Het verhaal van de zakelijke avonturen van de Joodse Isay Rottenberg in het Duitsland van de jaren dertig is een mooi voorbeeld van microgeschiedenis. Rottenberg moet een ondernemer in hart en nieren zijn geweest, iemand die kansen zag en ze benutte; iemand die met energie, vindingrijkheid en overtuigingskracht een zieltogende fabriek wist om te vormen tot een bloeiend bedrijf dat aan vele honderden werknemers werk verschafte in een tijd van economische malaise en algemeen heersende werkeloosheid. Naast deze zakelijke kwaliteiten moet er een andere karaktereigenschap in het spel geweest zijn, en de auteurs – zijn kleindochters – proberen daar een vinger achter te krijgen. Was het onverschrokkenheid of roekeloosheid, koppigheid, verblindheid of moedwillig de ogen sluiten voor de werkelijkheid van nazi-Duitsland die maakten dat Rottenberg zijn fabriek, en zijn leiding daarover, per se in stand wilde houden?

Op het spoor gebracht door vage berichten over een sigarenfabriek in vooroorlogs Duitsland, die in de familie de ronde doen, gaan de auteurs na het overlijden van hun grootvader op zoek naar die geheimzinnige geschiedenis waarvan in familiedocumenten en fotoalbums maar bitter weinig is terug te vinden. Over het onderwerp had hun grootvader nooit gesproken. Pas toen zijn kleindochters zijn naam tegenkwamen op een lijst van de The Conference of Jewish Material Claims against Germany, kregen zij een eerste aanwijzing over de tot dan toe geheimzinnige fabriek doordat op die lijst ook de fabrieksnaam en de vestigingsplaats Döbeln werden genoemd. Het gemeentearchief van Döbeln, een provinciestad tussen Leipzig en Dresden, heeft de oorlog doorstaan doordat de stad niet is gebombardeerd, maar er was eindeloos veel spitwerk nodig in allerhande correspondentie, de notulen van de gemeenteraad en processtukken en krantenknipsels, om de geschiedenis van Rottenberg en zijn fabriek te ontrafelen.

Rottenberg kocht de fabriek in 1932 van een eveneens Joodse eigenaar, die failliet was gegaan vanwege een te snelle uitbreiding en dure reclamecampagnes. Binnen een jaar kreeg Rottenberg te maken met boycotacties en andere, toenemende tegenwerking toen de nationaalsocialisten aan de macht waren gekomen. Hier raakt de individuele microgeschiedenis aan de algemene geschiedenis en stelt die op onderdelen zelfs bij. Zo wordt duidelijk dat, tenminste in dit geval, de wetgeving die de arisering van Joodse bedrijven mogelijk moest maken soms nauwelijks meer nodig was. Door voortdurende tegenwerking door de autoriteiten en niet-Joodse concurrenten was de levensvatbaarheid van Joodse bedrijven al begin jaren dertig minimaal geworden, waardoor niet-Joden ze zonder veel moeite of hoge kosten konden overnemen. Wat Rottenbergs sigarenfabriek betreft werd die ontwikkeling aanzienlijk vertraagd doordat de burgemeester van Döbeln, hoe nationaalsocialistisch gezind die ook was, het behoud van werkgelegenheid belangrijker vond dan het wegpesten van een Joodse werkgever. Daardoor kon Rottenberg zelfs het machineverbod omzeilen. Dit was een maatregel van de regering in Berlijn, bedoeld om banen te scheppen door machineproductie te vervangen door handarbeid. Gesteund door de burgemeester van Döbeln wist Rottenberg aannemelijk te maken dat het machineverbod de bestaande arbeidsplaatsen in Döbeln alleen maar zou opheffen. Het is verrassend te zien hoe in de beginjaren van de nazi-heerschappij het pragmatisme van de lokale autoriteiten het won van het, overigens wel duidelijk aanwezige, antisemitisme, zoals ook bij de gewone burgers het antisemitisme niet zo sterk was dat ze daar hun koopgedrag door lieten bepalen. Dit laatste blijkt uit het mislukken van de in 1933 uitgeroepen boycot van Joodse bedrijven.

Rottenberg verloor uiteindelijk zijn fabriek toen een niet-Joodse concurrent, die in 1932 vergeefs op de failliete fabriek had geaasd, met de dicht tegen de NSDAPaan schurkende Deutsche Bank tegen Rottenberg samenspande. Rottenberg werd door de bank gegijzeld en moest maanden in de gevangenis doorbrengen. Maar zelfs nadat hij om gezondheidsredenen tijdelijk was vrijgelaten, gaf hij de strijd niet op. Hij keerde na een kort verblijf bij zijn gezin in Amsterdam terug naar Döbeln om zijn zaak te bepleiten, al besefte hij dat dit vergeefse moeite zou zijn en bovendien zeer riskant. Hier moet met ere Johan Steenbergen, de Nederlandse consul, worden genoemd, die zich, veel meer dan ambtshalve van hem verwacht mocht worden, heeft ingespannen om Rottenberg vrij te krijgen en diens zakelijke belangen te verdedigen. Rottenberg bleef rekenen – of misschien was het niet meer dan hopen – op de redelijkheid en de rechtsbescherming die in normale omstandigheden zeker een gunstige uitslag hadden opgeleverd. Maar nu mochten die hem niet baten, evenmin als Steenbergens hulp namens de Nederlandse regering.

Zoals het vaker is met microgeschiedenissen heeft de persoonlijke band van de auteurs met het verhaal de stoot tot het onderzoek gegeven. Dit persoonlijke aspect klinkt door het hele boek heen. Niet alleen doordat de schrijfsters de protagonist vaak met ‘onze grootvader’ aanduiden, of zelfs familiair met ‘opa’, maar ook doordat de verschillende houdingen van de beide auteurs, nichten van elkaar, geleidelijk zichtbaar worden. Hella kreeg naarmate het onderzoek vorderde de meeste bedenkingen over het beoordelingsvermogen en de ethiek van Isay Rottenberg. Zij zet vraagtekens bij zijn hartelijke contacten met allerlei nazi’s en zijn royale bijdrage aan de nationaalsocialistische ‘Winterhulp’. Sandra neemt daarentegen steeds een afstandelijkere en nuchterdere positie in jegens het handelen van hun grootvader. Hella had dan ook een uitgesproken hechte band met haar grootvader, terwijl Sandra zich door een breuk tussen haar vader en de rest van de familie veel minder direct en emotioneel betrokken voelde bij de geschiedenis van haar grootvader. Dit heeft geleid tot een soms wat verwarrende aanduiding van de auteurs als ‘wij’ en als ‘ik’, soms gevolgd door ‘Sandra’ of ‘Hella’.

De geschiedenis van Isay Rottenberg door zijn kleindochters is een illustratie van de economische dimensie van de Jodenvervolging, waarbij veel financiële en bedrijfskundige details de revue passeren. Daarnaast vertelt De sigarenfabriek van Isay Rottenberg het verhaal van de speurtocht naar die geschiedenis, inclusief frustraties, doodlopende wegen en sfeerbeschrijvingen van stoffige archiefzolders, lijvige dossiers en krantenjaargangen op microfiches. Bij vlagen geeft dit een wat babbelige toon aan het verhaal. Het is bovendien vreemd dat de video-getuigenissen die Rottenbergs kinderen Edwin en Tini in 1996 hebben gegeven in het kader van het Spielberg-project, pas in de laatste twee hoofdstukken opduiken.1 Het had voor de hand gelegen dat de auteurs zo’n directe en persoonlijke bron als eerste hadden geraadpleegd. Nu lezen we dertien bladzijden voor het einde van hun boek: ‘Een opmerking van tante Tini werpt nieuw licht op het vraagstuk waar we al maanden mee worstelen. Waarom bleef onze grootvader in Duitsland werken nadat Hitler aan de macht was gekomen?’ (241) Dit blijkt samen te hangen met zijn Duitse beleggingen waarvan hij de opbrengst niet naar Nederland had mogen meenemen. Dit simpele antwoord had met kennis van de toenmalige Duitse wetten ook zelf bedacht kunnen zijn. Maar dan hadden wij, en dan vooral degenen die in de economische aspecten van de Jodenvervolging in Duitsland zijn geïnteresseerd, deze zoektocht naar een fascinerend familieverhaal moeten missen.