aannam.

Het is geen toeval dat de discussie in 1818 uitgroeide tot een politieke kwestie van formaat. In het voorafgaande jaar werd immers een derde van de in 1815 door de koning benoemde Kamerleden opnieuw gekozen, wat het percentage van koningsgezinden enigszins naar beneden bracht. Van de 55 in 1815 benoemde Zuidelijke leden zetelden er in 1819 nog slechts vijftien, terwijl dat er voor het Noorden nog 39 waren.59 Vooral in het Zuiden zou de greep van de koning op de periodieke verkiezingen door de Provinciale Staten minder sterk worden, terwijl de Eerste Kamer haar profiel als ménagerie du roi nog sterker waarmaakte. Die ontwikkeling versterkte de tegenstellingen tussen de Eerste en Tweede Kamer, zowel in Noord als Zuid. Terwijl de adel en plattelandselite de Eerste Kamer domineerden, werd de Tweede Kamer vooral een vertegenwoordiging van burgers en steden.60 Dit zorgde ervoor dat een meerderheid in de Tweede Kamer de moderne invulling van (grond)eigendom omarmde, terwijl de Eerste Kamer die resoluut afwees.

Portret van Johan Melchior Kemper (1776-1824), rechtsgeleerde en staatsman, door David Pièrre Giottino Humbert de Superville, 1815. Tweede Kamerlid Kemper ontpopte zich tijdens de hier bestudeerde debatten tot een van de voornaamste Noordelijke verdedigers van het modern eigendomsconcept. © Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-656, http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.6975.

Het wetsvoorstel van Kemper (1819)

Een van de meest prominente Noordelijke critici van het wetsontwerp van Willem I was de Leidse rechtsgeleerde Joan Melchior Kemper. Hoewel Willem I hem in de adelstand had verheven en tot Tweede Kamerlid had benoemd, stelde Kemper zich opvallend onafhankelijk op. Na de verwerping van het jachtwetsontwerp nam hij de taak op zich om zelf een voorstel uit te werken. Ook Kemper stelde zich als doel de verschillende wetgevingen te vervangen door een jachtwet die in het hele Koninkrijk van kracht zou zijn. De door Kemper geformuleerde fundamenten van het jachtrecht stonden echter haaks op het wetsontwerp van Willem I. Kempers wetsvoorstel leek eerder gebaseerd op de Franse jachtwet, die nog altijd van kracht was in het Zuiden. Het jachtrecht werd beschouwd als een gevolg van grondeigendom. Grondeigenaren zou het voortaan vrij moeten staan om op hun eigen grond te jagen. Alle vroegere wetten, bepalingen en besluiten werden ingetrokken. Jagen op andermans grond was uitsluitend toegestaan met schriftelijke toestemming van de eigenaar of op grond van gereserveerd eigendom of schriftelijke titel. Die laatste toevoeging zette de deur op een kier voor bezitters van heerlijkheden om alsnog hun heerlijke jachtrechten uit te oefenen.61

Op 26 februari 1819 werd Kempers voorstel besproken in de Tweede Kamer. Niet minder dan twintig kamerleden kwamen aan het woord.62 Kemper kreeg opvallend veel steun van Zuidelijke kamerleden. Uiteraard sprak Dotrenge zich uit voor het voorstel. Daarnaast steunden andere oppositionele Zuiderlingen het initiatief, zoals Leonard Pycke, burgemeester van Kortrijk, de Henegouwse jurist Pierre Joseph Trentesaux en de Luikse officier en grondeigenaar Louis Ph.M.J. de Goër de Herve. Het voorstel kreeg echter ook bijval uit onverwachte hoek. François M.Gh. della Faille d’Huysse, lid van de Ridderschap van Oost-Vlaanderen en kamerheer van Willem I in Brussel, stond te boek als een onafhankelijk politicus en stemde eveneens voor het voorstel. Zelfs volgzame, koningsgezinde kamerleden als de Antwerpse procureur des Konings Antoon Ph.J. de Moor, de Doornikse grondeigenaar François Joseph Du Bus en Joseph Jan van Crombrugghe (later burgemeester en boegbeeld van de Orangistische beweging in Gent) steunden Kempers voorstel.

Vanuit het Noorden werd Kempers wetsvoorstel gesteund door oppositionele kamerleden als de Amsterdamse financieel politicus Elias Canneman en Daniel François van Alphen, een voormalige ambtenaar uit Nederlands-Indië. Van Alphen prees het werk van Kemper omdat zijn voorstel goed verwoordde wat het werkelijke probleem was. De jacht, zo stelde hij, ‘n’est pas une affaire de parti, de passion qui nous occupe, c’est une affaire de propriété et de ses droits; il faut une investigation mûre de l’objet, une délibération calme, impartiale’,63 waaruit opnieuw blijkt hoezeer het jachtdebat was verbonden met het omstreden moderne eigendomsconcept.

Jan van Lynden van Hoevelaken, die een jaar eerder het ontwerp van de koning verdedigde, zette de toon voor de tegenstanders uit het Noorden. Hij beargumenteerde dat het jachtrecht ouder was dan het eigendomsrecht en daarom minstens even sterk beschermd diende te worden door de Grondwet. Daarenboven verzette hij zich tegen het uitgangspunt dat (grond)eigendom het beginsel voor het jachtrecht zou moeten zijn. Volgens Van Lynden van Hoevelaken kwam dit uitgangspunt te sterk tegemoet aan de verzuchtingen van de grondeigenaren, die hij als uiterst partijdig beschouwde, en stemde het niet overeen met de wil van de bevolking, ‘ook van die talrijke leden der maatschappij, welke, hoe zeer geen duim grond bezittende, toch nimmer afstand gedaan hebben van hun regt van te jagen’.64 Hij kreeg bijval van tal van koningsgezinde, Noordelijke parlementariërs, onder wie de Friese ultraconservatieve advocaat Gijsbert Fontein Verschuir, de Utrechtse wiskundige Jacobus M.K. van Utenhove van Heemstede en de burgemeesters Arnould J.B. van Suchtelen van de Haere (Deventer) en Cornelis Gerrit Bijleveld (Middelburg). Opvallend genoeg stond ook het gematigd oppositionele Zuidelijke kamerlid Jean François Gendebien kritisch tegenover het voorstel van Kemper. Volgens Gendebien was het voorstel te complex, terwijl het eigendomsrecht als uitgangspunt een aanvullende jachtwetgeving in principe onnodig maakte – een argumentatie die tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw meermaals zou terugkeren.65

Al met al kreeg Kempers voorstel bij de stemming beduidend meer bijval van de aanwezige Zuidelijke dan van de Noordelijke Tweede Kamerleden. Historicus Paul Janssens greep deze stemming aan om te beargumenteren dat er sprake was van een tegenstelling tussen Noord en Zuid.66 Die stelling vinden wij wat voorbarig. De jachtwet die Kemper voor ogen had zou een einde maken aan de bevoorrechte positie van edelen en bezitters van heerlijke rechten in het Noorden. Deze groepen, die sterk vertegenwoordigd waren in het parlement, trokken en masse naar Brussel (waar de Tweede Kamer in 1819 samenkwam) om tegen het voorstel te stemmen.67 Opvallend is echter het grote aantal afwezige niet-adellijke Tweede Kamerleden uit het Noorden.68 Het lijkt waarschijnlijk dat veel Noordelijke aanhangers van het moderne eigendomsconcept zich verzekerd voelden dat het voorstel ook zonder hun steun zou worden aangenomen en om die reden thuisbleven.

Kemper zelf benadrukte dat het ‘onnauwkeurig en verkeerd’ zou zijn als de verdeeldheid over zijn voorstel zou worden voorgesteld als ‘alleen tusschen het Noorden en het Zuiden bestaande’. Hij ergerde zich aan de houding van de koningsgezinde critici. Zij zouden de tijd terug willen draaien naar 1795. ‘[D]e eenige vraag’, zo stelde Kemper, ‘komt ten laatste alleen hierop neer: of gij op de belangen en wenschen van duizende landbewoners meer dan op de belangen en wenschen van een honderdtal bezitters van heerlijke regten hechten wilt?’69 Kempers voorstel werd aangenomen in de Tweede Kamer met 52 stemmen voor en 38 stemmen tegen. De Eerste Kamer moest zich echter nog uitspreken.

In de weken die volgden ontving de Eerste Kamer een reeks reacties tegen het voorstel van Kemper.70 Het hevigst was de memorie opgesteld door de Utrechtse juristen Daniel Gerard van der Brugh en Evert Rein van Nes. Zij riepen de Eerste Kamerleden op om ‘nooit hunne goedkeuring [te] verlenen tot zulk eene verkrachtig der Grondwet’. Zij beschouwden hun jachtrechten als bijzondere eigendommen, die net als grondeigendommen beschermd dienden te worden door de Grondwet. Daarnaast merkten ze op dat indien de wetgever wettig verkregen eigendommen zou vernietigen om de oogsten beter te beschermen tegen wildschade, ook het tiendrecht vanuit diezelfde redenering zou kunnen worden afgeschaft.71 Met dit schrikbeeld wilden ze duidelijk de Noordelijke tiendeigenaren in de Eerste Kamer overtuigen om niet in te stemmen met het voorstel.

Bij missive liet de Eerste Kamer weten zich niet te verenigen met het voorstel voor een nieuwe jachtwet. Kemper reageerde in een zitting van de Tweede Kamer. Hij was ervan overtuigd dat de memorie van Van der Brugh en Van Nes de reden was waarom de Eerste Kamer zijn voorstel had verworpen.72 Kempers eerdere aanvaring met een aantal Utrechtse notabelen kan hierbij een rol hebben gespeeld.73 Na enige twijfel besloot hij geen nieuw voorstel uit te werken om verdergaande wederzijdse verbittering te voorkomen. Ondertussen schaarde de publieke opinie zich meer en meer achter Kemper. De Amsterdamse hoogleraar Hendrik Constantijn Cras schreef anoniem een vurig pleidooi voor Kempers voorstel in het liberale tijdschrift De Weegschaal. Hij veroordeelde de verwerping door de Eerste Kamer, die volgens hem in strijd was met de redelijkheid. Zijn voornaamste argument was dat jachtpartijen de veldoogsten zouden doen mislukken. De gedupeerde boeren zouden zich echter niet durven verzetten vanwege ‘eene overgeërfde slaafsche onderwerping van vroegere tijden’. Iedere grondeigenaar had volgens Cras het recht om van zijn grond te weren wat hinderlijk was, ‘zoo wel ratten en muizen als adellijke Heeren’.74

In april en mei 1819 kwam een indrukwekkende petitiebeweging op gang in het Noorden. De Tweede Kamer ontving verzoekschriften uit Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant over het jachtrecht. Uit de Ommelanden kwamen maar liefst 29 verzoekschriften ondertekend door meer dan duizend personen. Het Zuidelijke kamerlid en voorzitter van de verzoekschriftencommissie Reyphins vatte ze in een rapport samen als een pleidooi voor het recht om te jagen op eigen grond.75 Ook buiten het parlement werd er dus gediscussieerd over de jacht en het moderne eigendomsconcept. Het Zuidelijke oppositionele kamerlid Plasschaert drong erop aan dat het rapport gepubliceerd en rondgestuurd zou worden aan alle leden van de Staten-Generaal, en vond daarmee algemene bijval in de Tweede Kamer. Enkel Van Lynden van Hoevelaken sputterde tegen en meende dat de beweringen in de verzoekschriften ‘geheel bezijden de waarheid’ waren.76

Het mocht niet baten. Een algemene jachtwet zou er nimmer komen in het VKN. Zowel het koningsgezinde als het oppositionele kamp konden geen meerderheid bijeen krijgen om een algemene jachtwet uit te vaardigen. In 1830 viel het VKNuiteen, maar dit betekende geenszins het einde voor het debat over jacht en eigendom. De Nederlandse liberale staatsman Johan Rudolph Thorbecke wilde de scheiding tussen publieke macht en privaat eigendom definitief ingang laten vinden.77 In 1852 maakte hij heerlijke jachtrechten afkoopbaar in Nederland.78 In België nam het artistocratische gehalte van de jacht juist toe, nadat een gewijzigde jachtwet in 1846 de toegang van kleine grondeigenaren tot de jacht beperkte.79

Conclusie: een (on)verenigd Koninkrijk?

De Franse Revolutie en de jaren die daarop volgden werden gekenmerkt door grote politieke verdeeldheid. Na de val van Napoleon probeerden Europese machtshebbers die verdeeldheid te bestrijden met de oprichting van constitutionele monarchieën. Maar in het VKNleidde de vestiging van een constitutionele monarchie, in tegenstelling tot wat de historici Van Sas en Van Zanten stellen én ook de overwinnaars op Napoleon hoopten, juist tot politisering.80 Het grote belang dat aan de Grondwet werd gehecht maakte het vastleggen van de constitutionele beginselen van het VKNtot een uiterst moeizame discussie.81 Aan de hand van een analyse van het politiek-maatschappelijke debat over het jachtrecht hebben wij willen aantonen dat de relatie tussen publieke macht en privaat eigendom een belangrijk twistpunt was in de beginjaren van het VKN.

Portret van Hendrik Constantijn Cras, prent vervaardigd door Jacob Ernst Marcus, naar Charles Howard Hodges (1784-1826). De Amsterdamse hoogleraar publiceerde in De Weegschaal een vurig pleidooi ter verdediging van Kempers voorstel voor een nieuwe jacht. © Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1905-1643, http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.149110.

Tijdens het ancien régime was de jacht een privilege van de elite. Het recht om te jagen was voorbehouden aan een klein aantal mensen op basis van ambt, afkomst of status. Deze geprivilegieerden mochten tijdens de jacht ook grond betreden die niet van hen was. In de Revolutietijd werd het recht om te jagen geherdefinieerd tot een afgeleide van grondeigendom. Deze ontwikkeling, die aansluit bij Blaufarbs these over het ontstaan van een nieuw eigendomsconcept ten tijde van de Franse Revolutie, leidde in het VKN tot een patstelling toen Willem I de premoderne jachtrechten ten dele herstelde in het Noorden. Hierdoor kende het VKNin het Noorden een gematigd-conservatieve jachtwet, terwijl in het Zuiden de revolutionaire jachtwetgeving nog altijd van kracht was. In de Landen van Overmaas gold nog tot 1822 de overgangsregeling van gouverneur-generaal Sack.

Zowel op nationaal als op lokaal niveau leidde deze situatie tot hevige discussies. Daarbij werden grote woorden niet geschuwd. Terugblikkend op zijn parlementaire loopbaan, klaagde het Zuidelijke Tweede Kamerlid Reyphins dat liefhebbers van de jacht niet in staat waren ‘de parler de leur idole sans passion’.82 Jachtdebatten groeiden uit tot een krachtmeting tussen het monarchaal en parlementair constitutionalisme. De koningsgezinde factie, waartoe Van Lynden van Hoevelaken en Van Maanen behoorden, wilde het prerevolutionaire eigendomssysteem gedeeltelijk herstellen. In 1818 diende Willem I een wetsvoorstel in dat grotendeels was gebaseerd op de Noordelijke jachtwet. Het voorstel werd door een ruime meerderheid verworpen in de Tweede Kamer. De oppositie, aangevoerd door Dotrenge, zette de koningsgezinde initiatieven weg als een terugkeer naar het ancien régime. In reactie presenteerde het Noordelijke Tweede Kamerlid Kemper in 1819 zijn eigen wetsvoorstel, waarin hij pleitte voor een jachtrecht op basis van een modern eigendomsconcept. Dit voorstel werd verworpen door de Eerste Kamer. De koningsgezinden vonden het primaat van het grondeigendom een vorm van radicale nieuwlichterij. Dit toont opnieuw aan dat de scheiding tussen publieke macht en privaat eigendom niet zo zuiver verliep als Blaufarb doet voorkomen, en allerminst voltooid was aan het begin van de negentiende eeuw.

Anders dan wat Remieg Aerts betoogt, toont dit artikel aan dat er wel degelijk sprake was van een constitutioneel bewustzijn in de prille jaren van het VKN.83 De debatten over het jachtrecht laten zien dat parlementariërs van alle kanten van het politieke spectrum verwezen naar de Grondwet om hun argumenten kracht bij te zetten. Vanuit het monarchale beginsel kon het jachtrecht niets anders zijn dan een regaal van de koning. Een meerderheid in de Tweede Kamer verdedigde daarentegen het door de Grondwet beschermde eigendomsrecht als beginsel van het jachtrecht. Het jachtdebat laat eveneens zien dat deze verschillende opvattingen niet louter zijn terug te voeren tot tegenstellingen tussen Noord en Zuid. Het monarchaal-constitutionele standpunt kreeg niet alleen bijstand uit het Noorden. Willem I ontving verschillende verzoekschriften uit het Zuiden waarin werd gepleit voor het herstel van heerlijke jachtrechten in heel het Koninkrijk. Evenmin kreeg het parlementair-constitutionele standpunt alleen steun uit het Zuiden, hetgeen blijkt uit vele Noordelijke petities waarin het wetsvoorstel van Kemper werd onderschreven. De jachtdebatten in de vroege jaren van het VKNraakten de kern van de constitutionele monarchie, namelijk de verhouding tussen prerevolutionaire standsprivileges en moderne eigendomsrechten, tussen koning en grondwet, en tussen privaat eigendom en publieke macht.