In dit meeslepende, vlot geschreven boek wordt een overzicht gegeven van een onderwerp dat in de Belgische historiografie nog niet zoveel aandacht heeft gekregen: de kinderen van gemengde komaf die – al dan niet gedwongen – uit de voormalige kolonie Ruanda-Urundi naar België werden gebracht en daar werden geadopteerd door Belgische gezinnen. Dit is volgens de achterflap van het boek naast een onbekende ook ‘een onthutsende passage uit onze geschiedenis’. Het ging hier veelal om buitenechtelijke kinderen die waren voortgekomen uit verbintenissen tussen Belgische koloniale bestuurders en Afrikaanse vrouwen. De kinderen werden door de koloniale autoriteiten geplaatst in een weeshuis dat door de Zusters van de Missie van Save werd geleid. Deze praktijk kent vele paralellen met andere koloniën en ‘white dominions’, zoals Nieuw Zeeland en Australië (de zogenaamde ‘stolen generations’), waar gemengde kinderen ook, vaak onder dwang, werden gescheiden van hun inheemse moeders en werden opgevoed in weeshuizen tot brave en nette Europese burgers. Dit was onderdeel van het koloniale beschavingsoffensief en het uit alle macht overeind willen houden van de kunstmatige hiërarchie van ‘superieure’ westerse, blanke kolonisator versus ‘inferieure’ inheemse gekoloniseerde. De kinderen van gemengde afkomst vormden een smet op die hiërarchie en hun verschijning als relatief blanken in een armoedige inheemse omgeving betekende een schande voor het westerse, blanke gevoel van prestige. Toen het kolonialisme op zijn einde liep, pasten deze kinderen, inmiddels vaak al volwassen, niet meer in de voormalige kolonie. Afhankelijk van de mate van verantwoordelijkheid die de voormalige Europese koloniale bestuurders nog voelden voor deze kinderen werden die naar het voormalige moederland gebracht. Onder de moeders heerste grote verwarring over het lot van hun kinderen. Vaak konden ze het contract dat ze moesten ondertekenen niet lezen en wisten ze niet of ze hun kinderen ooit nog zouden terugzien.

Naast België had ook Frankrijk een grote verantwoordelijkheid voor de Métis uit Frans Indochina, vermoedelijk gevoed door het idee dat iedere gekoloniseerde tot op zekere hoogte Frans kon worden (het Franse assimilatie-ideaal), maar dat sentiment speelde een veel minder grote rol in bijvoorbeeld voormalig Nederlands Oost-Indië en Brits-Indië. Een cruciaal verschil tussen Frankrijk en België, dat Heynssens zeer terecht opmerkt, is dat de moeders in Ruanda-Urundi geen afstand deden van hun ouderlijke rechten, terwijl de Vietnamese moeders dat in Frans-Indochina wel deden. Het is natuurlijk wel de vraag in hoeverre de Ruandees-Urundische moeders op de hoogte waren van de rechten die ze nog hadden.

Waren deze ‘mulatten’ kinderen (zoals ze worden genoemd in de Belgische context) gered of geroofd? Dit is maar de vraag en zeer afhankelijk van het perspectief van waaruit dit fenomeen wordt bezien. Het is van groot belang dit soort nuances in koloniale studies aandacht te geven, anders loopt men het risico slechts het dominante koloniale discours na te praten zoals vastgelegd door de kolonisator in het koloniaal archief. Nuanceren is een vaardigheid die de schrijfster van dit boek zeer goed beheerst. Waar dat maar mogelijk is, laat ze de betreffende kinderen of hun moeders zelf aan het woord, aangevuld met herinneringen van betrokken bestuurders van organisaties die in Ruanda-Urundi en in België actief waren. Op die manier biedt de schrijfster niet alleen een nuancering van het koloniaal discours, maar soms ook een noodzakelijke kritische noot.

In het eerste hoofdstuk worden de achtergrond en de context van het ‘mulatten’ probleem uitgebreid besproken. Zo komen onder andere het sociaal darwinisme en een aantal congressen waar het ‘mulatten’ probleem werd bediscussieerd aan bod. Dit zorgt voor een beter begrip van de de motieven achter het opvangen en het vervolgens naar België brengen van de kinderen, zoals dat verderop in het boek wordt besproken. Wat opvalt is het ontbreken van noten in de paragrafen van de inleiding die alle bestaande termen voor metissen behandelden. Dit is opmerkelijk voor een studie over een gemengde groep, waarvoor de termen en etiketten doorslaggevend zijn voor hun categorisering als voldoende Belgisch of niet, wat hun lot bepaalde: blijven in de voormalige kolonie, of een enkele reis naar België. Daarmee in verband staat het vermeende ontwikkelen van een aparte juridische categorie voor mensen van gemengde komaf in Frankrijk en in België. Kwam die er echt? Of waren de wetten voor metissen bedoeld voor het maken van onderscheid tussen hen die wel voor het Frans of Belgisch burgerschap in aanmerking kwamen en hen voor wie dat niet gold? Ook wordt in het begin van het boek het ontstaan van het ‘mandaatgebied’ Ruanda-Urundi beschreven, maar hier was een duidelijkere uitleg over het verschil tussen kolonie en mandaatgebied op zijn plaats geweest (ook als dat verschil in de praktijk niet zo duidelijk is). Los van deze marginale vraagtekens is de maatschappelijke relevantie van deze studie duidelijk en nastrevenswaardig: ze beoogt een rechtmatige positie te geven aan metissen in het hedendaagse België.

In het middendeel van het boek staat een uitgebreide verhandeling over de dagelijkse gang van zaken op het instituut van Save. Het regime daar was zeer streng. Er was een aparte metissengemeenschap en niet alleen de slaapkamers van de jongens en meisjes waren van elkaar gescheiden, maar ook de refters. De zusters wilden de ‘zondige afkomst’ (het resultaat van buitenechtelijke ‘losbandige seksualiteit’) van de kinderen compenseren. Zuster Lutgardis, het hoofd van Save, bleek de drijvende kracht achter het vertrek van de kinderen naar België. Zij zag geen toekomst voor hen in postkoloniaal Ruanda-Urundi. Achteraf wordt als reden voor het vertrek ook gewezen op het gegeven dat dit een manier was voor België om het koloniale geweten te sussen door op een ordentelijke manier de koloniale erfenis na de dekolonisatie af te handelen.

Volgens Heynssens was het vertrek naar België tussen 1958 en 1961 voor het merendeel van de driehonderd kinderen een spannend avontuur. De bedoeling was ze allemaal onder te brengen in pleeg- en adoptiegezinnen. Dit lukte in eerste instantie niet direct, en een aanzienlijk aantal kinderen kwam daarom aanvankelijk terecht in tehuizen. Als ze eenmaal in een gezin werden geplaatst, bleek er helaas een discrepantie te bestaan tussen de verwachting van de moeders om hun kinderen weer terug te zien en de pleegfamilies die het kind permanent wilden opnemen in het gezin. Organisaties als het Ruandafonds en het Adoptiewerk van Thérèse Wante kwamen alleen de pleegfamilies tegemoet. Ze waren terughoudend in het verstrekken van gegevens over de biologische familie van de kinderen. Dit beleid stond bekend onder de naam ‘clean break model’. Dit heeft een aantal kinderen zeker belemmerd in hun identiteitsontwikkeling. Naast gelukkige kinderen, die een goede opleiding en later een carrière doorliepen, kwamen er na een aantal jaren ook gevallen van emotionele en fysieke mishandeling aan het licht, waarschijnlijk als gevolg van een onvolledige en haastige selectieprocedure van de ouders. De kinderen hadden het niet altijd even gemakkelijk om als ‘gemengde’ in een grotendeels blanke samenleving te moeten opgroeien. In dit postkoloniale deel van het boek maakt Heynssens een vergelijking met Nederland waar volgens haar onder Indische mensen uitvoerig is gediscussieerd over hun identiteitsbeleving, terwijl dit in België nog niet echt van de grond is gekomen. Haar boek wil daaraan een bijdrage leveren. In mijn ogen is De kinderen van Save daartoe nog te verkennend, te pionierend van aard.

Nadat ik het boek had gelezen, bleven er wat vragen terugkomen, zoals: was de Missie van Save uniek in Ruanda-Urundi? Waren er andere weeshuizen die meededen aan het ‘reddingsprogramma’? Hoe zat dat in Belgisch Congo? Los daarvan is De kinderen van Save een indrukwekkend boek dat in het geheel van de Belgische koloniale literatuur een unieke plaats zal innemen.