Na de tweedelige De geschiedenis van Drenthe door Wijnand van der Sanden en Michiel Gerding, waarvan het archeologisch perspectief voor mediëvisten in het bijzonder lezenswaardig is, verscheen in 2018 nog een lijvige studie over de middeleeuwse geschiedenis van Drenthe. De Leidse hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis Peter Hoppenbrouwers geeft in Village Community and Conflict in Late Medieval Drenthe een levendige analyse van het plattelandsleven in deze ‘boerenrepubliek’ (336), gelegen aan de rand van het Heilig Roomse Rijk. Met zijn keuze voor een Engelstalig boek beoogt hij laatmiddeleeuws Drenthe nadrukkelijk op de internationale historiografische kaart te plaatsen. Dat de regio op weinig aandacht van historici kan rekenen, is niet verrassend: er woonden overwegend boeren in het dunbevolkte en arme Drenthe, die weinig historische sporen hebben nagelaten. Toch haalt Hoppenbrouwers met een buitengewoon gedetailleerd en boeiend betoog deze boeren uit de vergetelheid.

Het onderzoek is voornamelijk gebaseerd op een zorgvuldige analyse van ongeveer 6000 vonnissen van de Etstoel, het hoogste gerecht in Drenthe, uit de periode 1399-1518, die grotendeels door Frank Keverling Buisman zijn uitgegeven (1987/1994). Deze korte ordelen zijn om taalkundige redenen (lokaal dialect) en hun beknoptheid (alleen korte uitspraken zijn opgetekend) bijzonder lastig te lezen en te duiden. Hoppenbrouwers is bij uitstek de specialist om zich vast te bijten in zo’n bron. Hij doet dit vanuit een sociaal-economische invalshoek, die voortbouwt op inzichten uit de Engelse, Franse en Duitse historiografie over middeleeuwse dorpssamenlevingen. Verder maakt Hoppenbrouwers gebruik van verschillende edities van het Drentse landrecht, dat in 1412 door de landsheer, bisschop Frederik van Blankenheim, voor het eerst werd uitgevaardigd. Het beperkte bronmateriaal is overwegend juridisch van aard, waardoor Hoppenbrouwers ook een belangrijke bijdrage levert aan de kennis over de rechtshistorische ontwikkelingen in laatmiddeleeuws Drenthe. Uit de normatieve keuren en de praktische vonnissen valt af te leiden dat het gebied een goed georganiseerde rechtspraktijk kende en dat rechtsprocedures voor een behoorlijk deel schriftelijk werden vastgelegd.

In een lange inleiding, die opgeknipt had mogen worden, zet Hoppenbrouwers, in de Wageningse traditie, de historische context van laatmiddeleeuws Drenthe systematisch uiteen. Kenmerkend waren de relatief arme zandgronden, waardoor het gebied dunbevolkt bleef en het land grotendeels in bezit van boeren was. Er waren nauwelijks adellijke heren of religieuze instellingen gevestigd. Het gebied viel onder direct gezag van de bisschop van Utrecht, maar zijn bemoeienissen met Drenthe bleven beperkt, waardoor de ongeveer 130 dorpen een groot stempel drukten op juridische praktijken. Volgens Hoppenbrouwers moet het dorp, of buurschap, in deze context begrepen worden als een tweeledig collectief lichaam: enerzijds het dorp als nederzetting met lokale bestuursautonomie; anderzijds het dorp als gemeenschap van ingezetenen. Het buurschap beschikte binnen zijn marke, of dorpsterritorium, over een buurmarke, de gemene gronden. In de vijftiende eeuw vielen de belanghebbenden (markegenoten) in de buurmarke of marke niet altijd samen met de buren, maar marken of buurmarken kenden geen zelfstandige organisatie. Tot slot was Drenthe georganiseerd in zes dingspelen (districten), die onderverdeeld waren in 36 kerspelen: dit waren tegelijk parochies en lokale bestuurlijke rechtsgebieden onder het gezag van een schout, waaronder de buurschappen dan weer vielen.

In het derde hoofdstuk zet Hoppenbrouwers de rechterlijke organisatie en juridische procedures uiteen. Het buurschap was de laagste rechtsprekende en wetgevende instantie: de buurrocht werd bijeengeroepen door de schout van het kerspel waarbinnen een dorp viel (en in sommige gevallen door de drossaard, de vertegenwoordiger van de bisschop) om lokale keuren uit te vaardigen en recht te spreken in criminele, contentieuze en vrijwillige zaken. Vervolgens functioneerden er dingen of goorspraken als hogere rechtbank op bovenlokaal niveau, terwijl de Etstoel, eveneens voorgezeten door de drossaard, de hoogste juridische instantie was in Drenthe. Vanaf 1411 kozen de drossaard en het gemene land van Drenthe elk twaalf etten, uit een lijst van kandidaten die door de dingspelen werden voorgedragen. Deze gezworenen waren eigenerfde boeren, die driemaal per jaar met de drossaard bijeenkwamen om recht te spreken en beroepszaken te behandelen. De registers met ordelen van de Etstoel zijn bewaard gebleven en het functioneren van de andere organen heeft Hoppenbrouwers grotendeels daaruit afgeleid. Een deel van de uitspraken van de Etstoel had betrekking op kwesties over juridische procedures en competenties die voortkwamen uit deze juridische gelaagdheid, waarbij de Drentse wereldlijke rechtbanken ook positie moesten innemen ten opzichte van bijvoorbeeld kerkelijke rechtbanken of rechtbanken in omliggende landen.

De kern van het boek beslaat drie hoofdstukken die ingaan op de vraag wat de juridische bronnen onthullen over de middeleeuwse Drentse plattelandssamenleving. Hoppenbrouwers behandelt, ten eerste, het optreden van dorpsgemeenschappen bij conflicten met andere dorpen of met individuen. Uit de beroepszaken bij de Etstoel blijkt dat met name de afgrenzing en het gebruik van de gemene gronden leidden tot conflicten; daarnaast waren er kwesties over fiscale zaken en het onderhoud aan publieke infrastructuur. De bestuurlijke macht van de dorpen om wetgeving af te dwingen was beperkt, waardoor het juridisch systeem was gericht op het voorkomen en oplossen van conflicten, bijvoorbeeld door middel van arbitrage. Uit de bronnen leidt Hoppenbrouwers verder af dat de gemene gronden in de late middeleeuwen meer economische waarde kregen, wat tot uitdrukking kwam in de omzetting van collectieve naar private gebruiksrechten en de vervreemding daarvan. Dit proces leidde tot conflicten over toegang en het beheer van gemene gronden. Kwesties over fiscale zaken geven inzicht in de sociale relaties op dorpsniveau, omdat bepaalde belastingen drukten op grondbezitters die van de gemene gronden gebruik mochten maken. Op basis van deze gegevens beredeneert Hoppenbrouwers in het inleidende hoofdstuk tevens dat er zich halverwege de vijftiende eeuw een voorzichtig demografisch herstel inzette in Drenthe en dat ongeveer tachtig procent van de erven rond 1500 in handen waren van boereneigenaren.

Na het dorp als collectief komt in het vierde hoofdstuk het thema bloedwraak en vetevoering aan de orde – een onderwerp dat aan de basis lag van het onderzoeksproject waaruit de studie voortkomt – om meer inzicht te geven in de betekenis van verwantschap. Bloedwraak na doodslag was bijvoorbeeld toegestaan in laatmiddeleeuws Drenthe, maar wel aan regels gebonden. De Etstoel werd regelmatig betrokken bij de afhandeling van zware misdrijven en verzoeningsprocedures. In meerdere opzichten speelden verwanten (maagtal) bij deze zaken een rol door hun juridische en financiële aansprakelijkheid, al kwam de nadruk in de vijftiende eeuw meer op de individuele verantwoordelijkheid te liggen. Verder is het opvallend dat de bronnen wijzen op het bestaan van boerenveten, zoals ook elders in de Duitse landen, waarbij niet-adellijke belangengroepen, of misschien beter gezegd bendes, langdurig geweld tegen elkaar gebruikten.

In het laatste hoofdstuk staat de familie in engere zin centraal. De intergenerationele bezitsoverdracht door vererving en huwelijk leidde tot veel juridische conflicten tussen echtelieden, erfgenamen en families, ondanks de brede betrokkenheid van familieleden bij beslissingen over bezitszaken (voor zover er sprake was onroerend goed met enige waarde). Volgens Hoppenbrouwers worden deze conflicten verklaard door de opvatting dat het kernbezit (erve) niet toebehoorde aan individuen maar aan het geslacht, waarvoor hij aanvullend bewijs vindt in het geringe gebruik van testamenten om erfrechtelijke bepalingen te omzeilen en het belang dat de Drenten aan het naastingsrecht (naarcoop) hechtten.

Hoppenbrouwers slaagt, zoals hij zelf toegeeft, beter in het in kaart brengen van de rechtelijke en gewoonterechtelijke praktijken in laatmiddeleeuws Drenthe, dan in het daaruit afleiden van het sociaal handelen van de buren, magen en familieleden die de plattelandssamenleving gestalte gaven. Hij geeft niettemin aan de hand van de keuren en vonnissen op een afgewogen en onderbouwde wijze inzicht in hoe de veelvuldige conflicten en de daarvoor gevonden al dan niet juridische oplossingen, die gericht waren op het beteugelen van geweld, samenhingen met de verantwoordelijkheden en sociaaleconomische positie van dorpelingen en hun verwanten. De vele voorbeelden geven deze specialistische studie een stevig empirisch fundament, maar maken van het betoog – mede door de gekozen indeling en korte paragrafen – geen toegankelijk of vlot leesbaar verhaal, terwijl de auteur toch een begaafd verteller is. Verder is het jammer dat Hoppenbrouwers voor de theoretische duiding van voorbeelden rijkelijk put uit de internationale literatuur, maar weinig vergelijkingen trekt met andere regio’s in de Nederlanden (de studies van bijvoorbeeld Maïka de Keyser en Eline Van Onacker over de laatmiddeleeuwse Kempen verschenen daarvoor te laat). De regionale verschillen lijken namelijk op het eerste gezicht klein, ondanks de grote verscheidenheid in economische en politieke structuren. Tot slot is een kritische opmerking over de uitgave op zijn plaats: hoewel er een flink bedrag op tafel gelegd moet worden voor het boek, zijn de vormgeving en tekstopmaak gedateerd. Van een uitgever mag ook verwacht worden dat er nieuw kaartmateriaal met Engelse namen wordt vervaardigd. De inhoudelijke relevantie van deze studie voor de geschiedenis van Drenthe, alsook de middeleeuwse rechts- en plattelandsgeschiedenis in het algemeen, staat echter buiten kijf.