Er wordt wel gezegd dat historici een therapeutische rol hebben ten opzichte van hun eigen tijd. Als er zich historische antecedenten, parallellen of patronen voordoen, die in het hier en nu de stabiliteit van de samenleving lijken te ondermijnen, worden ze gevraagd om vanuit hun kennis van, en inzicht in het verleden ontwikkelingen in het heden te duiden. Maar niemand weet, ook historici niet, of wat gevreesd wordt zich ook feitelijk in volle omvang zal manifesteren. Vaak is er eerder sprake van een gevoel van dreiging of urgentie dan van een daadwerkelijk gevaar. De uitleg van de historicus is in de praktijk dan ook niet meer dan een welgemeende relativering, een betrekkelijke en soms ons leeg overkomende geruststelling die is gebaseerd op wat in het verleden is gebeurd, maar eigenlijk niets zegt over de toekomst.

Relativering was ook het doel van de in 2011 door Leo Lucassen en Jan Lucassen gepubliceerde studie Winnaars en verliezers. De ondertitel van het boek – Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie – was in dit opzicht veelzeggend. Feiten en geen meningen, benadrukten de broers Lucassen, waren en zijn essentieel om op een zinvolle wijze te debatteren over migratie en integratie. Tegelijkertijd relativeerden ze de claims en urgentie van de migratie- en integratiepessimisten door een nuchtere balans te geven van vijfhonderd jaar migratie. Winnaars en verliezers werd al snel een veelgelezen standaardwerk over migratie in Nederland en Leo Lucassen, hoogleraar migratiegeschiedenis in Leiden, een belangrijk historisch geweten op Twitter. ‘Ik probeer Twitteraars die maar wat roepen te wijzen op de feiten, meer niet’, rechtvaardigde hij zijn aanwezigheid op sociale media in een interview in Vrij Nederland. En terecht, want de felle reacties op zijn correcties laten zien dat een bijdrage vanuit de wetenschap aan het publieke debat nuttig en belangrijk is.

Vijf eeuwen migratie is een heruitgave van Winnaars en verliezers, althans zo lijkt het op het eerste gezicht. Opnieuw stellen de auteurs zichzelf de opdracht meningen te toetsen aan de historische feiten en een nuchtere balans op te maken. Maar deze relativering van de door de migratie- en integratiepessimisten opgeroepen urgentie is niet de hoofdlijn in dit boek. Waar Winnaars en verliezers werd afgesloten met een heldere en nuchtere balans, daar eindigt Vijf eeuwen migratie met een reflectie op het nationale debat over migratie en integratie. Er zijn meer verschillen. Zo is de volgorde van de hoofdstukken omgedraaid. Winnaars en verliezers begon in het heden met een hoofdstuk over massa-immigratie en daalde vervolgens per hoofdstuk af naar het verleden, naar migratie in de Gouden Eeuw. Van deze omgekeerde chronologie is in Vijf eeuwen migratie geen sprake meer. Het boek begint in de zestiende eeuw en eindigt in het nu. Dat de auteurs de tijdsvolgorde hebben hersteld, is een goede keuze. Vijf eeuwen migratie is hierdoor qua opbouw en structuur iets evenwichtiger dan Winnaars en verliezers.

De aanvullingen en nieuwe delen in Vijf eeuwen migratie zijn interessant. In het laatste hoofdstuk, ‘Massa-immigratie en de islam (1990-2018)’, gaan de auteurs nu ook in op de recentste ontwikkelingen: de opkomst van Thierry Baudet (218-220), de zwarte pieten-discussie (220-223) en de weerbarstigheid van nationale identiteitspolitiek. Met name het oordeel dat wordt geveld over Baudet als ‘racistisch-genetisch’ denker is zeer scherp – en wellicht ook nog net iets te vroeg en te speculatief. De tijd moet nog leren of Baudets uitspraken toch niet enkel moeten worden geïnterpreteerd als leeg trumpisme, bullshitterij of narcistische provocatie ten behoeve van electoraal gewin. Het tarten, treiteren, kleineren en uitlokken van tegenstanders, en het mobiliseren van medestanders door middel van hyperbolen en platte masculiniteit, lijkt de nieuwe culturele norm en realiteit te zijn. Maar of deze bestendig en effectief is, en niet slechts een trend, moet nog blijken.

Wat betreft dit laatste, zijn de overdenkingen van de auteurs in de conclusie van Vijf eeuwen migratie veelzeggend. Zo stellen ze ‘dat het integratiepessimisme is geradicaliseerd’ en niet alleen moslims nu het mikpunt zijn, maar meerdere groepen als een bedreiging worden gezien. In de laatste alinea’s van het boek gaan Leo en Jan Lucassen specifiek in op het nationale debat en de rol van wetenschappers in deze discussie. Ze roepen historici op een bijdrage te leveren aan grote maatschappelijke vraagstukken, net als medici, ingenieurs en biologen dat doen op het terrein van milieu en leefbaarheid. Dit is een moedig en sympathiek appel. Tegelijkertijd gaat deze oproep echter uit van een specifieke wetenschapsopvatting en van het idee dat geschiedschrijving, zo schrijven de auteurs zelf op pagina 282, zich als een sociale wetenschap ‘dient te gehoorzamen aan de wetten van controleerbaarheid en herhaalbaarheid’. Is dit niet een beetje een naïeve geschiedsopvatting? De romantische geschiedwetenschap immers kent andere richtlijnen – niet voor niets is dit de school waar Thierry Baudet uit voort is gekomen.

De lange geschiedenis van migratie die Leo en Jan Lucassen in Vijf eeuwen migratie schetsen is desondanks een boeiend en geslaagd relaas. De nuchtere balans in het boek stelt gerust. Het komen en gaan van grote groepen mensen is van alle tijden, en behalve onbehagen en pessimisme bracht het in die eeuwen ook economische bloei, innovatie en culturele verrijking. Maar zoals dat gaat met alle historische relativeringen, bieden in verleden behaalde resultaten helaas geen garantie voor de toekomst.