In Common Women (1996), een studie over prostitutie in middeleeuws Engeland, stelde de historica Ruth Mazo Karras dat schrijvers van vrouwengeschiedenis eigenlijk altijd voor een fundamenteel probleem staan: leg je het accent op oppression of op empowerment? Deze spanning tussen patriarchale onderdrukking en erkenning van het daardoor voortgebrachte leed enerzijds, en de veelheid aan initiatieven en strategieën van vrouwen anderzijds, is meer dan twintig jaar later nog steeds relevant. Wijvenwereld legt in relatie tot dit spanningsveld duidelijk de nadruk op het tweede. Jelle Haemers, Andrea Bardyn en Chanelle Delameillieure stellen in dit overtuigende boek dat vrouwen in Brabant tussen 1300 en 1600 geen machteloze massa vormden, maar ‘meer vrijgevochten [waren] dan we denken’. Dit blijkt uit hun boeiende speurtocht door, onder andere, grote series rechtsbronnen. Het is duidelijk hoe opwindend sommige vondsten waren, zoals het succesverhaal van een zekere Janne Schuts, die zich ontwikkelde tot invloedrijke Antwerpse geldschieter, met tientallen grote transacties op haar naam. Of de veroordeling van drie dames voor tovenarij, die het hoofd en de hand van een gehangen dief hadden geroofd om te gebruiken in geheimzinnige rituelen. Het geheel heeft geresulteerd in een nieuwe visie en de vermelding van onbekende vrouwen die ‘de geschiedenisboeken nog niet haalden, maar wel onze geschiedenis hebben vormgegeven’.

Sinds haar opkomst in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw is vrouwengeschiedenis inmiddels een volwassen onderzoeksveld, dat ook steeds meer in de publieke belangstelling staat, bijvoorbeeld met het succes van Els Kloeks 1001 Vrouwen. Wijvenwereld haakt in op deze trend met een verdere afbraak van de stereotypen van oppressie en passiviteit van middeleeuwse vrouwen. In plaats van de kleine groep met grote faam of de vrouwen aan de onderkant van de samenleving, richt dit boek zich op de vaak lastig zichtbare ‘middengroepen’. De stedelijke middengroepen om precies te zijn, aangezien het best bewaarde materiaal voor deze periode in lokale stadsarchieven ligt. Het boek is thematisch gestructureerd, met wat onvermijdelijke maar niet storende overlap, rondom respectievelijk levensloop, arbeid, ondernemerschap, religie, seksualiteit, liefde en relaties, en de subversieve kanten: van criminaliteit en prostitutie tot politiek verzet. Naast de artikelen van de drie hoofdauteurs zijn er aanvullende bijdragen van Kim Overlaet, die een uitstekend overzicht van de begijnenbeweging geeft, en Nena Vandeweerdt, die de werkende vrouwen en de ambachten onderzocht.

Het boek biedt een brede schets met veel levendige, prikkelende voorbeelden uit de gevonden rechtszaken, tevens geïllustreerd met verhalende bronnen, zoals de reisverslagen van Lodovico Guicciardini en poëzie van Anna Bijns. Dit wordt afgewisseld met af en toe een meer kwantitatieve onderbouwing. Zo wordt bijvoorbeeld duidelijk dat ruim de helft van de stadsjongens en -meisjes tot hun veertiende jaar een zeer vergelijkbare basisopleiding genoot in de stadsscholen en via religieuze instituties. Hoofdstukken 1 en 2 laten zien dat de middeleeuwse samenleving in de praktijk een grote pluriformiteit aan (liefdes)relaties kende. Het boek is daarmee een essentiële correctie op de vertekening die is ontstaan door de mores van de elites, zoals een overspannen huwelijkspolitiek met onmogelijkheid van scheiding, voor standaard aan te nemen. Vooral het wel en wee van de stedelijke middengroepen leek meer op de situatie van tegenwoordig dan vaak wordt aangenomen: met gemiddeld twee tot vier kinderen, koppels die in de loop van hun twintigste huwden, maar vaak al voordien samenwoonden, en regelmatig ook niet hun hele leven samenbleven – scheiding ‘van tafel en bed’ was een officieel erkende status. De fascinerend vage scheidingslijnen van huwelijk gaven echter ook ruimte voor misbruik, zoals trouwbeloften die nooit werden ingelost. Vrouwen werden bovendien geregeld slachtoffer van geweld, wat beeldend wordt besproken aan de hand van het fenomeen van schaking: ontvoering of zelfs verkrachting en gedwongen huwelijk. Schaking was echter ook een strategie van verzet en ontsnapping, om bijvoorbeeld onder de dwang van ouders uit te komen.

Een sociaal netwerk en familievangnet waren essentieel in het bepalen van de stabiliteit van de levens van vrouwen. Vrouwen konden als deel van het gezin en gezamenlijk huishouden ook profiteren van de afwezigheid van grenzen tussen werk en huiselijk leven, zoals wanneer dienstmeisjes wat van een ambachtsopleiding meekregen in ruil voor goedkope arbeid. Dit laatste leverde, net als bij de vele begijnen die in de textielnijverheid bedrijvig waren, conflicten op met andere ambachtslui. Begijnen hadden om deze en andere redenen dan ook meer gelijkenissen met andere stedelijke alleenstaande vrouwen, en meer parallellen met ambachten dan met het kloosterleven. De analyse van subversief gedrag laat ten slotte zien hoe belangrijk publieke reputatie was, gezien de sancties op verbale conflicten, beledigingen en roddel, onder andere door publieke boetedoening. Hoewel vrouwen altijd een kleine minderheid in criminele registers waren, speelden zij toch ook een aantoonbare rol in zowel illegale activiteiten alsook in politiek verzet.

‘De middeleeuwse vrouw’, zo concludeert Wijvenwereld, bestond niet. Sociaaleconomische stand, levensfase, en al dan niet juridische competenties, beroepsgroep en stad, laten juist een grote variëteit in status zien. Gegoede weduwen in het bijzonder hadden vaak een sterke positie, maar ook meer in het algemeen hadden vrouwen in de stedelijke middengroepen relatief veel mogelijkheden. Relatief in vergelijking met de rest van middeleeuws Europa en in vergelijking met latere eeuwen; meerdere malen vermelden de auteurs het ontstaan van nieuwe barrières voor de economische en juridische competenties van vrouwen in de loop van de vijftiende eeuw.

Hoewel algemeen geïnteresseerden dit boek anders zullen lezen dan specialisten op het gebied van vrouwen- en stadsgeschiedenis, zijn de voornaamste bezwaren vanuit academische hoek te verwachten. Het boek is thematisch breed opgesteld, maar biedt mede daardoor niet altijd evenveel verbinding tussen de individuele voorbeelden en de algemene stellingen. Het blijft daarmee soms onduidelijk in hoeverre de aangehaalde zaken uitzonderlijk zijn binnen het verzamelde corpus. De verschillen van stad tot stad worden wel aangestipt maar niet verklaard, al is dit boek wellicht ook niet de aangewezen plaats voor deze complexe uitdaging. Wijvenwereld geeft daarom vooral ook aanleiding tot verdere verkenningen, bijvoorbeeld naar de vraag wie vrouwenparticipatie reguleerde en waarom. Kwam het initiatief daartoe immers niet ook vaak vanuit het ‘midden’ of van onderop, zoals de aangehaalde klachten van inwoners over prostituees of de ambachtsconflicten suggereren? Een ander vraagstuk betreft het criminaliteitsaandeel van vrouwen. Dit lag namelijk in vroegmodern Holland substantieel hoger dan in vijftiende-eeuws Brabant. Hoe zou dit verschil te verklaren zijn, en valt het te rijmen met de notie dat de juridische positie van vrouwen na 1500 juist verslechterde? Ten slotte lijkt het laatste woord nog niet gezegd over de aard van seksueel subversieve plaatsen zoals quade herbergen – wat betekende dit precies? – en de verhouding tussen bordeel-badhuizen en de populaire stedelijke badcultuur.

Dergelijke aandachtspunten zijn echter eerder verdiensten van het boek dan kritiek. Wijvenwereld slaagt erin nieuw bewijsmateriaal en recente inzichten samen te brengen in een prettig leesbaar en mooi vormgegeven overzichtswerk, met prachtige illustraties. Het heeft, kortom, alles in zich om een groot publiek te bereiken. De gebruikte voorbeelden zijn fascinerend, soms grappig, en vooral zeer effectief in het creëren van een wereld op zich.