Het Duitse bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940 staat in het Nederlandse collectieve geheugen gegrift. Hoewel er onder academici nog steeds discussie bestaat over de vraag of hier sprake was van een oorlogsmisdaad, is algemeen bekend dat bij de aanval van de Luftwaffe honderden mensen om het leven kwamen, duizenden gewond raakten en een groot deel van de binnenstad in de as werd gelegd. Veel minder bekend is dat bij Britse en Amerikaanse bombardementen op Rotterdam en omgeving veel meer slachtoffers vielen. De honderden aanvallen die de geallieerden op de Maasstad en de directe regio uitvoerden zijn opmerkelijk genoeg grotendeels in de vergetelheid geraakt, afgezien wellicht van het Amerikaanse bombardement van 31 maart 1943, waarbij honderden Rotterdammers om het leven kwamen.

Deze geschiedenis wordt op uitmuntende wijze voor het voetlicht gebracht door Jac. J. Baart en Lennart van Oudheusden in Target Rotterdam. De geallieerde bombardementen op Rotterdam en omgeving, 1940-1945. Over deze bombardementen zijn eerder wel een paar deelstudies geschreven die zijdelings aandacht besteden aan de geallieerde bombardementen, zoals Hans van der Pauws Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog, Hans Onderwaters En toen was het stil en Paul van de Laars Stad van formaat. Rotterdam in de negentiende en twintigste eeuw. Ook in de regionale pers verschenen met enige regelmaat artikelen over de Britse en Amerikaanse luchtaanvallen op Rotterdam, maar een uitgebreide synthese ontbrak tot nu toe. Die is er nu, en de auteurs zetten op basis van uitgebreid primair bronnenonderzoek op indrukwekkende wijze uiteen waarom Rotterdam en omgeving zo’n gewild doelwit waren voor de geallieerde luchtmachten. Het boek is prachtig geïllustreerd en bevat een aantal zeer gedetailleerde bijlagen, waaronder een uitgebreid overzicht van alle luchtaanvallen in de regio Rotterdam en de burgerslachtoffers die daarbij vielen.

Rotterdam en omgeving waren een belangrijk doelwit voor de geallieerden, zeker in de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog: de havens en de daar gevestigde industrie lagen relatief dichtbij Engeland en waren dus makkelijk te bereiken, er bevonden zich grote olievoorraden en een belangrijke chemische sector, en de haven was belangrijk voor de Duitse Kriegsmarine. De Britse en Amerikaanse vliegtuigbemanningen hielden er volgens Baart en Van Oudheusden overigens een ruime definitie van Rotterdam op na: ‘Zij hadden normaliter geen notie van het bestaan van specifieke gemeenten als Schiedam of Vlaardingen’ (27). De Maasstad was ook vaak de eerste operationele missie van nieuwe RAF-bemanningen, zeker tussen mei 1940 en januari 1942: ‘Rotterdam was als freshmens target uitermate geschikt vanwege de kleinere kans op Duitse tegenstand op weg naar het doel en vanwege de relatief goede mogelijkheden op identificatie bij duisternis door de aanwezigheid van havenbekkens en waterwegen. [...] De gunstige ligging van de regio Rotterdam was een belangrijke factor bij de doelwitselectie’ (371).

Bij de geallieerde luchtaanvallen ging veel mis en vielen onbedoeld vele burgerslachtoffers. In de eerste jaren van de oorlog was het volgens Baart en Van Oudheusden ‘droevig gesteld met de effectiviteit van de nachtelijke operaties van [het Britse] Bomber Command’ (180). Dit werd ook bevestigd door het zogenoemde Butt Report van 1941, dat concludeerde dat ‘slechts een derde van de [Britse] bemanningen enigszins in de buurt van het doelwit was geweest, namelijk binnen een straal van vijf mijl’ (181). Slechts twintig procent bombardeerde binnen die straal, wat nog niets zegt over de vraag of het doelwit daadwerkelijk werd getroffen. Britse luchtaanvallen in juni 1940 op de in opbouw zijnde Duitse invasievloot haalden weinig uit. De auteurs merken daar fijntjes over op: ‘Ook in het donker werden aanvallen op binnenvaartschepen in Rotterdam ondernomen, maar dat leverde zo mogelijk nog minder op. Bij die aanvallen werden in totaal een stuk of dertig koeien de voornaamste slachtoffers.’ (87)

Baart en Van Oudheusden constateren dat sommige van de geallieerde luchtaanvallen vooral een propagandistische waarde hadden, die in geen verhouding stonden tot de geleden verliezen. Bij Britse aanvallen in augustus 1941 verloren de aanvallers vijftien vliegtuigen en meer dan twintig gesneuvelde piloten. Winston Churchill vergeleek de aanvallen met de even zinloze ‘charge of the Light Brigade’ tijdens de Krimoorlog op 25 oktober 1854: ‘The devotion and gallantry of the attacks on Rotterdam and other objectives are beyond praise. The charge of the Light Brigade at Balaclava is eclipsed in brightness by these almost daily deeds of fame.’ (177)

De auteurs slagen er uitstekend in om de aandacht van de lezer constant vast te houden. Technische beschrijvingen worden afgewisseld met goed gekozen ooggetuigenverslagen, zowel van Rotterdamse burgers die de bombardementen en de ermee samenhangende gruwelen meemaakten, als van de Britse en Amerikaanse vliegers die hun doelen onder vuur namen. Een van laatstgenoemden was Paul Tibbets, die in augustus 1945 de atoombom op Hiroshima zou afwerpen. Hij noteerde dat een missie op 21 augustus 1942 ‘een ervaring was om nachtmerries van te krijgen’, al ‘kregen we door deze missie meer respect voor onze B-17’s, hun uithoudingsvermogen en hun vuurkracht’ (236).

Dat die enorme vuurkracht desastreus uit kon pakken, werd duidelijk op 31 maart 1943, toen de Amerikaanse bommen hun doel misten en een groot deel van het gebied in Bospolder-Tussendijken vernietigden. Hoewel het exacte dodenaantal onbekend is en dat volgens de auteurs wel ‘zo zal blijven’ (284), vielen er zeker meer dan vierhonderd doden. Voor de betrokken burgers was het een gruwelijke ervaring, die de auteurs door de vele ooggetuigenverslagen bijna invoelbaar maken. Zo noteren zij: ‘Die 31e maart was er een meisje getuige van hoe bij haar thuis een vrouw werd binnengebracht die beide benen en een arm miste. Ze was nog bij kennis, balde aan de ene arm nog een vuist en gilde: “Maak me dood!” Die gebalde vuist met schreeuw bleef voorgoed in haar geheugen gekerfd.’ (283)

In de epiloog gaan Baart en Van Oudheusden in op de vraag welke effecten de geallieerde bombardementen op Rotterdam en omgeving hebben gehad. Ze komen tot de heldere conclusie dat de successen, die ontegenzeggelijk ook geboekt werden, ‘nauwelijks in verhouding stonden tot de grote inzet: bijna 1400 individuele vluchten op ruim 250 dagen of nachten, 1390 ton aan brisantbommen. En helaas staken de successen ook wat schril af bij het aantal misworpen waarbij burgerslachtoffers vielen in woonwijken’ (377). De historiografie over de Tweede Wereldoorlog in Nederland is een standaardwerk rijker.