Met de Triton en Iris naar Nieuw-Guinea, uitgegeven in de prestigieuze reeks De Linschoten-Vereeniging, omvat twee reisverhalen. Het eerste reisverhaal is van de hand van Justin Modera (1803-1866), buitengewoon luitenant-ter-zee aan boord van de korvet Triton van de Koninklijke Nederlandse Marine, terwijl het tweede geschreven werd door Arnoldus Johannes van Delden (1804-1885), ook aan boord van de Triton en als Gouvernementscommissaris aangesteld voor een koloniale expeditie naar Nieuw-Guinea in 1828. Tijdens deze expeditie voer de Triton in het gezelschap van de koloniale schoener Iris. Van Delden had als opdracht in naam van koning Willem I Nieuw-Guinea als kolonie van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in bezit te nemen en daadwerkelijk onder Nederlandse invloedssfeer onder te brengen, conform het Brits-Nederlands traktaat van 1824. W.F.J. Mörzer Bruyns, een uitstekend en alom bekend maritimist, verzorgde een sterk gestoffeerde en zeer erudiete inleiding – meer dan honderd bladzijden lang – waarin personages en allerlei aspecten en details in hun historische samenhang worden geplaatst.

Beide journaals bevatten complementaire informatie, want beide auteurs bestrijken niet steeds dezelfde onderwerpen, gelet op hun functie en opdracht tijdens de expeditie en gelet op het feit dat hun beweegredenen om een journaal bij te houden niet identiek waren. Modera wilde, naar hij zelf schrijft (133), zijn belevenissen kunnen navertellen in familie- en vriendenkring in patria. Zijn reisverhaal werd al in 1830 te Haarlem uitgegeven.1 Hoewel Modera marineofficier was, is zijn relaas noch een formeel scheepsjournaal noch een logboek. Hij weidt uit over zowel nautische, hydrografische, cartografische als etnografische onderwerpen. In de zeventiende en achttiende eeuw kroop menig opvarende op de lange vaart in de pen tijdens de vrije uren aan boord, althans zij die konden schrijven. Kapiteins, officieren en nog vaker supercargo’s, scheepsdokters en aalmoezeniers of predikanten stelden het op prijs aantekeningen te maken over hun observaties en belevenissen. Op Oost- of West-Indische Compagnieschepen behoorde dat soms tot de formele opdrachten, om bij te dragen tot de nautische en geografische kennis. Dit is niet het geval voor het reisverhaal van Modera, hoewel het er erg op lijkt. Op basis van zijn functie en graad zou men dat spontaan veronderstellen. Het was niet Modera, maar tweede luitenant-ter-zee Carolus Johannes Boers die specifiek met het onderzoek naar zeevaartkundige aspecten, naar en op de kusten van Nieuw-Guinea tijdens de expeditie was belast (232). Kaarten evenals schetsen van Boers waaraan Modera zijn medewerking heeft verleend, zijn dan ook in het volume opgenomen. Modera’s wetenschappelijke aanleg is duidelijk en blijkt ook uit andere van zijn publicaties.

Het Journaal 1828 dat Van Delden schreef, lijkt op het eerste gezicht een meer formele verslaggeving te zijn, gelet op zijn zeer officiële opdracht: de inbezitneming van westelijk Nieuw-Guinea, de inplanting van een duurzame vestiging, de verkenning van de kusten en in zekere mate van het binnenland ter verbetering van de zeekaarten. In de eerste plaats heeft Van Delden zijn verhaal evenzeer voor eigen gebruik neergeschreven. Merkwaardig misschien is dat Modera de instructies aan Van Delden in zijn relaas heeft opgenomen (143-146), wat van Delden in zijn eigen reisverhaal niet heeft gedaan. De instructies heeft Van Delden vermoedelijk van Pieter Merkus (1787-1844) ontvangen in zijn hoedanigheid van gouverneur der Molukken. Merkus had immers Van Delden als commissaris aangesteld. De instructies voor de commissaris, in een zestiental artikelen vervat, betreffen raadgevingen voor goede verstandhouding en overleg met de bevelvoerder van de Triton, alsook voor de contacten met de inheemse bevolking, indicaties voor de geschiktheid van de locatie aan de wal in Nieuw-Guinea en aanbevelingen voor het raadplegen van de leden van de meevarende commissie voor het natuurkundig onderzoek. Het is de eerste keer dat Van Deldens journaal in druk verschijnt. Aan boord van de Triton was dus ook nog een delegatie van de Natuurkundige Commissie voor Nederlands-Indië aanwezig die advies moest verstrekken inzake het vinden van een geschikte locatie voor een nederzetting. Dat had zowel betrekking op de uitbating en de leefbaarheid voor de kolonisten die verondersteld werden zich daar te kunnen vestigen. Deze delegatie zou echter geen ‘bijzondere instructie’ hebben ontvangen, aldus Modera (146).

Zoals Mörzer Bruyns in zijn inleiding laat opmerken is het ook niet aan onze aandacht ontsnapt dat er fundamentele meningsverschillen ontstonden tussen kapitein-luitenant-ter-zee Jan Jacob Steenboom, bevelvoerder van de expeditie enerzijds, en de gouvernementscommissaris Van Delden anderzijds, voornamelijk over de keuze en geschiktheid van de locatie voor de permanente nederzetting. Aan de conflictueuze sfeer heeft Van Delden zich meer dan eens geërgerd, wat minder het geval bleek voor Modera. Als marineofficier was Modera hiërarchisch ondergeschikt aan Steenboom en bijgevolg tot meer discretie verplicht. In de instructies van de gouverneur der Molukken aan Van Delden waren zoals reeds aangestipt aanbevelingen vervat voor de goede verstandhouding aan boord tussen bevelvoerder en commissaris. Maar Van Delden leek vooral gemotiveerd om zijn bijzondere opdracht tot een goed einde te brengen. Daarom had hij waarschijnlijk minder oog voor de risico’s tijdens het navigeren in vrij onbekende wateren en evenmin voor de bevoorrading en de gezondheid van de opvarenden. De tegenstellingen zijn vergelijkbaar met die tussen bevelvoerders aan boord van compagnieschepen en supercargo’s die veeleer bewogen werden door commerciële belangen.

Los van de motivatie van de auteurs om hun journaal uit te geven, zal de lezer merken dat Modera meer waarnemingen te boek heeft gesteld die de navigatie en de hydrografie betroffen. Dat kon men verwachten van een marineofficier, gelet op de tot dan toe weinig verkende kusten van Nieuw-Guinea. De zwaar beladen schepen met de vele passagiers ingescheept om de geplande vestiging op te bouwen en de kolonisatie aan te vatten, konden niet zomaar aanleggen op plaatsen die van geen enkele haveninfrastructuur waren voorzien. Niettemin fascineert Modera’s verhaal, te meer omdat hij vanuit zijn functie evenzeer oog had voor de contacten met de plaatselijke inwoners (154) en etnografische aspecten (181). Hij liet niet na de neerbuigende houding van de scheepsbemanning ten opzichte van de lokale bevolking te noteren. En dit in tegenstelling tot Van Delden die de vriendschappelijke omgang met de plaatselijke inwoners in de verf zet (270). Tijdens de zoektocht naar een gunstige locatie voor de nederzetting werden verscheidene oorden langs de kust bezocht. Sommige plaatsen bleken fysisch-geografisch ongeschikt te zijn, andere kwamen niet in aanmerking omwille van de minder positieve ervaringen met de inheemse bevolking. Van Deldens doorzettingsvermogen dreef het vaak tot het uiterste. Hij verschilde vaak van mening met de bevelhebber Steenboom over de geschiktheid van de locatie en de tijdsduur die aan de verkenning werd besteed.

De officiële inhuldiging van de Nederlandse vestiging op West-Guinea vond plaats op 24 augustus 1828, de verjaardag van koning Willem I. Het fort dat er opgericht werd, kreeg de naam Fort Du Bus en lag in het district Lobo of Merkusoord.2 Al in 1834 werd de vestiging echter ontmanteld. Het voorgevoel van een vroegtijdige ontmanteling sijpelt door in beide reisverhalen, want de voorwaarden voor een geschikte koloniale vestiging waren volgens Modera en Van Delden niet vervuld. De locatie leende zich niet voor een duurzame handel, de aanlegplaats was verre van ideaal, er stelden zich voedsel- en bevoorradingsproblemen en bovenal speelde het klimaat de Europeanen lelijk parten: ziekten en sterfgevallen waren legio. Zowel Modera als van Delden noteren met de regelmaat van de klok het aantal zieken en overlijdens aan boord en aan de wal. De oorzaken werden toegeschreven aan moeraskoortsen (215-216), aan ‘het aanhoudend zoute voedsel, de weinige ruimte in het schip gedurende de reize en van de vermoeijenden arbeid in de heete zon’ (194) of aan niet gespecifieerde koortsen (311-312). Wij vernemen weinig of niets over de behandeling van de zieken, hoewel een medisch doctor (Heinrich Christian Macklot) en twee chirurgijns (Frans Ovink en Pieter Cornelis van Dura) zich aan boord van de Triton bevonden (232). Het valt op dat weinig over het klimaat wordt gerept, tenzij in vage bewoordingen, en dat men geen temperatuurmetingen vermeldt. Men heeft de indruk dat ervaring opgedaan in de VOCweinig in praktijk was omgezet. De mislukking van de kolonisatie was goeddeels te wijten aan het feit dat Nieuw-Guinea te afgelegen en te onherbergzaam was. De voordelen voor een duurzame exploitatie waren te schaars.

Dankzij de zeer grondige inleiding van Mörzer Bruyns is dit volume, gewijd aan een koloniale expeditie in Nieuw-Guinea, voor historici leerrijk in vele opzichten. Hoewel de expeditie in haar koloniaal opzet niet succesrijk is geweest, werd nochtans heel wat hydrografische kennis opgedaan. Tal van kaarten en schetsen zijn in het boek opgenomen, hoewel niet steeds duidelijk afleesbaar afgedrukt (335-344). Op de koop toe zijn talrijke afbeeldingen van botanische, zoölogische en etnografische aard (over de plaatselijke bevolking, hun werktuigen, vaartuigen en wapens) toegevoegd (345-358). Het volume wordt afgesloten met bijlagen, met onder meer biografische schetsen van Modera en Van Delden (327-334), een glossarium van in het Maleis en andere talen gebruikte woorden (359), een Engelse samenvatting, indices op persoonsnamen, scheepsnamen en geografische namen. Kortom, een zeer gedocumenteerde wetenschappelijke bronnenuitgave die zonder twijfel bijdraagt tot onderzoek naar de Nederlandse koloniale geschiedenis.