De staat van de Nederlandse cultuurgeschiedenis is er een van triomf en onbehagen. Aan de ene kant is er de grote expansiedrift van de cultuurgeschiedenis van de voorbije decennia. Alles is cultuur is dan ook de titel van de bundel die Remieg Aerts, Klaas van Berkel en Babette Hellemans samenstelden naar aanleiding van het emeritaat van Wessel Krul, tot 2016 hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Aan de andere kant vragen de redacteuren zich af wat er van de cultuurgeschiedenis overblijft als zij alles omvat en hoe zij zich in de toekomst zou moeten ontwikkelen, bijvoorbeeld ‘inzake de grote thema’s in de huidige samenleving als globalisering, identiteitspolitiek, multiculturalisme en moderne technologie’ (14).

In de vijftien ‘vensters op moderne cultuurgeschiedenis’ van deze bundel wordt meer teruggekeken en de balans opgemaakt dan nagedacht over de ‘uitdagingen [?] in de eenentwintigste eeuw’ (14). Alles is cultuur biedt daarmee een fijne proeverij van de ontwikkeling van de recente Nederlandse cultuurgeschiedenis en doet in onderwerpskeuze, gehalte en de regelmatige referenties naar Johan Huizinga recht aan het oeuvre van Krul. Veel van de auteurs hebben als generatiegenoten deelgenomen aan de triomftocht van de cultuurgeschiedenis. Hun bijdragen tonen dan ook de effecten van de cultural turn. Die culturele wending werd op haar beurt mogelijk gemaakt door een talige wending die een nieuwe definitie van cultuur mogelijk maakte. In die nieuwe definitie lag de nadruk op cultuur als een systeem van betekenisgeving door middel van representaties. Bijgevolg hoefde de cultuurgeschiedenis zich niet langer te beperken tot de afgeronde producten van de hoge cultuur, maar kon zij alle vormen van betekenisgeving bestuderen, ‘van de ontwikkeling van de wetenschap tot de evolutie van de monarchie en van de uitvinding van de fiets tot het gebruik van de smartphone’ (13).

In Alles is cultuur komt de expansie van de cultuurgeschiedenis vooral naar voren door de manier waarop haar benadering andere specialismen heeft doordrongen. In een mooi artikel bespreekt Josine Blok hoe rechtsgeschiedenis, politieke geschiedenis en godsdienstgeschiedenis van het antieke Griekenland zijn veranderd door een cultureel perspectief. Ons begrip van de Griekse polis-religie, het Griekse burgerschap en het Griekse rechtsbegrip zijn daardoor grondig herzien. Zowel Remieg Aerts alsook Henk te Velde tonen hoezeer de politieke geschiedenis is verbreed door de opname van thema’s als parlementaire welsprekendheid en de architectuur van het parlement.

Het essay van Mary Kemperink over getuigenissen van homoseksuelen rond 1900 laat evenzeer zien hoe cultuurhistorische benaderingen zijn verbreed en overlappen met, in dit geval, de literatuurgeschiedenis en de wetenschapsgeschiedenis. De vruchtbare vernieuwing die nog steeds van een cultuurhistorische benadering wordt verwacht, blijkt uit de bijdragen van Klaas van Berkel en Herman Paul. Zij pleiten voor een meer culturele blik op respectievelijk de universiteitsgeschiedenis en de geschiedenis van de geschiedschrijving. Als er in deze bundel al een tegenstem klinkt, dan is het slechts zachtjes, zoals in de uitgebreide geschiedenis van het begrip maniërisme door Henk Th. van Veen, die uitloopt op een oproep aan kunsthistorici die ‘voor hun eigen verhaal moeten opkomen’ (71).

In het nawoord bij de bundel vertrekt Peter Burke vanuit Huizinga’s beroemde essay over ‘De taak der cultuurgeschiedenis’. Opvallend afwezig bij Huizinga waren de contexten van cultuur: ‘sociaal, politiek, enzovoort’ (246). Dit gemis aan context is inmiddels – daarvan getuigt deze bundel net zozeer als het werk van Burke zelf – ruimschoots goedgemaakt. Maar waarom dan toch dat onbehagen? In de eerste plaats is dat door angst voor vormloosheid – volgens de redacteuren is de cultuurgeschiedenis door haar grote reikwijdte ‘onzichtbaar en onherkenbaar’ (13) geworden. Het is een probleem dat door Aerts, een van de redacteuren, in zijn eigen artikel wordt gepareerd. Inderdaad, de cultuurgeschiedenis werd ‘een benadering, een perspectief’ en daardoor minder herkenbaar. Maar: ‘is dat erg?’ (109) Als we onze subdisciplinaire ijdelheid kunnen laten varen, lijkt mij dat inderdaad geen probleem – herkenbaarheid is geen doel op zich.

Een tweede probleem is dat ‘de cultuurgeschiedenis in hoge mate een aangelegenheid voor ingewijden geworden’ is (14). De aangevoerde reden daarvoor is dat het grote publiek de door cultuurhistorici gebrachte nuance niet verteert. Die nuance is weer het gevolg van de ‘vele wendingen’ die de cultuurgeschiedenis heeft doorgemaakt (14). Theoretische pirouettes (spatial, visual, material enzovoort) zijn er zeker geweest, net als methodologische vernieuwingen. Maar die zijn uiteraard niet problematisch an sich, maar pas als theoretisch en methodologisch raffinement een doel op zich worden – denk aan digitale benaderingen in de cultuurgeschiedenis die tot nog toe eerder fundable dan vernieuwend zijn gebleken en in deze bundel verfrissend afwezig zijn.

De waarde van theorieën, methodes en concepten ligt in de manier waarop zij worden toegepast en door wie zij worden toegepast. Dat blijkt ten eerste uit Burke’s afsluitende opmerkingen over ‘Huizinga’s actualiteit’ (249), die de vernieuwingen in de cultuurgeschiedenis relativeren. Burke stipt immers nogmaals aan hoezeer Huizinga’s cultuurgeschiedenis vooruitwees naar latere antropologische benaderingen en subspecialismen, zoals de geschiedenis van emoties. Dit blijkt, ten tweede, uit de bijdrage van Jan Hein Furnée. Aan de hand van Rossini’s grand opéra Guillaume Tell bewijst Furnée wat de cultuurgeschiedenis vermag. Zijn interpretatie van Guillaume Tell heeft aan betekenislagen gewonnen door de incorporatie van politieke, sociale en economische ontwikkelingen, door te kijken naar hoge én lage cultuur, door creatie én receptie te bestuderen en daarbij gebruik te maken van het concept ‘culturele transfer’.

Dergelijke artikelen maken op een voorbeeldige manier duidelijk wat goede cultuurgeschiedenis kan zijn. Daarmee is Alles is cultuur ook een zeer bruikbare bundel voor het hoger onderwijs, zoals de redacteurs beogen. Zolang deze bundel alleen in het Nederlands beschikbaar is, zal die echter voor mijn eigen onderwijs aan de tweetalige opleiding aan de Utrechtse universiteit onbruikbaar blijven.