In Het ambachtelijk bedrijf in de laatmiddeleeuwse stad onderzoekt Rien Huiskamp de bedrijfsvoering en arbeidsverdeling van ambachten in de laatmiddeleeuwse Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Aan de hand van archeologische (materiële en experimentele) en schriftelijke (ambachtskeuren) bronnen analyseert hij zo in welke mate de laatmiddeleeuwse ambachtenwereld een planmatige of gedifferentieerde productie volgde. Op die manier draagt dit boek bij aan de vele studies naar de invloed van ambachten op de stadseconomie (e.g. De Munck 2013, Ogilvie 2007, Epstein 2008, Howell 1986). Huiskamps invalshoek verschilt echter van de grootschalige institutionele studies. Hij kiest voor een microstoria, een gedetailleerde en vrij feitelijke kijk op de individuele ambachtsmeesters. Het boek zet nauwgezet de jaar- en weekcyclus van de ambachtswerkplaats uiteen. Productiewijze en -aantallen komen aan bod, net als belemmerende factoren en arbeidsregelingen. Dit gebeurt voor vier verschillende ambachten: pottenbakkers, brouwers, leerlooiers en vollers. Hier en daar missen de hoofdstukken historische en historiografische context, al geeft de auteur ook belangrijke inzichten mee over het laatmiddeleeuwse ambachtswezen.

Na een beknopte inleiding volgt in hoofdstuk twee de uiteenzetting van het pottenbakkersbedrijf. Archeologisch onderzoek richtte zich al vaak op dit ambacht, aangezien voornamelijk productieafval veelvuldig werd teruggevonden. De pottenbakkers gingen meestal planmatig en serieel te werk. In de meeste steden in de Nederlanden richtten ze zich minder op maatwerk dan op serieel werk en produceerden ze honderd tot vierhonderd stuks per week. Dit waren vooral voorwerpen voor dagelijks gebruik. Het aantal hing af van de arbeidsverdeling. Net als in andere ambachten maakten de meester-pottenbakkers gebruik van knechten en leerknapen en volgden ze dus de gekende ambachtsstructuur. Ondanks de gedetailleerde beschrijving van het ambacht zou een meer algemene uitleg over de organisatie van de ambachtenwereld zeker hebben bijgedragen aan de waarde van Huiskamps boek.

De brouwers, onderwerp van hoofdstuk drie, volgden in veel mindere mate die klassieke corporatieve indeling. Middelgrote laatmiddeleeuwse brouwerijen, veelal gelokaliseerd aan de waterlopen in de steden, bevatten tussen de vijf en de twaalf werkkrachten. Arbeid in deze werkplaatsen was, in tegenstelling tot in veel andere ambachten, niet slechts aan mannen toebedeeld. De keuren refereren eveneens naar ‘brouwsters’, ‘wringsters’ en ‘zakkenlapsters’. Bij kleinschalige productie werkten vrouwen vaak (al dan niet als meesters) in de brouwerijen. Bij meerdere en/of grotere stookplaatsen kwamen ze echter voornamelijk voor als loonwerkers. Hoewel Huiskamp aandacht besteedt aan de positie van vrouwen, ontbreekt in zijn boek de connectie aan het bredere historiografisch thema gender en werk. Wel maakt Huiskamp duidelijk hoe het stadsbestuur de bedrijfsvoering van de brouwers meer opvolgde dan die van andere ambachten. Het belang van het product voor de bevoorrading van de stad leidde tot veelvuldige keuren, die het ondernemerschap veelal uit handen namen van de individuele brouwers en brouwsters, en het stadsbestuur daardoor tot hoofdondernemer maakten.

Intensieve regulering was overigens gangbaar voor alle ambachten, zoals de andere hoofdstukken ook aantonen. De leerlooiers, die in hoofdstuk vier worden behandeld, moesten hier evengoed rekening mee houden. Knechten en leerknapen waren onderschikt aan strenge werkvoorwaarden en de huiden die ze looiden werden streng gekeurd. Dit was nodig, want het werk was niet zonder risico’s. Huiskamp toont doorheen het hele boek steeds gedetailleerd het kostenplaatje van de productie en de dagelijkse bekommernissen van de ambachtsmeesters. De weersomstandigheden, schommelingen in beschikbare werkkrachten, dure investeringen, reparaties en andere moeilijkheden komen in alle hoofdstukken steeds weer aan bod. Dit draagt enorm bij aan het begrip van de beleving van een laatmiddeleeuwse ambachtsmeester in zijn of haar dagelijkse leven. De micro-beschrijvingen laten helaas niet toe om ambachtsmeesters in de institutionele organisatie van de ambachten te situeren. Hun plaats in en belang voor de stedelijke economie en politiek, en het verschil hierin tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, komen nauwelijks aan bod.

Hoofdstuk vijf behandelt de laatmiddeleeuwse stedelijke vollerijen. Dit hoofdstuk concentreert zich veelal op het werk en de arbeidsverdeling in de werkplaats. Huiskamp stelt hier de interessante vraag of vollers zelfstandige ondernemers waren of eerder loontrekkers in dienst voor een drapenier. Het antwoord is niet eenduidig, aangezien niet alle vollersmeesters op dezelfde schaal werkten. Meesters die hun materiaal en lakens niet zelf bezaten, hadden niet zoveel zeggenschap als meesters die daar wel over beschikten. Hierbij besteedt het hoofdstuk ook aandacht aan het oproer dat soms door de ongelijke werkrelaties werd veroorzaakt. Een directe verbinding met de historiografie over de impact van opstanden en politieke macht van ambachten in de verschillende steden ontbreekt echter.

Aan de hand van vier hoofdkenmerken die archeologen voor het pottenbakkersambacht vastlegden, vergelijkt Huiskamp in hoofdstuk zes beknopt de vier ambachten. Die bespreekt hij per kenmerk (locatie van de werkplaats, continue productie voor de markt, de taak van de meester en de arbeidsverdeling) apart en beschrijvend. Daarna onderzoekt de auteur de mate waarin de verschillende ambachten planmatig te werk gingen en aan serieproductie deden, een hoofdthema doorheen het hele boek. De aandacht voor de productiecycli in de werkplaatsen (ook doorheen het boek) toont goed aan hoe meesters de beschikbare tijd en werkkrachten zo volledig mogelijk benutten. Pottenbakkerijen, brouwerijen en vollerijen gebruikten een weekcyclus. Leerlooierijen daarentegen werden sterk vertraagd in het proces en hun productiecyclus duurde minstens een half jaar. Toch lijken de productieaantallen voor de vier ambachten vooral te hebben afgehangen van de beschikbare infrastructuur en arbeidsaantallen.

De belangrijkste inbedding in een historiografisch kader komt aan bod in hoofdstuk zeven, de nabeschouwing. Huiskamp stelt hier de vraag of het ambachtswezen, zoals besproken in het boek, voldoet aan de kenmerken van een protokapitalistische samenleving. Kortom: werd de basis voor het kapitalisme inderdaad in de late middeleeuwen gelegd? Het seriële en planmatige karakter van de productie in de ambachtswerkplaatsen die in het boek beschreven worden, geven zeker enige indicatie van een protokapitalistische economie, maar een duidelijk antwoord op die vraag ontbreekt. Als eindnoot richt de auteur zich wel nog op de evoluties in de ambachtswerkplaatsen doorheen de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd, waarbij hij een duidelijke schaalvergroting weergeeft. Ondanks het occasionele tekort aan inkleding in de historische en historiografische context, biedt Het ambachtelijk bedrijf in de laatmiddeleeuwse stad een duidelijk overzicht van de bedrijfsvoering van de vier onderzochte ambachten, zoals de auteur zich dat ook had voorgenomen.