In 1861 deed de liberale theoloog Cornelis Tiele in het populaire liberale blad De Nederlandsche Spectator een poging de welsprekendheid van Johannes Henricus van der Palm (1763-1840) te herwaarderen. Het was slechts twintig jaar nadat Nederlands ‘meest gevierde redenaar’ was overleden, maar het was toen al onbegonnen werk. Tiele had ‘den beroemdsten man van Nederland’ van jongs af aan gekend. Hij vond hem geen geweldig theoloog, maar verzette zich tegen de liberale en wetenschappelijke debunking die was gevolgd op de lange tijd van verheerlijking door Van der Palms tijdgenoten. Hoezeer hij ook betoogde dat Van der Palm de eerste was ‘die in ons vaderland een redenaar verdiende te heeten, den schepper van de Nederlandsche welsprekendheid’, het was vergeefse moeite. Tieles uitvoerige artikel was lang niet slecht, maar het mocht niet baten.2 Terwijl er toen nog behoorlijk wat liefhebbers van zijn werk waren en zijn naam als prediker nog overeind stond, zakte Van der Palms reputatie bij vooral het liberale politieke en wetenschappelijke establishment steeds verder weg.3

Historici schrijven tegenwoordig met ironie of afstand over Van der Palms ‘ronkende welsprekendheid’ die zo populair was tijdens de Restauratie en die hij ‘zo wendbaar [wist] te benutten dat hij alle regimewisselingen sinds de Bataafse tijd als nationaal feestredenaar had mogen opluisteren’.4 Wat bewees het dat Van der Palm al in 1816 de ‘coryphaeus’ van de Nederlandse welsprekendheid genoemd werd en dat zijn collega Matthijs Siegenbeek zei dat hij ‘door ons allen als de eerste der Vaderlandsche Redenaren vereerd’ werd? Of dat hij volgens de commissie die hem in 1823 uitnodigde voor de prestigieuze lezing bij de Haarlemse herdenking van de uitvinding van de boekdrukkunst ‘de grootste redenaren der oudheid op zijde streeft’ en dat ‘misschien geen der tegenwoordige volken’ iemand bezat als hij?5 Hij gold in zijn tijd als de beste redenaar en als een spraakmakende publieke intellectueel, maar dat hielp niets, integendeel. ‘Van der Palm’ werd een ander woord voor de suffe en zelfgenoegzame Restauratie die middelmaat vereerde en juist daarom ‘de eeuw van Van der Palm’ mocht heten.6

Het verbaast dan niet dat het historici moeite kost in het ‘orakel van de vroege negentiende eeuw’7 een belangwekkend studieobject te zien. Van der Palm wordt pas interessant in samenhang met een heroverweging van de politieke cultuur van de Restauratie. Een analyse van de welsprekendheid en van het toenmalige belang ervan in het openbare leven, kan het imago van zelfgenoegzaamheid van de Restauratie relativeren, spanningen en ambities in deze periode tonen en zo beter de dynamiek en de latere doorwerking van die tijd laten zien. Het gaat hier dus niet zozeer om een inhoudelijk andere typering van de Restauratie, maar om bestrijding van het beeld dat die slechts passief, bekrompen en niet origineel was. Als uitgangspunt daarvoor dienen hier Van der Palms verzamelde gelegenheidsredevoeringen8 en vooral de toenmalige receptie daarvan. Persoon en periode vallen natuurlijk niet samen, dit is een voorstel om te bekijken wat er zichtbaar wordt als je vanuit de welsprekendheid van Van der Palm opnieuw naar de Restauratie vanaf 1813 kijkt die ik hier laat eindigen met zijn dood in 1840.9 De politieke cultuur van die tijd komt dus indirect en via Van der Palm in beeld: ten eerste is de stelling dat de welsprekendheid meer aandacht verdient als centraal onderdeel ervan en, ten tweede, dat nadere bestudering van de welsprekendheid van de beste spreker en de receptie daarvan duidelijk kan maken dat Huizinga’s beroemde beeld van de Restauratie, namelijk een onder de Oranjeboom slapende, inactieve natie, aan verdere herziening toe is.10

Op ‘Monument voor Johannes Henricus van der Palm’, een prent van Jan Baptist Tetar van Elven, kijken een man en een jongen naar het borstbeeld van Johannes van der Palm in de Leidse Pieterskerk. © Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-50.237, http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.185236.

De afgelopen decennia hebben historici de patriotse revolutie in de Republiek van de jaren 1780 opnieuw bestudeerd en de Bataafse Republiek vanaf 1795 geherwaardeerd als de basis van de moderne Nederlandse eenheidsstaat met zijn parlement en grondwet.11 Ze hebben echter weinig aandacht voor het vroege koninkrijk van de jaren na 1813. Toch is deze periode van veel belang, alleen al doordat de kritiek uit die tijd op de Nationale Vergadering en de Bataafse Republiek als geheel hun reputatie tot ver in de twintigste eeuw heeft medebepaald. In de Restauratie ontwikkelde zich een ingetogen, weinig polemische en bestuurlijke vorm van politiek, toen de deftige burgerij smachtte naar rust na de lange politieke onrust vanaf de Patriottentijd in de jaren 1780 tot de val van Napoleon en de vestiging van het Koninkrijk in 1813-1815. Pas na 1848 en eigenlijk pas goed aan het einde van de negentiende eeuw, kwam een nieuwe verbinding tot stand tussen de nationale politiek en brede lagen van de bevolking. De totstandkoming hiervan was mogelijk, vanwege de continuïteit van allerlei vormen van burgerschap op lokaal, regionaal en particulier niveau.12 Tegelijkertijd gaven cultuurdragers in de Restauratie opvattingen van gemeenschap en politiek door die voortbouwden op ideeën en praktijken uit de vroegmoderne wereld. In zijn bijdrage aan de verankering van deze deels oudere opvattingen ligt de betekenis van Van der Palm in het kader van zijn tijd.

Of Van der Palm nu sprak bij een herdenking van de Leidse Universiteit of bij het overlijden van een collega, over het gezond verstand of over het vaderland, altijd zei hij dat polarisatie en verdeeldheid (tussen de partijen in de Patriottentijd en de Bataafse Republiek) de val van het vaderland hadden bewerkstelligd en altijd zong hij de lof van eendracht en harmonie: ‘het is de vernietiging zelve der geschillen, het is de vereeniging der gevoelens, de broederlijke zamenstemming der harten, die de eenige waarborg en het onderpand is van ons herboren volksgeluk’. Er ‘brandt geen twistvuur meer’ omdat ‘onze partijschappen’ echt ‘eindelijk gedempt zijn’. Nu ‘de zucht tot orde herleefde’, kwamen, na ‘onrust en verwarring’, na ‘krijg en verwoesting’, weer ‘kalmte en orde’ en ‘vrede en menschen-heil!’13

Van der Palm zei dit voortdurend, herhaling was een krachtig middel om harmonie daadwerkelijk af te dwingen. Bovendien was hij zelf de belichaming van wat hij betoogde. Met zijn nadruk op verzoening legitimeerde hij ook zijn eigen positie: was hij niet als patriot, dus als scheurmaker begonnen, had hij niet zelf ooit meegedaan in de strijd tegen Oranje? Niet voor niets gold als zijn retorisch hoogtepunt het Geschied- en redekunstig gedenkschrift van Nederlands herstelling in den jare 1813 (1816), dat de Restauratie en de terugkomst van Oranje bejubelt en Van der Palms afscheid van zijn patriotse verleden onderstreept. Opgeleid als theoloog was hij piepjong predikant geworden te Maartensdijk (1785-1787). Zijn patriotse sympathieën deden hem in 1787 in eerste instantie vluchten, maar maakten hem in de Bataafse tijd meteen in 1796 hoogleraar oosterse talen en later ook gewijde welsprekendheid in Leiden. Kort daarna werd hij agent (of minister) van Nationale Opvoeding (1799-1805), en was hij betrokken bij de totstandkoming van de eerste nationale Schoolwet van 1806. Toch was hij als politicus geen echt doorslaand succes – waarschijnlijk was hij daarvoor toch te weinig een vechter. Van der Palm keerde terug naar zijn hoogleraarschap, toen hij als redenaar het toppunt van zijn roem bereikte.14

Opportunisme was hem niet vreemd, maar hij stapte ook telkens soepel naar nieuwe regimes over omdat streven naar publieke eendracht en verzoening zijn tweede natuur was. Dat deed hij al vanaf het moment dat hij patriot werd. Dat hij zich als oud-patriot en oud-minister uit de Bataafse Republiek in de geheel op verzoening gerichte cultuur van de Restauratie als een vis in het water voelde, had mede te maken met het intermezzo van het polariserende Napoleontische keizerrijk tussen 1810 en 1813. Toen ontdekte Van der Palm dat verzoening ditmaal niet van het bewind kon komen maar er alleen maar tegenover gestalte kon krijgen, in een overbrugging van de oude verschillen uit de Republiek. ‘[G]edaan en geleden ongelijk vergeten’, ‘de oude twist was uitgedelgd’15, zand erover, het kon niet duidelijker betoogd worden dan Van der Palm na 1813 deed. Later vielen in zijn niet al te diepgravende betogen clichétaal en bombastische herhaling op, maar welsprekendheid draait om effect, en effect had hij. Dat effect is pas goed te begrijpen tegen de achtergrond van (1) de toenmalige maatschappelijke rol van welsprekendheid, (2) Van der Palms imago van beschaafde vriendelijkheid, (3) zijn opvatting van welsprekendheid en zijn bijzondere stem en, ten slotte, (4) het einde van zijn reputatie.

De maatschappelijke rol van welsprekendheid

Vaak wordt aangenomen dat Nederland geen traditie van welsprekendheid kent. Inderdaad maakt welsprekendheid al lange tijd geen deel meer van het onderwijs uit, werd in het verleden grote spreekvaardigheid in parlement of bestuur zelfs verdacht gevonden, en meenden gezagsdragers vaak dat ze zichzelf moesten zijn als spreker, of in ieder geval niet overdreven moesten oefenen.16 De wel alom erkende traditie van predikantenwelsprekendheid leek iets van de kerk alleen. Het voorbeeld van Van der Palm die als predikant had leren spreken, kan duidelijk maken hoezeer die traditie van de (late) achttiende tot het midden van de negentiende eeuw de kern was van een veel bredere publieke welsprekendheid.17 Tot die tijd moest hermetische tekstuitleg van het predikanten-establishment vooral geleerdheid en gezag uitstralen en kon onbegrijpelijkheid soms het mysterie versterken. In de achttiende eeuw legde de mainstream van de gereformeerde kerk en andere protestantse denominaties met een nieuwe verlichte preekwijze de nadruk op de moraal voor de kerkganger. De tekst van de Bijbel was het uitgangspunt, maar de predikant moest zijn gemeente meenemen of zelfs meeslepen met zijn boodschap. Zo werd de preek expliciet een retorisch genre, gericht op communicatie en gedragsverandering. Bovendien was er vooral vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw meer aandacht voor de uiterlijke welsprekendheid: het optreden van de predikant moest zijn gehoor raken en liefst tot tranen bewegen.18

Spreekkanon Jacques Saurin van de Waalse kerk was een voorloper die rond 1700 de invloed onderging van de ‘Engelse preekmethode’ die bijna een eeuw eerder dan de Nederlandse al een communicative turn had meegemaakt. In de tweede helft van de achttiende eeuw prees hoogleraar theologie Ewald Hollebeek de Engelse preekmethode van onder anderen John Tillotson aan, die daarna snel aan terrein won. De preek werd gaandeweg de belangrijkste manier waarop de predikant contact had met zijn gemeente. Dat gold in ieder geval voor Van der Palm. Iedereen was het er wel over eens dat de pastorale kant van het predikantambt niet zijn fort was.19 Nog veel later mopperde een kerkganger dat Van der Palm als dominee ‘zich, alleen des Zondags op den preedikstoel, aan de Gemeente vertoonde’.20 Hij was echt predikant: hij préékte. Dat zou hij ook blijven doen nadat hij niet langer dominee was in een gemeente. Hij bleef voorgaan in kerkdiensten en was decennialang ‘academieprediker’ van de Leidse universiteit, zodat hij bij allerlei plechtige gelegenheden het woord voerde.

Als predikant die in de politiek en het openbare leven een andere roeping vond dan op de kansel alleen, was Van der Palm exponent van zijn tijd. De heersende kerk verloor in de Bataafse Tijd veel van de vroegere geprivilegieerde positie. Maar de predikanten van die kerk vonden wel ander emplooi. Een aantal vooraanstaande leden van de Nationale Vergadering was eerder predikant geweest. Hun overgang naar een politiek-maatschappelijke rol tekende zich vaak al af in de tijd dat ze nog op de kansel stonden. In de patriotse jaren 1780 politiseerden de preken. Zo riep de patriot en latere vooraanstaande Bataaf IJsbrand van Hamelsveld in 1785 op de preekstoel uit: ‘Te Wapen! Vliegt te Wapen! Nederlanders! Rust u toe, om Haardsteden en Altaaren te verdedigen!’21 De edities van verlichte politieke preken bereikten niet de oplages van de oudere klassieke preken, maar ze hadden wel invloed in het publieke debat. In het kader van deze bijdrage zijn ze vooral een extra teken van de verschuiving van preken en predikanten naar het politieke en maatschappelijke terrein. Het voor Nederland betrekkelijk nieuwe publieksgerichte preken verschafte de predikanten een goede uitgangspositie om mee te doen in het politieke en maatschappelijke verkeer, als activisten en opinieleiders, maar ook als connaisseurs die wisten hoe ze volgens de klassieke regels en aantrekkelijk moesten spreken. Theologen verwierven er een ongekend dominante positie mee in het publieke leven. In de negentiende eeuw zouden ze bijvoorbeeld de letterenfaculteiten domineren door veel hoogleraren te leveren voor vakken buiten de theologie.

Omstreeks 1770 was er in het buitenland weinig waardering voor de welsprekendheid in Nederland. ‘De Hollandsche redenaars zyn, tot nu toe, nog niet ver in de welspreekendheid gekomen’, merkte een Duitse auteur toen over de kanselwelsprekendheid op. In het algemeen, meenden ook Nederlanders, hadden ‘Nederlanders zich nooit veel op de Welsprekendheid toegelegd’, zodat weer een ander toen in de voorgaande twee eeuwen niets van betekenis wist te ontdekken. Zeker de eerste helft van de achttiende eeuw was, dacht men achteraf, een tijd waarin de welsprekendheid ‘gezonken lag in eenen diepen slaap’.22

Enkele decennia later zag het er geheel anders uit. De (verlichte) kanselwelsprekendheid, behoorde vanaf het einde van de achttiende eeuw snel tot de canon: in enkele decennia was er ‘bij veele predikanten, in den kanselstijl eene merkbaare verbetering gekomen’.23 De welsprekendheid had ook in het algemeen ‘grooten voortgang gemaakt’ en het aantal ‘openbare sprekers, wier voordragt zich door kieschheid, waardigheid en gepastheid aanbeveelt, waarlijk niet gering’ meer. ‘De Nederduitsche Welsprekendheid ging met reuzenschreden vooruit’.24 Ze had een niveau bereikt als nooit tevoren! Vanuit deze gedachte van de grote opgang is Tieles conclusie te begrijpen, namelijk dat Van der Palm een ‘schepper van de Nederlandsche welsprekendheid’ zonder ‘voorgangers’ was. Dat is overdreven, maar wijst op de waarde die men eind achttiende en begin negentiende eeuw hechtte aan mondelinge publieke communicatie. Daarom moest de preek – en wellicht ook de gerechtelijke pleitrede25 – niet een naar binnen gekeerd vertoon van geleerdheid, maar een publieksgerichte boodschap bevatten. De daardoor gestimuleerde publieke welsprekendheid is sindsdien in vergetelheid geraakt, omdat haar toenmalige specifieke maatschappelijke rol weer verdween. Ze werd achteraf een teken van oppervlakkigheid en zelfgenoegzaamheid, maar was de kern van een verlichte cultuur die kennis en waarden wilde uitdragen en populariseren. Belangrijk daarvoor is ook dat van de drie klassieke genres binnen de welsprekendheid – de politieke, de gerechtelijke en de gelegenheids- of lofrede – vooral de laatste grote opgang maakte.26 De vooruitgang in welsprekendheid zagen de commentatoren ook vooral daar.

De Pieterskerk te Leiden in de tijd dat Van der Palm er regelmatig optrad, hier ter gelegenheid van de uitreiking van gedenkpenningen aan vrijwillige strijders van de Leidse Universiteit tegen de Belgische opstand, 23 september 1831, Leendert Springer sr., 1831.© Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-88.464, http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.541646.

De eerste hoogleraren Nederlands gingen zich ook wetenschappelijk met de welsprekendheid bemoeien, vanaf de benoeming van de Doopsgezinde predikant Siegenbeek tot eerste hoogleraar in de ‘Nederduitsche welsprekendheid’ te Leiden (1797).27 Opvallend is in het algemeen hoeveel er in de laat achttiende en begin negentiende eeuw over welsprekendheid geschreven werd: al die commentaren maakten op zichzelf de opleving van de redenaarskunst al waar.28 Het succes van Van der Palm en andere redenaars was niet in de laatste plaats het succes van de receptie: hoe meer er over gepraat en geschreven werd, hoe succesvoller de redes waren. Achteraf bezien is dit echter ook de laatste periode geweest waarin de klassieke retorica werd onderwezen als leer voor het publieke leven. Het einde daarvan was zo definitief dat vanaf het midden van de negentiende eeuw een ‘verloren eeuw’ voor de retorica begon; de studie daarvan kwam pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in een andere vorm weer op.29

Van der Palm had zijn welsprekendheid als predikant ontwikkeld en rond 1800 als minister in een politieke context ingezet. Die welsprekendheid paste in een wereld van genootschappelijkheid en nam haar hoogste vlucht in gelegenheidsredes, vaak in een wetenschappelijk genootschap en vaak vanaf de kansel – kerken waren nu eenmaal geschikte gehoorzalen. Het genootschapswezen is de afgelopen decennia onderzocht als plek van ‘sociabiliteit’, met als belangrijk kenmerk het rechtstreekse orale contact binnen een groep van mannen dat volgens de verlichtingsideeën de beschaving verder bracht. Van der Palm glorieerde er en neerlandicus Wim van den Berg, kenner van genootschappelijke en orale cultuur, meende al dat je bij Van der Palm moest zijn om de ‘toen heersende mentaliteit’ te ‘proeven’.30 Mondelinge presentatie stond voorop, en dat verklaart bijvoorbeeld waarom dichtkunst en welsprekendheid dicht bij elkaar stonden: de kern van dichtkunst was dat ze moest worden voorgedragen en beluisterd, in plaats van alleen gelezen, en welsprekendheid kon je ook op papier beoefenen, want de voorgedragen teksten werden daarna ook gepubliceerd en gelezen.31 Cruciaal voor dit verhaal is dat in de genootschappelijke cultuur de orale cultuur boven de schriftelijke productie stond. Pas vanaf de jaren 1840 zou het schriftelijke de leiding overnemen en het orale geheel gaan overvleugelen.

Van der Palm prekend in de Lutherse kerk in Den Haag voor de koninklijke familie, tekening van Johannes Hari uit 1828. © Rijksmuseum Amsterdam, FMH 6290-AB, http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.226709.

In de tweede helft van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw las het publiek gedrukte teksten vaak alsof het mondelinge bijdragen waren. Je hoorde de schrijver spreken, om zo te zeggen, en je beoordeelde een geschreven tekst alsof die werd uitgesproken. Volgens Van der Palm was schrijven ‘spreken tot afwezenden’32: het spreken was dus inderdaad het uitgangspunt om het schrijven te beschouwen. Je moest van een tekst niet de informatiedichtheid en communicatievorm van een boek verwachten maar die van een lezing. Inderdaad waren redes vaak ‘lezingen’: sprekers lazen de teksten voor. Van der Palm deed niet anders, hij improviseerde eigenlijk nooit, las altijd voor, maar schreef zijn teksten dan ook met het oog op een luisterend publiek.

Van der Palms welsprekendheid kreeg veel waardering vanwege de ‘eenvoud’ waarmee hij zijn ideeën naar voren bracht. ‘Eenvoud’ stond toen als principe en uitgangspunt voor cultuuruitingen ook verder hoog in aanzien33, maar de tijdgenoten prezen speciaal hem. Zijn voorkeur ervoor ging zover, dat hij eigenlijke geleerdheid geringschatte, voetnoten vond hij maar ijdel vertoon van eruditie.34 Het ging hem dan ook minder om ‘den opbouw der wetenschap’ dan om ‘de godsdienstige beschaving van de gemeente’.35 Het leidde tot teksten die, als je ze nu leest, vragen oproepen over de diepgang. Pas als je je realiseert dat ze lezingen waren en voor een luisterend publiek geschreven waren – en dat Van der Palm zelfs als hij schreef voor lezers toch de lezing-stijl bleef hanteren – dan zie je wat die teksten doen. Ze onderrichten en ze gaan over lof en blaam, dat wil zeggen normen en waarden, zoals gelegenheidsspeeches, vooral lofredes, in de regel doen.36 Ze zijn gemaakt om een gehoor in de juiste stemming te brengen, een centraal idee onder de aandacht te brengen, en een zeker gevoel teweeg te brengen: bij uitstek retorisch, performatief taalgebruik. Ook dat is een manier om het publiek te raken: ‘Nieuwe gedachten verkondigde [hij] zelden, maar schoone en edele onophoudelijk en in den reinsten taalvorm’.37

Door keer op keer de waarden van verzoening, harmonie en uitgebalanceerde beschaving uit te dragen werd Van der Palm in de Restauratie mateloos populair. Als persoon belichaamde hij datzelfde verlangen. Weliswaar was hij als enthousiast patriot begonnen, maar toen het spannend werd, was hij in 1787 zo geschrokken van de polarisatie dat hij op een zondagmiddag zijn gemeente in de kerk voor de tweede zondagsdienst tevergeefs op hem liet wachten38, overhaast zijn biezen pakte en daarna, hoe vaak hij ook gevraagd werd, niet meer naar zijn oude gepolariseerde gemeente wilde terugkeren. Vervolgens werd hij activist en daarna minister in de Bataafse omwenteling, maar ook toen benadrukte hij al verzoening en harmonie. Meteen in 1795 op het hoogtepunt van de revolutie, toen hij in Middelburg zat, benadrukte hij als een van de leiders van de plaatselijke Bataafse omwenteling ‘dat wij den Vrede beminnen’ en dat hij niet wilde verdelen maar verenigen en ‘partijzucht’ dempen.39 Met een wat extatische toespraak die zijn naam als redenaar bij plechtige gelegenheden definitief vestigde40, vierde hij als minister in 1799 de overwinning op de Engelsen en Russen die het noorden van Holland waren binnengevallen en na heftige strijd waren verdreven. Ook die rede ademt een en al verzoening, ‘eendragt’ en ‘vernietiging van alle partijen’.41

Blijkbaar zag hij het ook als overtuigd patriot na 1795 al als zijn taak om een nieuwe eendracht te bevorderen; tijdelijke onenigheid moest zo snel mogelijk weer tot nieuwe eenheid leiden. Na 1813 ging er bijna geen rede voorbij of Van der Palm herinnerde aan de ellende die het vaderland eerder had doorgemaakt en het grote belang van verzoening om herhaling te voorkomen en het land weer tot grote hoogte op te voeren. Deze typische Restauratieretoriek sloot inhoudelijk aan bij, en greep in zekere zin terug op, de voorstelling van politiek uit de oude Republiek: publiekelijk moest er altijd eendracht heersen, onenigheid hoorde achter gesloten deuren, en discussie diende alleen om opnieuw harmonie te bereiken.42

Een imago van beschaafde vriendelijkheid

De vorm van Van der Palms welsprekendheid kwam volgens commentaren geheel overeen met zijn boodschap van verzoening en harmonie. De Britse radicaal, ondernemer en diplomaat John Bowring, die het Nederlands machtig was, zei het zo: ‘eene duidelijke en welluidende uitspraak; geen scherpe, onaangename of vreemd klinkende toon kwam uit zijnen mond. Zijne gebaarmaking is rustig; zijne voordragt verraadt geene hartstogtelijkheid; alle zijne gedragingen duiden waardigheid aan: hij heeft eene ongedwongene zelfbeheersching, die veel krachtiger werkt dan hevigheid in uitdrukking. In één woord, hij schijnt juist geschapen voor den stand, dien hij bekleedt’.43 Rustig, waardig, beheerst, Van der Palm was vooral beschaafd en in evenwicht: ‘zijne gebaren waren weinig, maar altijd gepast’.44 Passendheid, ook wel aptum of decorum, is een bekend retorisch begrip, want je moet altijd bij je publiek en de gelegenheid aansluiten, maar hier is het meer dan dat, het gaat over de deugden van een beschaafde man die zichzelf geheel in de hand heeft. Niet voor niets gebruikt een lofrede over Van der Palm vijfmaal het woord gepast dat ook veel voorkomt in zijn eigen lezingen.45 Welsprekendheid was volgens Van der Palm ‘eene dochter der beschaving’, en de redenaar moest wel een ‘man van beschaafden geest en omgang’ en waardigheid zijn met ‘de juiste gepastheid der woorden’.46

Waardigheid, evenwicht en harmonie stemden overeen met zijn Ciceroniaans classicistische opvatting van welsprekendheid.47 Ze waren ook precies waarom tijdgenoten hem waardeerden als beminnelijke persoon én zijn redes prezen die met hun lange, rustig vloeiende zinnen deze waarden niet alleen propageerden maar ook uitstraalden:

‘In den Redenaar’, zo zei Van der Palm dan bijvoorbeeld, ‘vertoonen zich alle gaven [van de welsprekendheid] in het uitmuntendste en voordeeligst licht. In hem is het wel, dat is, krachtig, bevallig, volkomen spreken het hoofddoel zijner verschijning, en niet aan andere einden ondergeschikt; ook wanneer hij overreedt, is het hem niet om deze uitkomst te doen, maar slechts, om den triumf der Welsprekendheid te behalen! In hem vereenigen zich de buigzaamheid der stem, de waardigheid der houding, de uitdrukking des gelaats, de tooverkracht der edele gebaarmaking, om den indruk, de werking en de luister eener welsprekende rede oneindig te verhoogen, en elk hoorder in verrukking weg te voeren. Hoe gaarne M.H.! zoude ik hier nog eenige oogenblikken toeven, om u te doen zien, hoe ook deze uiterlijke Welsprekendheid, gelijk men haar noemt, hetzelfde beginsel erkent, hoe ook zij hare volkomenheid nadert, of van hare bestemming afwijkt, naar mate zij den toon en de uitdrukking aanneemt van natuurlijk, krachtig en bevallig spreken, of zich daarvan verwijdert, door dichterlijken zang, en dichterlijke tooneel-gebaren den boventoon te gunnen. Doch ik moet dit voor het tegenwoordige met stilzwijgen voorbijgaan’.48

Opvallend genoeg bevat de uitgave van zijn redes hele pagina’s waar elke zin met een uitroepteken eindigt, maar dit betekent niet dat hij ze ook met uitroeptekens uitsprak, wel met nadruk en een soort van verheven waardigheid, maar niet met een uithaal. Commentatoren hadden het later immers altijd over de gelijkmatigheid van zijn stijl: ‘¡¯t Gaat alles gelijkmatig voort, als een breede, ondiepe, maar heldere stroom’, ‘alles effen, kalm, gelijk’.49

Dat Van der Palm vriendelijk was, wordt trouwens ook vaak opgemerkt. Maar als kenmerk van de redenaar gaat het hier om een publieke persona, het gezicht dat hij droeg in het openbaar. Hij vocht niet openlijk conflicten uit. Deze persona paste bij zijn weinig heldhaftige privé-persoonlijkheid50, maar ook bij zijn imago als redenaar. Er zit een sterk element van constructie in, hij vormde zich naar een ideaalbeeld. Zonder een flinke dosis ambitie, ijdelheid en wil om te winnen zou hij zijn positie in het maatschappelijke en politiek-culturele leven niet hebben bereikt. Als om die te compenseren, bevatten veel van zijn redes een lange captatio benevolentiae: altijd wilde hij het publiek doordringen van zijn verpletterende bescheidenheid. Dat was een conventie, maar Van der Palm beoefende die wel erg uitbundig, bijvoorbeeld in de Haarlemse boekdrukkunstrede in 1823, toen hij op het hoogtepunt van zijn roem stond en toch drie pagina’s bezig was met de bespreking van zijn aarzelingen om als herdenker op te treden.51

Dat hij met zijn imago van vriendelijkheid de strijd wel verhulde maar niet schuwde, blijkt uit zijn vete met de dichter Willem Bilderdijk, zijn tegenpool die van een studievriend een gezworen vijand was geworden. In hun vete kwamen tegenstellingen samen van enerzijds persoonlijkheid, tussen de bedachtzame en op publieke harmonie gerichte Van der Palm en de grillige en polariserende Bilderdijk, en anderzijds van politiek en religie, tussen de man van verzoening, establishment en middle-of-the-road protestantisme Van der Palm en de ostentatief orthodox-protestantse outsider Bilderdijk met zijn sterk conservatieve denkbeelden. Bilderdijk verzamelde een kleine maar overtuigde aanhang om zich heen die niets moest hebben van de tegenstellingen verhullende ‘geest der eeuw’, zoals Bilderdijks leerling Isaäc da Costa het noemde. Op een gegeven moment waren ze zo gebrouilleerd dat Van der Palm en zijn geestverwant hoogleraar Nederlands Matthijs Siegenbeek Bilderdijks gezelschap zoveel mogelijk vermeden. Toen Bilderdijk arriveerde bij een receptie in Den Haag van de nog jonge historicus Guillaume Groen van Prinsterer, ging het volgens Bilderdijk-fan en jurist Dirk van Hogendorp zo: ‘Zoodra hij Bilderdijk zag, verbleekte hij en aardig was het om te zien, hoe hij langs de muren en met spoed wist te kruipen om de deur te vinden en Bilderdijk te ontwijken.’52

Dit incident vond plaats in dezelfde tijd waarin Van der Palm zijn bekende lezing over ‘het gezond verstand’ hield, eerst in Leiden eind januari 1824 en een week erna in Den Haag.53 ‘Gezond’ verstand was een nuttige metafoor, zei hij, want ‘de geest heeft zijne eigen ongesteldheden, die men koortsachtig, of kramp- en zenuwachtig zou kunnen noemen’ met een ‘zucht tot tegenspraak, tot het vreemde en zonderlinge, om altijd anders dan anderen te willen denken en gevoelen’. Het kenmerk van het ware en goede was ‘eenvoudigheid’. Wat ‘vreemd en duister’ of vergezocht klonk, duidde op een neiging tot ‘overschreeuwen’ in plaats van ‘overreden’. Gezond verstand kon warm en bezield zijn, maar vermeed ‘heete drift’, ‘opgewonden hartstogtelijkheid, en innerlijke zielsonrust’. ‘Matiging’ stond tegenover ‘aanmatiging’ die leidde tot verdeeldheid en twist, precies dat waaraan de Restauratie zo’n hekel had.

Plattegrond van de Groote of Sint-Bavokerk te Haarlem toen Van der Palm daar in 1823 zijn rede bij de herdenking van de boekdrukkunst hield. De cijfers corresponderen met ruimtes voor stoelen, banken en ‘amphitheaters’, met in totaal 4155 zitplaatsen. Nr 24 is de monumentale preekstoel (bij nr 1, voor ‘genoodigde Heeren’), terzijde van het schip en het beroemde orgel, nr 23 uiterst rechts. De plattegrond toont hoeveel werk er van zo’n evenement werd gemaakt. Vincent Loosjes, Gedenkschriften wegens het vierde eeuwgetijde van de uitvinding der boekdrukkunst door Lourens Janszoon Koster, van stadswege gevierd te Haarlem den 10 en 11 julij 1823 (Haarlem 1824) na pagina 98.

Van der Palm noemde geen namen en hij vermeed publieke onenigheid, maar het was iedereen duidelijk dat hij behalve zijn visie op het publieke debat ook zijn kijk op één persoon gaf. Zoals Van Hogendorp verontwaardigd na zijn Haagse optreden schreef aan Bilderdijks medestrijder Da Costa: ‘Eergisteren heeft Van der Palm hier een anderhalf uur over het gezond verstand gederaisonneerd. Zonder naam of zelfs maar schriften te noemen, was zijn geheel stuk, van het eerste woord tot het laatste, eene violente, boosaardige, phariseeuwsche diatribe tegen Bilderdijk en U, en wie het niet geheel met UI. oneens zijn.’54 Zo lief was Van der Palm dus ook weer niet: het kenmerkte zijn stijl dat hij het debat niet opzocht, maar wel in de vorm van een gelegenheidsrede zijn opvattingen verkondigde en zijn tegenstander weliswaar verhuld maar daarmee niet minder vilein persoonlijk aanviel. Zo kon deze ook niet echt het debat aangaan – en verweerde hij zich alleen met schelddichten. Volgens collega-retoricaspecialist Barthold Lulofs leverde Van der Palms rede het bewijs dat hij de ‘wapenen eener fijne, echt-Attische scherts’ op ‘eene meesterlijke wijze’ wist te gebruiken.55 Je kunt twisten over de goede smaak en het ‘fijne’ van de aanval, maar die bewijst zeker dat Van der Palms verdediging van de gulden middenweg niet alleen zoetsappigheid was, maar een met energie bevochten positie. In zijn persoon en optreden blijken zo de spanningen onder de oppervlakte die de Restauratie kenmerken en die de periode voor historici interessant maken.56 En dat alles in een orale context, want het gebeurde in een rede, voor een live audience, zodat de bepleite waarden des te meer indruk maakten en de beoogde personen des te harder getroffen werden. Iedereen kende elkaar, een lezing was een evenement, en de deugden van de Restauratie werden er keer op keer ingehamerd.

In zijn redes verdedigde Van der Palm niet alleen zijn opvattingen tegen een rivaal, hij speelde ondanks zijn vertoon van harmonie toch een belangrijke politieke rol. Na zijn ministerschap tijdens de Bataafse Republiek was hij naar de academie teruggekeerd, dus het lijkt alsof hij afscheid had genomen van de politiek. Zo zag hij het ongetwijfeld zelf ook, de verzoening die hij nastreefde stond tegenover de onenigheid die zo kenmerkend was voor politiek. Maar wat hij in plaats daarvan deed, geen politieke redes houden maar gelegenheidsredes, veelal bij herdenkingen, was bij uitstek de vorm waarin zich de politiek van de tijd kon uiten. In Frankrijk of Groot-Brittannië was de periode rond 1800 ook een tijd van grote welsprekendheid, maar daarbij dacht men in die landen allereerst aan het parlement en eventueel de rechtbank.57 In lijn daarmee was er ook in Nederland aandacht voor de welsprekendheid van de Bataafse Nationale Vergadering en was de verwachting dat de politieke welsprekendheid na 1813 nog grotere triomfen zou gaan vieren.58 In de Restauratie was het echter publiekelijk al verzoening wat de klok sloeg, en bleven dus gelegenheidsredes in plaats van politiek debat het publieke leven domineren. Die beoefende Van der Palm zo succesvol, dat de verwachte opkomst van de politieke rede in engere zin uitbleef. ‘Ars est celare artem’, de kunst om te verbergen dat iets een kunst is, is een retorisch stijlmiddel. Hier staat deze retorische vorm in dienst van een politiek doel: door net te doen alsof de Restauratie-stijl van zijn redes apolitiek was en slechts de kunst van wél te spreken, bevorderde Van der Palm zijn doel van al dan niet afgedwongen maatschappelijke harmonie des te beter. Expliciet politiek debat zou de onenigheid maar verergeren en moest dus vermeden worden – zozeer dat zelfs de studie van de retorica in Nederland maar amper aandacht besteedde aan argumentatie.59

Zijn welsprekendheid en zijn stem

Van der Palms opvatting van welsprekendheid sloot ook aan bij zijn voorkeur voor harmonie.60 Welsprekendheid was volgens hem niet de kunst van het overreden. Overreden was slechts een van de doelen die je kon najagen als redenaar, en als het daarom ging, moest de redenaar het ook nog eens afleggen tegen de overtuigingskracht van goud, van ‘schreijende kinderen’ of van een ‘vrouwen-lonk’. Moest je bovendien de retorische trucs van advocaten of politici wel tot de kunst van de welsprekendheid rekenen? Met het wezen daarvan hadden ze in ieder geval weinig te maken. Hij verweet zelfs zijn held Cicero dat die welsprekendheid te veel gelijkstelde met overreden en ‘te zeer in alle, ook in de ongeoorloofde kunstgrepen der pleitzaal was ingewijd’61, waarmee hij lijkt te ontkennen dat retorica de kunst is om effectief te zijn, en het wel erg braaf wordt. Zoals al bleek, verhult die braafheid echter een vileine achtergrond.

Zoals gebruikelijk vergeleek Van der Palm de welsprekendheid met de dichtkunst, maar hij deed dat op een bijzondere manier. Je kon volgens hem welsprekendheid namelijk alleen zo begrijpen. Zoals de dichtkunst niet allereerst een doel nastreefde buiten zichzelf maar om het dichten zelf draaide, zo was welsprekendheid simpelweg ‘de kunst van wel te spreken’ (overigens vrijwel de definitie die die andere Romeinse retoricakenner Quintilianus hanteerde, maar naar wie hij niet verwijst).62 Ook de historicus of wijsgeer kon die welsprekendheid beoefenen, ze was niet exclusief mondeling. Wel moest je bij de redenaar zijn voor het hoogtepunt van welsprekendheid. En diens opdracht was het, zo zei Van der Palm bij wijze van conclusie, ‘om waardige gevoelens door spreken volmaakter en schooner uit te drukken’. Zo maakte hij van welsprekendheid een zaak van schoonheidsgevoel en verheven esthetiek, losgezongen van politiek en debat, waaraan Britten of Fransen juist meteen dachten als ze het over redenaars hadden. Zelfs in de Nederlandse context was Van der Palms positie extreem, vaak dachten andere analytici bij welsprekendheid wel aan overreden en aan politiek.63

Van der Palms welsprekendheid maakte indruk doordat zij samenviel met de behoeften en maatstaven van zijn tijd, maar ook doordat zijn stemgeluid de ermee verkondigde waarden ondersteunde. Van der Palm maakte zoveel los doordat zijn wendbare en heldere stem zijn optreden veel kracht bijzette. ‘Alles was by hem in harmonie. Zijne stem was niet zwaar, niet diep, maar onbegrijpelijk buigzaam, welluidend, muzikaal, en zoo duidelijk en verstaanbaar, dat men zelfs in de grootste en ongeschiktste kerken nergens een woord van hem miste.’64 Altijd worden de adjectieven ‘buigzaam’ en ‘zilveren’ gebruikt. Buigzaam was een criterium dat beoordelaars toen aanlegden voor de kwaliteit van de voordrachtstem65, en zilveren was volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal vooral toen in zwang om de aard van een stem te omschrijven als ‘helder klinkend als aangeslagen zilver; kristalhelder’. ‘Zijne stem was wonderbaar buigzaam, helder als eene zilveren klok, verstaanbaar ook voor ver verwijderden’, ‘de buigzame, zilverheldere stem van den redenaar zoekt u op onder de verste gewelven der kruiskerk’.66 Deze voormalige predikant werkte niet met een dramatisch galmende preektoon. ‘Geen stentors-orgaan, dat als met donderenden galm het kerkgebouw’ vulde, geen stemgeluid zelfs met ‘buitengewonen omvang van hoogte en diepte’, ‘maar een vol, rein, liefelijk, zilverklaar geluid, dat zuiver als een glazen klok zich liet hooren.’ En de gebaren – waarop hij zoals toen gebruikelijk flink oefende – accentueerden nog eens het effect van zijn stem: ‘Wanneer de trillende zilvertoon van des redenaars stem door zekere hem eigene trillende beweging in den regterarm vergezeld en ondersteund werd, was de uitwerking onwederstaanbaar’.67

Portret van Van der Palm door society-schilder Charles Howard Hodges die veel beroemdheden van zijn tijd vereeuwigde en hem hier een kenmerkende minzame blik meegeeft, 1830-1840. Museum Catharijneconvent en Vrije Universiteit, Amsterdam, SPKK-G00442, https://www.geheugenvannederland.nl/nl/geheugen/view?coll=ngvn&identifier=VUMCC01%3ASPKK-G00442.

Van der Palms stem was ‘meer zacht en welluidend dan forsch en doordringend’, maar ‘door gestadige oefening’ ervan ging ‘geen zijner woorden voor den oplettenden hoorder verloren’, zodat sommige wendingen ‘door de wijze, waarop zij werden uitgesproken, mij door merg en been gingen’.68 Door de ‘oefening in het melodieuse der stem’ bereikte zijn ‘taalmuzijk’ een grote hoogte en de ‘muziek van zijne stem’ bleef tot het einde ‘vol en diep en zilverrein van toon’.69 Als je nu zijn teksten leest, gaat de gelijkmatigheid op zeker moment vervelen, maar Van der Palms stem gaf zijn zinnen een diepere lading: ‘zoo dikwerf de aard der voorgedragene zaken zulks vereischte, had zijne stem iets plegtigs, ernstigs en roerends, dat den indruk zijner redenen grootelijks versterkte’.70 Hij kon ontroeren zoals een zanger ontroeren kan. Bijna letterlijk: zoals je een melodie kan beschrijven met noten, zo probeerde men in deze tijd een soort notenschrift te ontwerpen voor de buigingen van de spreekstem en voor de pauzes die een voordracht ‘luisterbaar’ maakten.71 Ontroeren als een zanger lijkt oppervlakkig, maar de toon paste bij het soort boodschap dat Van der Palm wilde overbrengen: normen, waarden, ethische bewogenheid, eensgezindheid en saamhorigheid. Weinig kan op tegen samen zingen als middel om gemeenschapsgevoel op te wekken; een redenaar als hij wekte iets vergelijkbaars op. In hedendaagse termen uitgedrukt, past Van der Palm dus minder in de categorie van wetenschapper of politiek bestuurder dan in die van publieke intellectueel die een indrukwekkende 4 mei-rede houdt, mooi spreekt over het touwtje uit de brievenbus, of over de noodzaak van waarden in de politiek.

Van der Palm deed daarbij zeker een beroep op emoties, maar niet om een eigen achterban te mobiliseren en zich expliciet af te zetten tegen tegenstanders zoals vaak in de vertegenwoordigende politiek gebeurt. Het is vast geen toeval dat hij, anders dan zijn oudere vriend Joannes Lublink de Jonge aan wie hij zijn verzamelde redevoeringen opdroeg en met wie hij veel gemeen had, nooit zitting heeft gehad in de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek. Daar zetten sprekers de achttiende-eeuwse gevoelscultus in voor een gepassioneerde verdediging van hun standpunt tegenover dat van anderen.72 Van der Palm benutte emotie altijd om tot verzoening op te roepen. Dat deed hij al als agent van Nationale Opvoeding en hij bleef het na 1813 doen, toen de tijd er helemaal rijp voor was.

Het einde van een reputatie

Van der Palms toon paste bij een tijd die bij zijn overlijden in 1840 ten einde liep. Zelden is in Nederland roem zo hoog gestegen en daarna zo diep gedaald als met Van der Palm gebeurde. Bij zijn dood werd hij nog met loftuitingen overladen – over de doden niets dan goeds – maar daarna was het snel afgelopen. Waarom? De kern van de zaak was dat de maatschappelijke rol van de welsprekendheid zoals Van der Palm die belichaamd had, flink aan invloed inboette. In het bijzonder de toen dominante theologen moesten het ontgelden.73 De afrekening ging generaties door. In 1858 was er het ‘leekegebedjen’ van de jong gestorven dichter Petrus de Génestet, overigens zelf een theoloog: ‘Verlos ons van den preektoon, Heer! Geef ons natuur en waarheid weer!’74 Later dichtte Frederik van Eeden over wat geringschattend dominee-dichters werden genoemd: ‘Zie! In alles van uw hand/Proeft men nog den Predikant: /Wie zich eens den Heere gaf, /Komt zo gauw niet van Hem af’.75 Het is geen toeval dat de theologen toen vooral als dominee-dichters werden aangevallen, niet zozeer als redenaars, want de publieke welsprekendheid à la Van der Palm was toen al veel minder dominant. Theologen-redenaars zouden wel deels in andere, niet meer door de klassieken geïnspireerde gedaante terugkeren: in de personen van de politieke leiders Abraham Kuyper, Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Herman Schaepman.76

Van der Palms buigzame klank was weliswaar het tegendeel van een monotone, dreunende preektoon. Hij liet zich inspireren door de natuurlijke en zangerig-muzikale welsprekendheid van de jong gestorven dichter Jacobus Bellamy – als dichter vanzelfsprekend een voordrachtskunstenaar – en had een afschuw van ‘de eentoonige dreun’ die hij kende uit de genootschappen.77 Toch belichaamde hij met zijn ex cathedra stijl de zalvende en zelfgenoegzame preektoon. Toen de orale cultuur van genootschappen en gelegenheidsredes niet langer heerste en men zijn stem niet meer hoorde, gingen de zwakke kanten van zijn werk meer opvallen.

Een aantal ontwikkelingen versterkte de kritiek. Precieze historische filologie en gedegen historische bronstudie verdrongen de orale wetenschappelijke en culturele sociabiliteit die vooral de grootste gemeenschappelijke deler uitdrukte. Everhardus Johannes Potgieter keerde zich in 1843 tegen de ‘heeren, welke voortdurend den katheder bestijgen, en mits zij populair spreken, zeer populair, allerpopulairst, toegejuicht worden’.78 Populariserende voordrachten waren verdacht geworden en de door Van der Palm gesmade voetnoten wonnen veld. Een nog grotere aanslag op zijn reputatie was de politieke omslag: van hameren op het aambeeld van eensgezindheid en harmonie naar debat, discussie en publiek meningsverschil. De grondwetsherziening van 1848 was de bezegeling van deze verandering, maar die kondigde zich zeker al vanaf 1840 aan. De breuk met de voorgaande cultuur van welsprekendheid was in Nederland heftiger en eerder dan in landen als Groot-Brittannië en Frankrijk waar de klassieke traditie van welsprekendheid nog tot het einde van de eeuw kon blijven bestaan omdat die daar gemakkelijker met onenigheid en debat werd verbonden. Niet gelegenheidsredes waren daar het belangrijkste criterium voor welsprekendheid, maar optreden in het parlement.79 Nederland associeerde welsprekendheid in de ‘eeuw van Van der Palm’ zo vanzelfsprekend met harmonie en verzoening, dat het einde van de populariteit van deze Restauratie-deugden meteen ook het einde van de klassieke retorica inluidde.

De genadeklap voor de cultuur van Van der Palm kwam met het einde van het prestige van de mondelinge voordracht. Die verschuiving kan niet mooier worden gedemonstreerd dan met de verhouding tussen Van der Palm en Johan Rudolf Thorbecke die de politiek na 1848 zou gaan beheersen. Toen Thorbecke in Leiden kwam studeren, was Van der Palm een van de docenten en een coryfee van de universiteit, maar Thorbecke had weinig waardering voor zijn werk. Hij hield het netjes toen hij als rector magnificus Van der Palm bij diens dood namens de universiteit herdacht. In zijn particuliere correspondentie liet zijn oordeel echter weinig te raden over. ‘De gemeenste, meest alledaagsche denkbeelden in eene bekoorlijkheid en sierlijkheid van tooi gekleed, die ze meer doet schijnen, dan ze zijn’, was zijn recensie van Van der Palms herdenkingsrede in 1825 voor diens collega en held van 1813, Joan Melchior Kemper. ‘[O]uderwetsche, ijdele woordenpraal’ en ‘versleten fransch rhetorische declamatie’ schreef hij over een ander stuk in 1843. Een lofrede op Van der Palm na diens dood noemde hij onbegrijpelijke ‘Ciceroniaansche phraseologie’ en de biografie die Nicolaas Beets over hem schreef, toonde volgens Thorbecke alleen de man, niet het werk, terwijl het daar toch op aankwam.80

Thorbecke legde zelf inderdaad alle nadruk op het – schriftelijke – werk. Enkele jaren na de dood van Van der Palm hield Thorbecke te Amsterdam voor het Koninklijk Nederlandsch Instituut voor Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten zijn rede ‘Over het hedendaagsche staatsburgerschap’.81 Het is een klassiek geworden gecomprimeerd betoog van dertien pagina’s – vergelijk dat eens met de tientallen pagina’s van Van der Palms redes. Die dertien pagina’s waren zelfs lastig te lézen, laat staan te beluisteren. Nu hadden ook maar zes collega’s de moeite genomen te komen en er was ook geen discussie na afloop. De toehoorders zullen moeite hebben gehad het betoog te volgen dat ook nog eens in een onbestemde paradox eindigde: ‘Wie vindt den toon, waarin deze dissonant zich oplost?’ Niet bepaald de peroratie met hooggestemde boodschap waar Van der Palm het patent op had. Het zal Thorbecke niet veel hebben uitgemaakt, want de genootschapscultuur in het algemeen en ook het Instituut waar hij sprak, konden hem gestolen worden. Daar kwam je voor ‘praatjes van beleefdheid’ in plaats van de schriftelijke neerslag van onderzoek.82

Inderdaad het volstrekte tegendeel van Van der Palm. Lulofs meende dat Van der Palms redes ‘gemakkelijk, vloeijend, verstaanbaar, eer omslagtig dan te gedrongen’ waren, maar dat laatste kwam dan ook ‘nooit op een spreekgestoelte te pas’.83 Als iemand in Nederland toen ‘gedrongen’ schreef, dan was het wel Thorbecke. Zelfs zijn Kamerredes sprak hij later uit alsof ze al gedrukt waren en ze waren daarvoor ook bedoeld: het mondelinge was ondergeschikt aan het schriftelijke. Thorbecke zou Van der Palms dictum hebben kunnen omkeren, en zeggen: spreken is schrijven voor de aanwezigen. Hij zou later met de antirevolutionair Groen van Prinsterer gelden als de belangrijkste politieke redenaar van zijn tijd, maar dat was het beste bewijs dat de maatstaven voor politiek en welsprekendheid radicaal waren veranderd. Thorbecke stelde kritiek in de plaats van ‘den rhetorischen, vergrootenden schrijftrant’ van de oudere generatie; hij behoorde tot een wereld die meer wetenschappelijk dan muzisch was.84 Hij zelf was essayist, debater, zelfs debattheoreticus, maar redenaar in engere zin was hij niet en gelegenheidsredenaar al helemaal niet. De rede als middel om het gehoor in de juiste stemming te brengen, verachtte hij. Beter dan met de opgang van Thorbecke kan de neergang van de roem van Van der Palm, en alles waarvoor hij stond, niet geïllustreerd worden.

Conclusie

Met Van der Palm was een periode van veel aandacht voor publieke welsprekendheid begonnen, zijn dood symboliseerde het einde van een lange traditie van klassieke retorica in Nederland. Die werkte nog wel enigszins door in de predikantenopleiding, maar toen zich later weer allerlei vormen van publieke welsprekendheid ontwikkelden, was de band met de klassieke traditie erg dun geworden. De studie van retorica verdween naar de achtergrond in de ‘verloren eeuw’ die pas eindigde met herleving in een nieuw jasje als communicatiekunde en taalbeheersing. Alles, van liberale politiek tot filologie, van eenkennige nadruk op schriftelijke taal tot de poëzie van de Tachtigers, werkte eraan mee om de domineestoon, de dominee-dichters en zeker ‘de eeuw van Van der Palm’ te begraven. Dat is grondig gebeurd. Er is wellicht geen periode in de Nederlandse geschiedenis, met uitzondering wellicht van het grootste deel van de achttiende eeuw, die sindsdien zo’n slechte pers heeft gekend als de vroege negentiende eeuw. Met de cultuur van verzoening werd ook de cultuur van welsprekendheid begraven. Rederijkers, genootschappen, domineesretoriek, ze werden eindeloos bespot.

Opvallend is ook dat zich in Nederland nooit meer een cultuur van redevoeringen door gezagsdragers heeft ontwikkeld, zoals Van der Palm die als minister had geïntroduceerd. Thorbecke en de zijnen bevorderden een debatcultuur, maar dat is wat anders. Politieke gelegenheidsredes zouden in de geur van overdreven retoriek, overdreven harmonie en zoetsappigheid blijven staan; politieke normen en waarden werden overgelaten aan partijleiders. Zo lijkt de cultuur van Van der Palm dus een verpletterende nederlaag te hebben geleden. Maar die was de prijs voor de overwinning die ze desondanks behaalde: in bestuur, regering en parlement bleef een streven naar overleg, compromis en consensus de toon aangeven. Het bewijst dat Van der Palm en de cultuur van de Restauratie ondanks hun reputatie toch effectief zijn geweest. Wat er gebeurde in kerken en gehoorzalen had reële maatschappelijke impact. Hoe vaak Van der Palm ook zei dat het bij welsprekendheid alleen draaide om ‘wel te spreken’, hij wist wel beter, maar het was deel van zijn wereld om dat niet hardop te zeggen.