Binnen de geschiedschrijving over de vrijmetselarij is sedert een jaar of tien een opmerkelijke belangstelling gegroeid voor de rol van dergelijke broederschappen in koloniale contexten. Die ontwikkeling zette zich min of meer in met de publicatie van Jessica Harland-Jacobs’ Builders of Empire (2007) waarbij de integrerende rol van de loges als loyaliteit scheppende structuren binnen het Britse imperium van nabij werd bekeken. Recent nog publiceerde Simon Deschamps zijn Sociabilité maçonnique et pouvoir colonial dans l’Inde britannique (2019) waarbij hij dieper ingaat op de complexiteit van de Indische casus. Fascinerend is ook hoe in dit onderzoek de rol van de vrijmetselarij als faciliterende factor werd bekeken bij het overgaan van bepaalde gebieden van de ene naar de andere Europese koloniale macht, zoals onder meer in het ongepubliceerde proefschrift van Brinda Venkayah over de vrijmetselarij op Mauritius (2017) aan bod kwam. Precies dit laatste punt staat ook centraal in het korte boekje dat Roy Jordaan – een specialist op het gebied van Hindoe-Javaanse archeologie en kunstgeschiedenis – wijdde aan Java tijdens het Britse tussenbestuur (1811-1816).

Jordaan stelde vast wat ook in andere studies telkens weer mocht blijken: de wel erg sterke aanwezigheid van de vrijmetselarij onder de kolonisten. Hoewel de Nederlandse kolonisten op Java misschien niet zo overweldigend werden gekenmerkt door hun maçonnieke lidmaatschappen als bijvoorbeeld bij de kolonisten op de Frans-Caraïbische eilanden het geval was, er kan evenwel niet naast worden gekeken dat de verstrengeling tussen de loges en de koloniale elites vrij groot was. Wat Jordaan daarmee vooral wil aantonen is dat die band tussen vrijmetselarij en koloniale elites bij de Britse aanwezigheid op Java in de laatste jaren van de Napoleontische periode ook een rol heeft gespeeld. Centraal daarbij staan de inwijding en de verdere ‘bevorderingen’ van Thomas Stamford Raffles – een sleutelfiguur in de Britse koloniale projecten in Oost-Azië, vooral bekend als ‘stichter’ van Singapore – in Nederlandse loges op Java. Rondom dat individuele lidmaatschap brengt Jordaan een breder verhaal waarbij de nadruk ligt op de grote mate van waarschijnlijkheid dat maçonnieke contacten tussen Britse bestuurders (zoals Lord Minto) en hun Nederlandse tegenhangers (zoals Nicolaus Engelhard) een belangrijke rol hebben gespeeld in het vlotte verloop van de tijdelijke wisseling van de wacht op Java. Dit alles wordt uiteengezet in een vrij kort betoog (15-86) dat wordt gevolgd door een lange reeks bijlagen die een rijke documentatie bieden over de vrijmetselarij zoals die zich op Java in de eerste jaren van de negentiende eeuw manifesteerde.

Het leidt geen twijfel dat de vrijmetselarij als nuttige smeerolie kon dienen in de machinerie van de koloniale contacten. Maar het risico bestaat wel dat het reële gewicht van die contacten enigszins wordt overschat en dat men maçonnieke elementen gaat zien waar die op geen enkele wijze te staven zijn. Hoe belangrijk was het vrijmetselaar-zijn immers voor deze of gene in een welbepaalde historische context? In zijn betoog stelt de auteur dat vrijmetselarij als een ‘levensovertuiging’ kon gelden – dat is minstens voor discussie vatbaar – en laat het meermaals uitschijnen hoe belangrijk die maçonnieke activiteit voor de betrokken individuen wel moet zijn geweest, bijvoorbeeld omwille van het verkrijgen van een inwijding in hoge graden (79). Daarmee zet Jordaan zich af tegen Victoria Glendinning, een biografe van Raffles, die stelt dat voor hem de vrijmetselarij niet veel meer was dan ‘a private “club” that no public man could ignore’ (80). Nu mag wel degelijk worden gesteld dat de vrijmetselarij voor velen in de vroege negentiende eeuw inderdaad slechts een sociabiliteit was, waar het ‘de bon ton’ was om bij te horen, maar dan ook niet meer dan dat. Hebben we in dit boek indicaties dat dit voor Raffles anders was? Eigenlijk niet, want de these als zou een inwijding in de Rozenkruisersgraad daarop wijzen, is – zoals ik al suggereerde – betwistbaar. Velen hebben deze graad gekregen, zeker prestigieuze figuren die de kapittels (loges voor dergelijke ‘hogere’ graden) graag op hun ledenlijst hadden staan, maar voor wie de persoonlijke betekenis ervan naderhand relatief bleek te zijn. Om te kunnen aantonen dat Raffles wel degelijk een bevlogen vrijmetselaar was, heeft men meer aanwijzingen en bronnen nodig die dat kunnen staven; bij gebrek aan raadpleging van de Britse archieven dienaangaande is dat dus bezwaarlijk hard te maken. Vaak verwijst de auteur ook naar de waarschijnlijkheid van een en ander (het heeft er ‘alle schijn van’ dat . . .) en doet hij veronderstellingen die alles wel beschouwd dicht aanleunen bij de fantasmen die over de vrijmetselarij gangbaar waren (of zijn . . .). Zoals bijvoorbeeld de stelling dat bij contacten tussen Raffles en Minto de eerstgenoemde niet zou hebben geschroomd om ‘geheime symbolen en codes uit de vrijmetselarij’ (45) te gebruiken. Alsof vrijmetselaars die hooguit enkele keren per jaar een loge bezochten voortdurend signalen zouden uitzenden naar anderen die daar ook sporadisch binnenliepen. Dat lijkt mij nu niet waarschijnlijk. Op dezelfde wijze worden ook maçonnieke toespelingen gezocht in teksten die deze wat mij betreft – na toch dertig jaar onderzoek in deze materie – helemaal niet bevatten, ook niet tussen de regels (bijvoorbeeld in Engelhards afscheidsbrief op pagina 72).

Hoewel deze studie mooi bronnenmateriaal naar boven haalt en een interessant onderzoeksdomein aansnijdt, neigt de interpretatie niettemin soms te zeer naar wat ik elders als ‘maçonnomanie’ heb omschreven, dat wil zeggen die vreemde drang om absoluut overal maçonnieke verwijzingen te willen zien.1 Soms zijn die er wel degelijk, maar veelal hoeft men daar niets over te veronderstellen: ze zijn dan bijna altijd duidelijk aantoonbaar in de bronnen. Een verklaring voor de afwezigheid van maçonnieke verwijzingen moet men overigens niet ver gaan zoeken. In vele gevallen, zeker in een Britse context, was het maçonnieke toebehoren voor individuen immers slechts van uiterst beperkte betekenis, precies zoals Glendinning het stelde. Dat door een toevallige maçonnieke handdruk internationale contacten al eens werden vergemakkelijkt, is ongetwijfeld zo en zeker in koloniale contexten was daar meermaals aanleiding toe, maar doorgaans houdt het daar wel op.